Vrouwen voelen de pensioenhervorming harder dan mannen, berekende het Planbureau.
Vrouwen voelen de pensioenhervorming harder dan mannen. Dat schrijft het Planbureau in een studie. Vrouwen haakten gemiddeld vroeger af dan mannen en moeten nu dus extra langer werken.
In overheidsdiensten is het verschil het grootst: vrouwen zullen er gemiddeld 20 maanden langer moeten werken, mannen 12.
Bij werknemers en zelfstandigen zijn de verschillen kleiner.
Parlementslid Wouter De Vriendt (Groen) grijpt dit aan om eraan te herinneren dat vrouwen op bijna alle punten slechter af zijn in de pensioenen. ‘En de regering straft vrouwen voor keuzes die ze in het verleden gemaakt hebben.'
Vervolg
Posts tonen met het label planbureau. Alle posts tonen
Posts tonen met het label planbureau. Alle posts tonen
dinsdag 12 maart 2013
dinsdag 5 juni 2012
Planbureau verlaagt inflatievooruitzichten - sociale uitkering stijgen pas in januari 2013
Het federaal Planbureau heeft de inflatievooruitzichten voor dit en volgend jaar naar beneden herzien. Ook de overschrijding van de spilindex wordt uitgesteld. Dat betekent dat de ambtenarenweddes en uitkeringen dit jaar niet meer zullen stijgen: een meevaller voor de begroting van 2012.
De spilindex zou volgens de nieuwe vooruitzichten pas in december worden overschreden, en niet langer in oktober of zelfs in september. Dat betekent dat de sociale uitkeringen pas in januari en de weddes van het overheidspersoneel pas in februari stijgen met 2 procent.
Vervolg
Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension
De spilindex zou volgens de nieuwe vooruitzichten pas in december worden overschreden, en niet langer in oktober of zelfs in september. Dat betekent dat de sociale uitkeringen pas in januari en de weddes van het overheidspersoneel pas in februari stijgen met 2 procent.
Vervolg
Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension
Hervorming doet overheidspensioen met vijfde stijgen - kloof tussen privat en publiek pensioen neemt toe.
Zonder nieuwe bijsturingen zal een ambtenaar die in 2017 met pensioen gaat, een pensioen krijgen dat gemiddeld 20 procent hoger ligt dan wie nu vertrekt. Dat ontdekte het Planbureau toen het trachtte te berekenen hoeveel de pensioenhervorming van de regering-Di Rupo precies zal opbrengen, zo schrijft De Tijd.
Vervolg
Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension
Vervolg
Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension
dinsdag 20 december 2011
Vrouwen worden 88,8 jaar
Volgens het Federaal Planbureau zullen we in 2060 met 13,5 miljoen Belgen zijn.
De levensverwachting voor een Belgische vrouw wordt 88,8 jaar in 2060, voor een man 86,2 jaar. De kloof in de leeftijdsverwachting daalt tot 2,6 jaar, nu is dat nog 5,2 jaar.
Positief is dat de verhouding van 26 ouderen per 100 personen op beroepsleeftijd in 2010 tot 42/100 stijgt in 2060, en niet tot 45/100 zoals eerdere voorspellingen aangaven.
Vervolg
De levensverwachting voor een Belgische vrouw wordt 88,8 jaar in 2060, voor een man 86,2 jaar. De kloof in de leeftijdsverwachting daalt tot 2,6 jaar, nu is dat nog 5,2 jaar.
Positief is dat de verhouding van 26 ouderen per 100 personen op beroepsleeftijd in 2010 tot 42/100 stijgt in 2060, en niet tot 45/100 zoals eerdere voorspellingen aangaven.
Vervolg
donderdag 3 november 2011
Welvaartsbinding van sociale en bijstandsuitkeringen
Een van de voornaamste onderdelen van het recente voorstel van interprofessioneel akkoord 2011-2012 heeft betrekking op de welvaartsbinding van de sociale uitkeringen. Dat voorstel voor welvaartsaanpassing van de sociale uitkeringen is het resultaat van een lang proces en kadert in de wet op het Generatiepact, die eind 2005 een structureel mechanisme instelde dat de sociale uitkeringen bindt aan de welvaartsevolutie. Deze Working Paper ‘Welvaartsbinding van de sociale uitkeringen’ beschrijft de eerste fase van dat proces, namelijk de berekening van de beschikbare financiële middelen voor de aanpassing van de sociale uitkeringen voor de periode 2011-2012, waaraan het Federaal Planbureau heeft meegewerkt.
Meer bepaald in de werknemersregeling bedragen die middelen 233,8 miljoen euro in 2011 en 497,9 miljoen euro in 2012, terwijl het recente voorstel van IPA echter voorziet niet meer dan 60% van die middelen te gebruiken. Daarnaast biedt deze paper een overzicht van het sociaal beleid in België door enerzijds de voornaamste keerpunten van dit beleid te beschrijven en anderzijds de evolutie van de gemiddelde bedragen van de belangrijkste sociale uitkeringen vanaf 1980 te analyseren. Het resultaat is een contrastrijk landschap: in tegenstelling tot de werklozen en de invaliden, zagen de gepensioneerden globaal genomen hun relatieve levensstandaard stijgen over de periode 1980-2009.
Welvaartsbinding Van Sociale en Bijstandsuitkeringen
Meer bepaald in de werknemersregeling bedragen die middelen 233,8 miljoen euro in 2011 en 497,9 miljoen euro in 2012, terwijl het recente voorstel van IPA echter voorziet niet meer dan 60% van die middelen te gebruiken. Daarnaast biedt deze paper een overzicht van het sociaal beleid in België door enerzijds de voornaamste keerpunten van dit beleid te beschrijven en anderzijds de evolutie van de gemiddelde bedragen van de belangrijkste sociale uitkeringen vanaf 1980 te analyseren. Het resultaat is een contrastrijk landschap: in tegenstelling tot de werklozen en de invaliden, zagen de gepensioneerden globaal genomen hun relatieve levensstandaard stijgen over de periode 1980-2009.
Welvaartsbinding Van Sociale en Bijstandsuitkeringen
dinsdag 3 mei 2011
Derde indexering in minder dan twee jaar op komst
Het Federaal Planbureau verwacht dat de spilindex in februari 2012 opnieuw overschreden zal worden, minder dan een jaar na de overschrijding van april. Daardoor zouden de overheidswedden en sociale uitkeringen voor de derde keer in minder dan twee jaar met 2 procent verhoogd worden.
Dit blijkt uit de vandaag gepubliceerde inflatievooruitzichten van het Planbureau.
Vervolg
Dit blijkt uit de vandaag gepubliceerde inflatievooruitzichten van het Planbureau.
Vervolg
maandag 5 juli 2010
Krachtlijnen van het negende Jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing
De voorliggende publicatie is het negende Jaarverslag van de SCvV en presenteert de langetermijnvooruitzichten van de sociale uitgaven en hun sociale gevolgen. Dit jaar wordt ook aandacht besteed aan de verschillende vormen van vervroegde uitstapregelingen uit de arbeidsmarkt tussen 50 en 64 jaar.
De Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) werd, in het kader van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds, opgericht binnen de Hoge Raad van Financiën. De SCvV heeft als taak een jaarlijks verslag over de budgettaire en soicale gevolgen van de vergrijzing op te stellen. Het Federaal Planbureau (FPB) fungeert als technisch en administratief secretariaat van de SCvV.
De Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) werd, in het kader van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds, opgericht binnen de Hoge Raad van Financiën. De SCvV heeft als taak een jaarlijks verslag over de budgettaire en soicale gevolgen van de vergrijzing op te stellen. Het Federaal Planbureau (FPB) fungeert als technisch en administratief secretariaat van de SCvV.
donderdag 27 mei 2010
De Belgische eerstepijlerpensioen
In januari 2008 bedroeg het gemiddelde pensioen 1155 €. Dit bedrag kon natuurlijk schommelen, afhankelijk van het pensioenregime, de pensioensleeftijd, de loopbaan…Volstaat dit bedrag om de koopkracht van senioren te behouden, en hen van armoede te behoeden? Wat is de rol van de 2e en 3e pijlers? Dit rapport van het Federaal Plan Bureau analyseert het systeem van de eerste pijler en zijn efficiëntie om te beantwoorden aan sociale objectieven. Het biedt ons ook de nodige tools aan voor het debat rond pensioenen en de financiering van de vergrijzing.
De Belgische eerstepijlerpensioen - Federaal Plan Bureau
De Belgische eerstepijlerpensioen - Federaal Plan Bureau
dinsdag 9 maart 2010
Pensioenen mogen niet worden opgetrokken, vindt directeur Planbureau
Om de kosten van de vergrijzing te kunnen betalen, zullen drie voorwaarden moeten worden vervuld. Men moet het begrotingsevenwicht aanhouden, zich redelijk opstellen op vlak van bijkomende sociale voordelen en de effectieve pensioenleeftijd optrekken.
Dat stelt de directeur van het Federale Planbureau Henri Bogaert maandag in La Libre Belgique. Hij is ook van oordeel dat de pensioenen niet verder verhoogd mogen worden.
Dat stelt de directeur van het Federale Planbureau Henri Bogaert maandag in La Libre Belgique. Hij is ook van oordeel dat de pensioenen niet verder verhoogd mogen worden.
"Drie voorwaarden nodig voor behoud pensioenstelsel"
Om de kosten van de vergrijzing te kunnen betalen, zullen drie voorwaarden moeten worden vervuld. Men moet het begrotingsevenwicht aanhouden, zich redelijk opstellen op vlak van bijkomende sociale voordelen en de effectieve pensioenleeftijd optrekken. Dat stelt de directeur van het Federale Planbureau Henri Bogaert in La Libre Belgique. Hij is ook van oordeel dat de pensioenen niet verder verhoogd mogen worden.
Volgens Bogaert kan een combinatie van die drie voorwaarden zorgen dat de pensioensituatie houdbaar blijft. Hij benadrukt dat ze wel alledrie vervuld moeten worden.
De financiering van de pensioenen is verzekerd tot 2015, verklaarde bevoegd minister Michel Daerden (PS) onlangs. Maar wat nadien komt blijft onduidelijk. "De regering wil rond 2015 een begrotingsevenwicht bereiken. En ze hoopt dat te kunnen aanhouden gedurende de volgende jaren. Indien dat niet gebeurt, zitten we met een probleem. Geen groot probleem, maar toch een probleem", stelt Bogaert vast.
Geen verhoging pensioenen
Volgens hem zijn een begrotingsevenwicht en economische groei noodzakelijk, "maar dat zal niet volstaan". Zo moet men onder meer ophouden de pensioenen en de begrotingskost van de vergrijzing te verhogen. "Ik zeg niet dat de pensioenen verlaagd moeten worden. Ik heb gezegd dat ze niet verhoogd zouden mogen worden, tenzij dat beperkt blijft tot kleine welvaartsaanpassingen", verduidelijkt hij.
Tot slot is de topman van het Planbureau van oordeel dat de effectieve pensioenleeftijd in 10 jaar tijd moet worden opgetrokken van 59 naar 63.
Volgens Bogaert kan een combinatie van die drie voorwaarden zorgen dat de pensioensituatie houdbaar blijft. Hij benadrukt dat ze wel alledrie vervuld moeten worden.
De financiering van de pensioenen is verzekerd tot 2015, verklaarde bevoegd minister Michel Daerden (PS) onlangs. Maar wat nadien komt blijft onduidelijk. "De regering wil rond 2015 een begrotingsevenwicht bereiken. En ze hoopt dat te kunnen aanhouden gedurende de volgende jaren. Indien dat niet gebeurt, zitten we met een probleem. Geen groot probleem, maar toch een probleem", stelt Bogaert vast.
Geen verhoging pensioenen
Volgens hem zijn een begrotingsevenwicht en economische groei noodzakelijk, "maar dat zal niet volstaan". Zo moet men onder meer ophouden de pensioenen en de begrotingskost van de vergrijzing te verhogen. "Ik zeg niet dat de pensioenen verlaagd moeten worden. Ik heb gezegd dat ze niet verhoogd zouden mogen worden, tenzij dat beperkt blijft tot kleine welvaartsaanpassingen", verduidelijkt hij.
Tot slot is de topman van het Planbureau van oordeel dat de effectieve pensioenleeftijd in 10 jaar tijd moet worden opgetrokken van 59 naar 63.
dinsdag 2 maart 2010
Colloquium 26/02/2010 : Toereikendheid van de pensioenen en budgettaire kosten van de vergrijzing: evaluatie van de hervormingen en alternatieve scenario’s
Het Federaal Planbureau is reeds 20 jaar vertrouwd met het opstellen van financiële vooruitzichten van de sociale zekerheid op zeer lange termijn (een halve eeuw), die het met name mogelijk maken de budgettaire houdbaarheid van de wettelijke pensioenen te evalueren. De laatste jaren ontwikkelt het FPB nieuwe methodologieën waardoor het mogelijk wordt niet enkel de toekomstige sociale houdbaarheid (of ‘toereikendheid’) van de wettelijke pensioenen te evalueren, maar ook coherente evaluaties te maken van de budgettaire en sociale houdbaarheid. Die nieuwe ontwikkelingen worden actief ondersteund door de FOD Sociale Zekerheid.
De langetermijnevolutie (tot 2060) van de toereikendheid van de pensioenen in België wordt gesimuleerd met behulp van het dynamisch microsimulatiemodel MIDAS (MIcrosimulation for the Development of Adequacy and Sustainability). MIDAS stemt zijn sociaaleconomische, demografische en macro-economische hypothesen af op die van het macrobudgettair model MALTESE van het Federaal Planbureau dat jaarlijks, in het kader van de Studiecommissie voor de Vergrijzing, de impact raamt van de vergrijzing op de sociale uitgaven op middellange en lange termijn.
Om de mogelijkheden die worden geboden door het op elkaar afstemmen van die beide instrumenten te illustreren, worden een referentiescenario, twee alternatieve scenario’s en twee hervormingen voorgesteld. De alternatieve scenario’s hebben betrekking op een versnelling van de langetermijngroei van de productiviteit en op een hogere werkgelegenheidsgraad van ouderen. De geanalyseerde hervormingen betreffen de sinds eind 2006 ingevoerde verhogingen van het minimumrecht per loopbaanjaar enerzijds en van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) anderzijds.
Hieronder kan je volgende documenten terugvinden:
Programme - programma [mix]
Presentation of Gijs Dekkers : De toereikendheid van de pensioenen : het MIDAS model [nl]
Presentation of Marie-Jeanne Festjens : De financiële gevolgen van beleidsmaatregelen en van alter [nl]
Presentation of Raphaël Desmet : Les conséquences sociales de réformes et de scénarios alternatifs [fr]
Presentation of Guy Van Camp : De toereikendheid van pensioenen en de budgettaire kosten van de ver [nl]
De langetermijnevolutie (tot 2060) van de toereikendheid van de pensioenen in België wordt gesimuleerd met behulp van het dynamisch microsimulatiemodel MIDAS (MIcrosimulation for the Development of Adequacy and Sustainability). MIDAS stemt zijn sociaaleconomische, demografische en macro-economische hypothesen af op die van het macrobudgettair model MALTESE van het Federaal Planbureau dat jaarlijks, in het kader van de Studiecommissie voor de Vergrijzing, de impact raamt van de vergrijzing op de sociale uitgaven op middellange en lange termijn.
Om de mogelijkheden die worden geboden door het op elkaar afstemmen van die beide instrumenten te illustreren, worden een referentiescenario, twee alternatieve scenario’s en twee hervormingen voorgesteld. De alternatieve scenario’s hebben betrekking op een versnelling van de langetermijngroei van de productiviteit en op een hogere werkgelegenheidsgraad van ouderen. De geanalyseerde hervormingen betreffen de sinds eind 2006 ingevoerde verhogingen van het minimumrecht per loopbaanjaar enerzijds en van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) anderzijds.
Hieronder kan je volgende documenten terugvinden:
Programme - programma [mix]
Presentation of Gijs Dekkers : De toereikendheid van de pensioenen : het MIDAS model [nl]
Presentation of Marie-Jeanne Festjens : De financiële gevolgen van beleidsmaatregelen en van alter [nl]
Presentation of Raphaël Desmet : Les conséquences sociales de réformes et de scénarios alternatifs [fr]
Presentation of Guy Van Camp : De toereikendheid van pensioenen en de budgettaire kosten van de ver [nl]
vrijdag 5 februari 2010
Working Paper 18-09 : Prospectieve sterftequotiënten per geslacht en uniseks
Het eerste deel van deze studie omvat een herziening van de algemene methode voor de opmaak van de prospectieve sterftequotiënten voor de hoge leeftijden, zoals voorgesteld in WP20 van 2004. Bijzondere aandacht werd besteed aan de gevoeligheid van de resultaten voor de belangrijkste parameters. Daarna volgt een projectie per geslacht waarin de nieuwe waarnemingen voor de jaren 2002 tot 2007 zijn opgenomen.
In het tweede deel wordt een berekeningsmethode voor de uniseks prospectieve sterftequotiënten ontwikkeld die gebaseerd is op een theoretische opdeling van de bevolking naar geslacht. De resultaten van de uniseks projectie die voortvloeien uit die nieuwe methode worden voorgesteld en vergeleken met de resultaten van de klassieke methode.
201002040818570.wp200918
201002040913470.wp200918
In het tweede deel wordt een berekeningsmethode voor de uniseks prospectieve sterftequotiënten ontwikkeld die gebaseerd is op een theoretische opdeling van de bevolking naar geslacht. De resultaten van de uniseks projectie die voortvloeien uit die nieuwe methode worden voorgesteld en vergeleken met de resultaten van de klassieke methode.
201002040818570.wp200918
201002040913470.wp200918
maandag 2 november 2009
Brussel zit op demografische tijdbom
Brussel zit op een demografische tijdbom. Volgens cijfers van het Planbureau telt onze hoofdstad vandaag 1,031 miljoen inwoners. Dat zijn er 72.000 meer dan in 2000. De volgende tien jaar komen er daar nog eens 170.000 bij. Dat betekent dat op 20 jaar tijd een kwart miljoen bijkomende mensen zich in Brussel zal hebben gevestigd en in totaal 1, 2 miljoen mensen in de hoofdstad zullen leven. De demografische groei zal vooral plaatsvinden onder de allochtone bevolking.
De cijfers staan in de Franstalige krant Le Soir. Onze politici zijn zich nog niet bewust van de gevolgen van deze demografische explosie, schrijft de krant, en de gevolgen worden snel merkbaar in bijvoorbeeld het onderwijs, waar in september reeds plaatstekort was in de kleuter- en lagere scholen.
Tegen 2020 komen er in kleuterscholen 45% meer kinderen bij en in het lager onderwijs 35% meer leerlingen. Daarnaast dreigen ook woningnood, mobiliteitsproblemen, integratieproblemen en plaatsgebrek in kindercrèches. Brussels minister Evelyne Huytebroeck (Ecolo) spreekt van ‘gigantische uitdagingen'. Ze voorziet vooral problemen onder de sub-Saharische en Oost-Europese inwonersgroepen van Brussel en roept binnenkort dan ook een ministerraad samen om alle machtsgeledingen van de problematiek bewust te maken.
De cijfers staan in de Franstalige krant Le Soir. Onze politici zijn zich nog niet bewust van de gevolgen van deze demografische explosie, schrijft de krant, en de gevolgen worden snel merkbaar in bijvoorbeeld het onderwijs, waar in september reeds plaatstekort was in de kleuter- en lagere scholen.
Tegen 2020 komen er in kleuterscholen 45% meer kinderen bij en in het lager onderwijs 35% meer leerlingen. Daarnaast dreigen ook woningnood, mobiliteitsproblemen, integratieproblemen en plaatsgebrek in kindercrèches. Brussels minister Evelyne Huytebroeck (Ecolo) spreekt van ‘gigantische uitdagingen'. Ze voorziet vooral problemen onder de sub-Saharische en Oost-Europese inwonersgroepen van Brussel en roept binnenkort dan ook een ministerraad samen om alle machtsgeledingen van de problematiek bewust te maken.
dinsdag 22 september 2009
B : De financiering van de sociale zekerheid op lange termijn en haar gevolgen op de financiën van de federale overheid
Deze studie behandelt de gevolgen van de verschillende financieringsmechanismen van de sociale zekerheid op de financiële houdbaarheid van de sociale zekerheid, de federale en de gezamenlijke overheid op lange termijn, rekening houdend met de verwachte budgettaire kosten van de vergrijzing. Onder die mechanismen spelen het Zilverfonds en de aanvullende alternatieve financiering van de gezondheidszorguitgaven een centrale rol. Er worden twee scenario’s gepresenteerd met betrekking tot het begrotingsbeleid. Het eerste scenario is er een bij ongewijzigd beleid. Het tweede is een genormeerd scenario waarin de vorderingensaldi van de subsectoren, vooropgesteld in het Stabiliteitsprogramma 2008-2011, en het begrotingstraject op lange termijn aanbevolen door de Hoge Raad van Financiën in haar advies van maart 2007, zouden gerealiseerd worden. De macro-economische perspectieven op middellange en lange termijn die aan beide scenario’s ten grondslag liggen, houden geen rekening met de mogelijke gevolgen van de huidige sterke vertraging van de economische groei.
Reeds verschillende jaren beveelt de Hoge Raad van Financiën (HRF) aan om vorderingenoverschotten te realiseren teneinde de houdbaarheid van de Belgische overheidsfinanciën op lange termijn te verzekeren. Hierdoor wordt de betaling van de budgettaire kosten van de vergrijzing mogelijk zonder op lange termijn een stabiele en lage schuldenlast in gevaar te brengen.
De aanbevolen strategie van de HRF is gericht op een versnelde afbouw van de overheidsschuld via de opbouw van vorderingenoverschotten teneinde een daling van het vorderingenoverschot mogelijk te maken op het moment dat de vergrijzing de kop op steekt. De HRF houdt daarbij rekening met de door de Studiecommissie voor de Vergrijzing geraamde budgettaire kosten van de vergrijzing. Daarnaast beoogt de wet op het Zilverfonds van 5 september 2001 de voeding van het Zilverfonds via die gerealiseerde vorderingenoverschotten. Op die manier zou het Zilverfonds in de periode 2010-2030 instaan voor de financiering van de toename van de uitgaven in de diverse wettelijke pensioenstelstels.
De Sociale Zekerheid zou de toename van de pensioenuitgaven in de algemene regeling zodoende via de overdrachten van het Zilverfonds kunnen financieren. Naast die overdrachten en de gebruikelijke bijdragen, dotaties en alternatieve financiering ten gunste van de sociale zekerheid, werd in 2008 een nieuw systeem voor de financiering van de begroting van de ziekteverzekering operationeel. Die bijkomende alternatieve financiering compenseert het verschil tussen de uitgaven ten laste van de ziekteverzekering, en de andere financieringsbronnen van de ziekteverzekering.
Deze studie behandelt de gevolgen van de verschillende financieringsmechanismen van de sociale zekerheid op de financiële houdbaarheid van de sociale zekerheid, de federale en de gezamenlijke overheid op lange termijn, rekening houdend met de verwachte budgettaire kosten van de vergrijzing. Er worden twee scenario’s gepresenteerd met betrekking tot het begrotingsbeleid. Het eerste scenario is er een bij ongewijzigd beleid. Het tweede is een genormeerd scenario waarin de vorderingensaldi van de subsectoren, vooropgesteld in het Stabiliteitsprogramma 2008-2011, en het begrotingstraject op lange termijn aanbevolen door de Hoge Raad van Financiën in haar advies van maart 2007, zouden gerealiseerd worden. De macro-economische vooruitzichten op middellange en lange termijn die aan beide scenario’s ten grondslag liggen, houden geen rekening met de mogelijke gevolgen van de huidige sterke vertraging van de economische groei.
In het scenario bij ongewijzigd beleid en bij afwezigheid van nieuwe maatregelen wordt het Zilverfonds niet meer gevoed vanaf 2007. Bijgevolg zou het Fonds slechts gedurende een korte periode de toename van de pensioenuitgaven financieren. Nochtans zou de sociale zekerheid erin slagen in evenwicht te blijven tot 2025; daarna zou de rekening deficitair worden. De federale overheid daarentegen zou nagenoeg permanent een verslechtering van zijn vorderingenoverschot noteren. De schuld van de federale overheid zou eerst dalen tot ongeveer 2030 om daarna opnieuw voortdurend toe te nemen. De analyse van de financiën van de gezamenlijke overheid is nauwelijks rooskleuriger: ondanks een vorderingenoverschot en de opbouw van reserves van Entiteit II (de lokale overheden en de gemeenschappen en gewesten), zou het vorderingentekort van de gezamenlijke overheid steeds groter worden en de schuld zou opnieuw een sneeuwbaleffect ondergaan.
Het genormeerd scenario gaat uit van het respecteren van de aanbevolen HRF-strategie. De budgettaire inspanningen die daarvoor nodig zijn, zouden oplopen tot 1,7% van het bbp in 2020 voor de gezamenlijke overheid. In dat geval zou de schuld van de gezamenlijke overheid nagenoeg gestabiliseerd worden op een laag niveau op lange termijn. Dit scenario creëert echter een onevenwicht tussen de federale overheid en de sociale zekerheid. De sociale zekerheid zou budgettaire surplussen optekenen, zelfs in de periode waar de vergrijzing het hardst toeslaat. Na 2036 echter zouden die overschotten omslaan in tekorten omdat het Zilverfonds zou uitgeput zijn. In zulk scenario zou de federale overheid gedurende de gehele periode zware budgettaire inspanningen moeten leveren om de begrotingsdoelstelling van Entiteit I te bereiken, gegeven de evolutie van het saldo van de sociale zekerheid.
Deze studie bevestigt dat de HRF-strategie de financiële houdbaarheid van de globale overheidsfinanciën kan garanderen, maar dat hiertoe een zware budgettaire inspanning dient geleverd te worden. Gezien het de federale overheid is die moet voorzien in de stortingen in het Zilverfonds, lijkt het erop dat het dit bestuursniveau is dat de nodige budgettaire inspanningen zal moeten leveren. Het lijkt echter weinig realistisch te stellen dat de federale overheid een permanente aanpassing zou verwezenlijken (van bij benadering 2% van het bbp vanaf 2012) terwijl de primaire uitgaven zich momenteel situeren tussen 11 en 12% van het bbp.
De budgettaire inspanning zou nog belangrijker kunnen worden als zou blijken dat de herstelplannen maatregelen bevatten met structurele budgettaire kosten en als de huidige crisis de vooruitzichten van de Belgische economische groei duurzaam zou aantasten.
De financiering van de sociale zekerheid op lange termijn en haar gevolgen op de financiën van de federale ...
Reeds verschillende jaren beveelt de Hoge Raad van Financiën (HRF) aan om vorderingenoverschotten te realiseren teneinde de houdbaarheid van de Belgische overheidsfinanciën op lange termijn te verzekeren. Hierdoor wordt de betaling van de budgettaire kosten van de vergrijzing mogelijk zonder op lange termijn een stabiele en lage schuldenlast in gevaar te brengen.
De aanbevolen strategie van de HRF is gericht op een versnelde afbouw van de overheidsschuld via de opbouw van vorderingenoverschotten teneinde een daling van het vorderingenoverschot mogelijk te maken op het moment dat de vergrijzing de kop op steekt. De HRF houdt daarbij rekening met de door de Studiecommissie voor de Vergrijzing geraamde budgettaire kosten van de vergrijzing. Daarnaast beoogt de wet op het Zilverfonds van 5 september 2001 de voeding van het Zilverfonds via die gerealiseerde vorderingenoverschotten. Op die manier zou het Zilverfonds in de periode 2010-2030 instaan voor de financiering van de toename van de uitgaven in de diverse wettelijke pensioenstelstels.
De Sociale Zekerheid zou de toename van de pensioenuitgaven in de algemene regeling zodoende via de overdrachten van het Zilverfonds kunnen financieren. Naast die overdrachten en de gebruikelijke bijdragen, dotaties en alternatieve financiering ten gunste van de sociale zekerheid, werd in 2008 een nieuw systeem voor de financiering van de begroting van de ziekteverzekering operationeel. Die bijkomende alternatieve financiering compenseert het verschil tussen de uitgaven ten laste van de ziekteverzekering, en de andere financieringsbronnen van de ziekteverzekering.
Deze studie behandelt de gevolgen van de verschillende financieringsmechanismen van de sociale zekerheid op de financiële houdbaarheid van de sociale zekerheid, de federale en de gezamenlijke overheid op lange termijn, rekening houdend met de verwachte budgettaire kosten van de vergrijzing. Er worden twee scenario’s gepresenteerd met betrekking tot het begrotingsbeleid. Het eerste scenario is er een bij ongewijzigd beleid. Het tweede is een genormeerd scenario waarin de vorderingensaldi van de subsectoren, vooropgesteld in het Stabiliteitsprogramma 2008-2011, en het begrotingstraject op lange termijn aanbevolen door de Hoge Raad van Financiën in haar advies van maart 2007, zouden gerealiseerd worden. De macro-economische vooruitzichten op middellange en lange termijn die aan beide scenario’s ten grondslag liggen, houden geen rekening met de mogelijke gevolgen van de huidige sterke vertraging van de economische groei.
In het scenario bij ongewijzigd beleid en bij afwezigheid van nieuwe maatregelen wordt het Zilverfonds niet meer gevoed vanaf 2007. Bijgevolg zou het Fonds slechts gedurende een korte periode de toename van de pensioenuitgaven financieren. Nochtans zou de sociale zekerheid erin slagen in evenwicht te blijven tot 2025; daarna zou de rekening deficitair worden. De federale overheid daarentegen zou nagenoeg permanent een verslechtering van zijn vorderingenoverschot noteren. De schuld van de federale overheid zou eerst dalen tot ongeveer 2030 om daarna opnieuw voortdurend toe te nemen. De analyse van de financiën van de gezamenlijke overheid is nauwelijks rooskleuriger: ondanks een vorderingenoverschot en de opbouw van reserves van Entiteit II (de lokale overheden en de gemeenschappen en gewesten), zou het vorderingentekort van de gezamenlijke overheid steeds groter worden en de schuld zou opnieuw een sneeuwbaleffect ondergaan.
Het genormeerd scenario gaat uit van het respecteren van de aanbevolen HRF-strategie. De budgettaire inspanningen die daarvoor nodig zijn, zouden oplopen tot 1,7% van het bbp in 2020 voor de gezamenlijke overheid. In dat geval zou de schuld van de gezamenlijke overheid nagenoeg gestabiliseerd worden op een laag niveau op lange termijn. Dit scenario creëert echter een onevenwicht tussen de federale overheid en de sociale zekerheid. De sociale zekerheid zou budgettaire surplussen optekenen, zelfs in de periode waar de vergrijzing het hardst toeslaat. Na 2036 echter zouden die overschotten omslaan in tekorten omdat het Zilverfonds zou uitgeput zijn. In zulk scenario zou de federale overheid gedurende de gehele periode zware budgettaire inspanningen moeten leveren om de begrotingsdoelstelling van Entiteit I te bereiken, gegeven de evolutie van het saldo van de sociale zekerheid.
Deze studie bevestigt dat de HRF-strategie de financiële houdbaarheid van de globale overheidsfinanciën kan garanderen, maar dat hiertoe een zware budgettaire inspanning dient geleverd te worden. Gezien het de federale overheid is die moet voorzien in de stortingen in het Zilverfonds, lijkt het erop dat het dit bestuursniveau is dat de nodige budgettaire inspanningen zal moeten leveren. Het lijkt echter weinig realistisch te stellen dat de federale overheid een permanente aanpassing zou verwezenlijken (van bij benadering 2% van het bbp vanaf 2012) terwijl de primaire uitgaven zich momenteel situeren tussen 11 en 12% van het bbp.
De budgettaire inspanning zou nog belangrijker kunnen worden als zou blijken dat de herstelplannen maatregelen bevatten met structurele budgettaire kosten en als de huidige crisis de vooruitzichten van de Belgische economische groei duurzaam zou aantasten.
De financiering van de sociale zekerheid op lange termijn en haar gevolgen op de financiën van de federale ...
maandag 22 juni 2009
Krachtlijnen van het achtste Jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing
Aan de langetermijnvooruitzichten van de sociale uitgaven, gepresenteerd in het achtste jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV), zijn meer dan ooit grote onzekerheden verbonden.
Onzekerheid op middellange termijn…
Reeds op middellange termijn zijn aan het macro-economisch scenario grote onzekerheden verbonden, vooral wat betreft de duur en de intensiteit van de financiële crisis en de weerslag ervan op de reële economie. Dit in aanmerking genomen scenario berust op de hypothese dat het verlies aan output tengevolge van de crisis in de loop van de eerste vijf jaar niet zal worden goedgemaakt. Integendeel, de economische groei keert vanaf 2011 terug naar een groeitempo dat vergelijkbaar is met wat gemiddeld werd waargenomen vóór het uitbreken van de crisis.
… en op lange termijn...
De onzekerheid op lange termijn wat de macro-economische omgeving betreft, en meer bepaald de productiviteitsgroei, is niet nieuw, maar werd dit jaar aangewakkerd door de crisis. In deze context heeft de SCvV beslist belangrijke wijzigingen door te voeren. Enerzijds werd een nieuw macro-economisch model voor de lange termijn ontwikkeld waarmee de determinanten van de economische groei meer formeel kunnen worden geïdentificeerd. Anderzijds worden drie scenario’s voor de productiviteitsgroei voorgesteld. Het referentiescenario presenteert een jaarlijkse groeivoet van 1,5% die het midden houdt tussen twee alternatieve scenario’s: het (gebruikelijke) groeiscenario van 1,75% en een zwakker groeiscenario (1,25%).
… die leidt tot een belangrijke verhoging van de budgettaire kosten van de vergrijzing in % van het bbp.
In het referentiescenario lopen de budgettaire kosten van de vergrijzing op tot 8,2% van het bbp tussen 2008 en 2060 (zie tabel 1). Op middellange termijn bedraagt de verhoging van de sociale uitgaven reeds 3,2% van het bbp tussen 2008 en 2014, wat een meerkost is van 2,1 procentpunt van het bbp ten opzichte van de projecties van vorig jaar. De economische crisis verklaart 1,9 procentpunt van die opwaartse herziening. Dit wordt niet enkel weerspiegeld in een daling van het bbp maar ook in een sterke stijging van het aantal werklozen. Op langere termijn bedragen de budgettaire kosten van de vergrijzing 4,9% tussen 2014 en 2060, een niveau dat relatief vergelijkbaar is met dat uit de projectie van vorig jaar.

Op lange termijn wordt het verschil tussen de nieuwe raming van de budgettaire kosten van de vergrijzing (8,2% van het bbp tussen 2008 en 2060) en die uit het vorig jaarverslag (5,9% van het bbp tussen 2008 en 2050 volgens de projectie van juni 2008), hetzij 2,3 procentpunt van het bbp, verklaard door drie factoren:
voornamelijk de economische crisis, alsook verschillende andere factoren verklaren 1,2 procentpunt van het bbp;
de neerwaartse herziening van de hypothese over de jaarlijkse productiviteitsgroei met 0,25 procentpunt, wat een groei van 1,5% oplevert ten opzichte van 1,75% in de vorige verslagen, draagt bij tot die afwijking ten belope van 0,9 procentpunt van het bbp;
ten slotte wordt de projectie van de sociale uitgaven nu ook uitgebreid tot 2060, in overeenstemming met de bevolkingsvooruitzichten; de budgettaire kosten van de vergrijzing bedragen 0,2% van het bbp tussen 2050 en 2060.
In het lager productiviteitsscenario nemen de budgettaire kosten van de vergrijzing toe tot 9,4% van het bbp terwijl ze afnemen tot 7% van het bbp in het hoger productiviteitsscenario.
Gevoeligheidsanalyses van de budgettaire kosten van de vergrijzing
In het licht van de gevoelige stijging van de budgettaire kosten van de vergrijzing, ongeacht het scenario van de productiviteitsgroei, leek het aangewezen om gevoeligheidsanalyses te realiseren rond parameters die kunnen evolueren naargelang de maatregelen betreffende het economisch of sociaal beleid, zoals welvaartsaanpassingen van de sociale uitkeringen of de werkgelegenheidsgraad (zie figuur 1).
Figure 1 – De budgettaire kosten van de vergrijzing in het referentiescenario, de lage en hoge productiviteitsscenario’s en de gevoeligheidsanalyses (in % van het bbp)

De vooruitzichten van de SCvV werden uitgevoerd in de veronderstelling dat het huidig beleid ongewijzigd blijft, onder meer wat de parameters van welvaartsaanpassing betreft overeenkomstig de wet op het generatiepact. Die zijn vastgesteld ongeacht de loongroei. Gezien de algemene levensstandaard negatief wordt beïnvloed, komt zoiets in tijden van crisis neer op het toekennen van een hogere welvaarstaanpassing in relatieve termen. De eerste gevoeligheidsanalyse voert een loskoppeling in tussen de parameters van welvaartsaanpassing en de loongroei. Dergelijke hypothese werd reeds door de SCvV in aanmerking genomen vóór het generatiepact. In dit scenario liggen de parameters van welvaartsaanpassing 0,25 procentpunt lager dan in de wet, en dus dan in het referentiescenario. Ten opzichte van dit laatste, liggen de budgettaire kosten van de vergrijzing 0,9 procentpunt van het bbp lager, en bedragen zij 7,3% van het bbp.
De tweede gevoeligheidsanalyse berust op een verhoging van de werkgelegenheidsgraad van 55-plussers met 14 procentpunt ten opzichte van het referentiescenario op lange termijn (om het waargenomen gemiddelde van de Scandinavische landen te bereiken). Die verhoging weerspiegelt zich in een globale werkgelegenheidsgraad die 71,3% bereikt in 2060, wat een verhoging betekent van 2,9 procentpunt ten opzichte van het referentiescenario. In deze variant worden de budgettaire kosten van de vergrijzing teruggebracht naar 7% van het bbp, wat 1,2 procentpunt minder is dan in het referentiescenario.
De sociale gevolgen: analyse van de adequaatheid van de pensioenen…
De sociale houdbaarheid of de adequaatheid van de pensioenen wordt tevens besproken in voorliggend verslag. Twee aspecten worden daartoe in aanmerking genomen. Enerzijds gaat het over de rol die het pensioensysteem speelt om de ouderen te behoeden voor een armoederisico en anderzijds wordt onderzocht in welke mate de werknemers die met pensioen gaan een redelijk niveau van hun levensstandaard kunnen behouden. Die studie over de toereikendheid van de pensioenen wordt voorgesteld vanuit twee invalshoeken.
…op basis van waargenomen gegevens…
De huidige situatie ter zake wordt geëvalueerd op basis van de meest recente beschikbare gegevens, de indicatoren van de EU-SILC-enquête (editie 2007, inkomsten 2006). Uit die enquête blijkt dat 15 % van de Belgische bevolking in 2006 een armoederisico loopt. Die personen hebben een equivalent beschikbaar inkomen dat lager ligt dan de armoededrempel die 878 euro per maand of 10 540 euro per jaar bedraagt. Dat percentage is aanzienlijk hoger voor de 65-plussers en bedraagt 23 %. De meest kwetsbare ouderen zijn vrouwen, hoogbejaarden en alleenstaanden. Uit de verdeling van de bevolking volgens sociaaleconomisch statuut blijkt dat bijna 1 gepensioneerde op 5 een armoederisico loopt, bij de werknemers is dat ‘slechts’ 1 werknemer op 25.
De intensiteit van armoede bij de ouderen is nochtans niet hoger dan die van de jongere generaties of van ouderen in bepaalde buurlanden. Dit betekent, ook al loopt het aandeel van de ouderen die geconfronteerd worden met een armoederisico relatief hoog op, dat het verschil tussen hun inkomen en de armoededrempel beperkt is, zowel ten opzichte van de jongere generaties in België als ten opzichte van de 65-plussers in Frankrijk en Duitsland.
Ook op het vlak van inkomensongelijkheid zijn Belgische bejaarden beter af, zowel ten opzichte van de jongere generaties in België als ten opzichte van ouderen in Frankrijk en Duitsland.
…en via de vooruitzichten voor de lange termijn.
Voor het eerst wordt in een jaarverslag van de SCvV een toekomstverkennende benadering voor de adequaatheid van de pensioenen voorgesteld. Die aanpak steunt op een microsimulatiemodel dat een beeld schetst van de sociale houdbaarheid op lange termijn (tot 2050) binnen hypothesen die consistent zijn met die van de SCvV om de financiële houdbaarheid van de vergrijzing te bestuderen. De langetermijnevolutie van 3 indicatoren wordt voorgesteld : het armoederisico, de vervangingsratio en de Gini-coëfficiënt.
Het armoederisico bij gepensioneerden daalt vrij sterk tot 2030, waarna het relatief stabiel blijft rond het niveau van de werkende bevolking. De aanvankelijke daling speelt zich voornamelijk af bij de vrouwen en kan worden verklaard door hun toenemende activiteitsgraad en door de sterke verhogingen eind 2006 van de Inkomensgarantie voor ouderen en het minimumrecht per loopbaanjaar. Het effect van die laatste verhoging heeft een uitwerking tot 2030. Vanaf 2030 oefent enkel het verschil tussen de loonevolutie en de aanpassing van de minima nog een invloed uit, en vooral de impact ervan op de evolutie van de armoededrempel. Dat verschil is trouwens heel beperkt en zorgt voor een stabilisering van het armoederisico bij gepensioneerden op een vrij laag niveau vanaf 2030.
De evolutie van de brutovervangingsratio (de verhouding tussen het pensioen op het moment van pensioenering en het loon van het voorgaande jaar) toont enkele verschillen naargelang het geslacht. De vervangingsratio van de vrouwen stijgt eerst licht tot ongeveer 2020 tengevolge de recente verhoging van de minima (vooral het minimumrecht per loopbaanjaar) en de toename van de vrouwelijke activiteit, om daarna te verminderen tot 2050. De vervangingsratio van de mannen daalt over de volledige projectieperiode, aanvankelijk vooral door de toenemende activiteitsgraad van de vrouw. Meer en meer vrouwen hebben dan een eigen pensioen waardoor steeds minder mannen een pensioen aan gezinsbedrag krijgen. De daling, alsook de daling van de vrouwelijke vervangingsratio vanaf 2020, wordt daarnaast verklaard door het verschil tussen de welvaartsaanpassing van de minima en van de loongrenzen en de loongroei.
De Gini-coëfficiënt wijst op een lichte toename van de inkomensongelijkheid onder gepensioneerden tot 2020, gevolgd door een relatief sterke daling die aan kracht inboet tijdens het laatste decennium van de projectieperiode (2040-2050). De huishoudens waar de gepensioneerden deel van uitmaken, hebben als voornaamste inkomensbronnen, naast het pensioen uiteraard, het arbeidsinkomen. In het begin van de periode benadrukt het toenemend aandeel van het arbeidsinkomen in het gezinsinkomen van de gepensioneerden (gekoppeld aan de langere loopbanen van de vrouwen en dus aan het verderzetten van de beroepsactiviteit van een van de gezinsleden) de ongelijkheid binnen de gepensioneerde bevolking omdat er meer ongelijkheid is tussen de inkomens uit arbeid. Nadien speelt het omgekeerde effect, dat wordt versterkt door een daling van de ongelijkheid bij de pensioenen, vooral door een stijgend belang van het loonplafond en langere vrouwelijke loopbanen.
het achtste jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV)
Onzekerheid op middellange termijn…
Reeds op middellange termijn zijn aan het macro-economisch scenario grote onzekerheden verbonden, vooral wat betreft de duur en de intensiteit van de financiële crisis en de weerslag ervan op de reële economie. Dit in aanmerking genomen scenario berust op de hypothese dat het verlies aan output tengevolge van de crisis in de loop van de eerste vijf jaar niet zal worden goedgemaakt. Integendeel, de economische groei keert vanaf 2011 terug naar een groeitempo dat vergelijkbaar is met wat gemiddeld werd waargenomen vóór het uitbreken van de crisis.
… en op lange termijn...
De onzekerheid op lange termijn wat de macro-economische omgeving betreft, en meer bepaald de productiviteitsgroei, is niet nieuw, maar werd dit jaar aangewakkerd door de crisis. In deze context heeft de SCvV beslist belangrijke wijzigingen door te voeren. Enerzijds werd een nieuw macro-economisch model voor de lange termijn ontwikkeld waarmee de determinanten van de economische groei meer formeel kunnen worden geïdentificeerd. Anderzijds worden drie scenario’s voor de productiviteitsgroei voorgesteld. Het referentiescenario presenteert een jaarlijkse groeivoet van 1,5% die het midden houdt tussen twee alternatieve scenario’s: het (gebruikelijke) groeiscenario van 1,75% en een zwakker groeiscenario (1,25%).
… die leidt tot een belangrijke verhoging van de budgettaire kosten van de vergrijzing in % van het bbp.
In het referentiescenario lopen de budgettaire kosten van de vergrijzing op tot 8,2% van het bbp tussen 2008 en 2060 (zie tabel 1). Op middellange termijn bedraagt de verhoging van de sociale uitgaven reeds 3,2% van het bbp tussen 2008 en 2014, wat een meerkost is van 2,1 procentpunt van het bbp ten opzichte van de projecties van vorig jaar. De economische crisis verklaart 1,9 procentpunt van die opwaartse herziening. Dit wordt niet enkel weerspiegeld in een daling van het bbp maar ook in een sterke stijging van het aantal werklozen. Op langere termijn bedragen de budgettaire kosten van de vergrijzing 4,9% tussen 2014 en 2060, een niveau dat relatief vergelijkbaar is met dat uit de projectie van vorig jaar.
Op lange termijn wordt het verschil tussen de nieuwe raming van de budgettaire kosten van de vergrijzing (8,2% van het bbp tussen 2008 en 2060) en die uit het vorig jaarverslag (5,9% van het bbp tussen 2008 en 2050 volgens de projectie van juni 2008), hetzij 2,3 procentpunt van het bbp, verklaard door drie factoren:
voornamelijk de economische crisis, alsook verschillende andere factoren verklaren 1,2 procentpunt van het bbp;
de neerwaartse herziening van de hypothese over de jaarlijkse productiviteitsgroei met 0,25 procentpunt, wat een groei van 1,5% oplevert ten opzichte van 1,75% in de vorige verslagen, draagt bij tot die afwijking ten belope van 0,9 procentpunt van het bbp;
ten slotte wordt de projectie van de sociale uitgaven nu ook uitgebreid tot 2060, in overeenstemming met de bevolkingsvooruitzichten; de budgettaire kosten van de vergrijzing bedragen 0,2% van het bbp tussen 2050 en 2060.
In het lager productiviteitsscenario nemen de budgettaire kosten van de vergrijzing toe tot 9,4% van het bbp terwijl ze afnemen tot 7% van het bbp in het hoger productiviteitsscenario.
Gevoeligheidsanalyses van de budgettaire kosten van de vergrijzing
In het licht van de gevoelige stijging van de budgettaire kosten van de vergrijzing, ongeacht het scenario van de productiviteitsgroei, leek het aangewezen om gevoeligheidsanalyses te realiseren rond parameters die kunnen evolueren naargelang de maatregelen betreffende het economisch of sociaal beleid, zoals welvaartsaanpassingen van de sociale uitkeringen of de werkgelegenheidsgraad (zie figuur 1).
Figure 1 – De budgettaire kosten van de vergrijzing in het referentiescenario, de lage en hoge productiviteitsscenario’s en de gevoeligheidsanalyses (in % van het bbp)
De vooruitzichten van de SCvV werden uitgevoerd in de veronderstelling dat het huidig beleid ongewijzigd blijft, onder meer wat de parameters van welvaartsaanpassing betreft overeenkomstig de wet op het generatiepact. Die zijn vastgesteld ongeacht de loongroei. Gezien de algemene levensstandaard negatief wordt beïnvloed, komt zoiets in tijden van crisis neer op het toekennen van een hogere welvaarstaanpassing in relatieve termen. De eerste gevoeligheidsanalyse voert een loskoppeling in tussen de parameters van welvaartsaanpassing en de loongroei. Dergelijke hypothese werd reeds door de SCvV in aanmerking genomen vóór het generatiepact. In dit scenario liggen de parameters van welvaartsaanpassing 0,25 procentpunt lager dan in de wet, en dus dan in het referentiescenario. Ten opzichte van dit laatste, liggen de budgettaire kosten van de vergrijzing 0,9 procentpunt van het bbp lager, en bedragen zij 7,3% van het bbp.
De tweede gevoeligheidsanalyse berust op een verhoging van de werkgelegenheidsgraad van 55-plussers met 14 procentpunt ten opzichte van het referentiescenario op lange termijn (om het waargenomen gemiddelde van de Scandinavische landen te bereiken). Die verhoging weerspiegelt zich in een globale werkgelegenheidsgraad die 71,3% bereikt in 2060, wat een verhoging betekent van 2,9 procentpunt ten opzichte van het referentiescenario. In deze variant worden de budgettaire kosten van de vergrijzing teruggebracht naar 7% van het bbp, wat 1,2 procentpunt minder is dan in het referentiescenario.
De sociale gevolgen: analyse van de adequaatheid van de pensioenen…
De sociale houdbaarheid of de adequaatheid van de pensioenen wordt tevens besproken in voorliggend verslag. Twee aspecten worden daartoe in aanmerking genomen. Enerzijds gaat het over de rol die het pensioensysteem speelt om de ouderen te behoeden voor een armoederisico en anderzijds wordt onderzocht in welke mate de werknemers die met pensioen gaan een redelijk niveau van hun levensstandaard kunnen behouden. Die studie over de toereikendheid van de pensioenen wordt voorgesteld vanuit twee invalshoeken.
…op basis van waargenomen gegevens…
De huidige situatie ter zake wordt geëvalueerd op basis van de meest recente beschikbare gegevens, de indicatoren van de EU-SILC-enquête (editie 2007, inkomsten 2006). Uit die enquête blijkt dat 15 % van de Belgische bevolking in 2006 een armoederisico loopt. Die personen hebben een equivalent beschikbaar inkomen dat lager ligt dan de armoededrempel die 878 euro per maand of 10 540 euro per jaar bedraagt. Dat percentage is aanzienlijk hoger voor de 65-plussers en bedraagt 23 %. De meest kwetsbare ouderen zijn vrouwen, hoogbejaarden en alleenstaanden. Uit de verdeling van de bevolking volgens sociaaleconomisch statuut blijkt dat bijna 1 gepensioneerde op 5 een armoederisico loopt, bij de werknemers is dat ‘slechts’ 1 werknemer op 25.
De intensiteit van armoede bij de ouderen is nochtans niet hoger dan die van de jongere generaties of van ouderen in bepaalde buurlanden. Dit betekent, ook al loopt het aandeel van de ouderen die geconfronteerd worden met een armoederisico relatief hoog op, dat het verschil tussen hun inkomen en de armoededrempel beperkt is, zowel ten opzichte van de jongere generaties in België als ten opzichte van de 65-plussers in Frankrijk en Duitsland.
Ook op het vlak van inkomensongelijkheid zijn Belgische bejaarden beter af, zowel ten opzichte van de jongere generaties in België als ten opzichte van ouderen in Frankrijk en Duitsland.
…en via de vooruitzichten voor de lange termijn.
Voor het eerst wordt in een jaarverslag van de SCvV een toekomstverkennende benadering voor de adequaatheid van de pensioenen voorgesteld. Die aanpak steunt op een microsimulatiemodel dat een beeld schetst van de sociale houdbaarheid op lange termijn (tot 2050) binnen hypothesen die consistent zijn met die van de SCvV om de financiële houdbaarheid van de vergrijzing te bestuderen. De langetermijnevolutie van 3 indicatoren wordt voorgesteld : het armoederisico, de vervangingsratio en de Gini-coëfficiënt.
Het armoederisico bij gepensioneerden daalt vrij sterk tot 2030, waarna het relatief stabiel blijft rond het niveau van de werkende bevolking. De aanvankelijke daling speelt zich voornamelijk af bij de vrouwen en kan worden verklaard door hun toenemende activiteitsgraad en door de sterke verhogingen eind 2006 van de Inkomensgarantie voor ouderen en het minimumrecht per loopbaanjaar. Het effect van die laatste verhoging heeft een uitwerking tot 2030. Vanaf 2030 oefent enkel het verschil tussen de loonevolutie en de aanpassing van de minima nog een invloed uit, en vooral de impact ervan op de evolutie van de armoededrempel. Dat verschil is trouwens heel beperkt en zorgt voor een stabilisering van het armoederisico bij gepensioneerden op een vrij laag niveau vanaf 2030.
De evolutie van de brutovervangingsratio (de verhouding tussen het pensioen op het moment van pensioenering en het loon van het voorgaande jaar) toont enkele verschillen naargelang het geslacht. De vervangingsratio van de vrouwen stijgt eerst licht tot ongeveer 2020 tengevolge de recente verhoging van de minima (vooral het minimumrecht per loopbaanjaar) en de toename van de vrouwelijke activiteit, om daarna te verminderen tot 2050. De vervangingsratio van de mannen daalt over de volledige projectieperiode, aanvankelijk vooral door de toenemende activiteitsgraad van de vrouw. Meer en meer vrouwen hebben dan een eigen pensioen waardoor steeds minder mannen een pensioen aan gezinsbedrag krijgen. De daling, alsook de daling van de vrouwelijke vervangingsratio vanaf 2020, wordt daarnaast verklaard door het verschil tussen de welvaartsaanpassing van de minima en van de loongrenzen en de loongroei.
De Gini-coëfficiënt wijst op een lichte toename van de inkomensongelijkheid onder gepensioneerden tot 2020, gevolgd door een relatief sterke daling die aan kracht inboet tijdens het laatste decennium van de projectieperiode (2040-2050). De huishoudens waar de gepensioneerden deel van uitmaken, hebben als voornaamste inkomensbronnen, naast het pensioen uiteraard, het arbeidsinkomen. In het begin van de periode benadrukt het toenemend aandeel van het arbeidsinkomen in het gezinsinkomen van de gepensioneerden (gekoppeld aan de langere loopbanen van de vrouwen en dus aan het verderzetten van de beroepsactiviteit van een van de gezinsleden) de ongelijkheid binnen de gepensioneerde bevolking omdat er meer ongelijkheid is tussen de inkomens uit arbeid. Nadien speelt het omgekeerde effect, dat wordt versterkt door een daling van de ongelijkheid bij de pensioenen, vooral door een stijgend belang van het loonplafond en langere vrouwelijke loopbanen.
het achtste jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV)
zondag 17 augustus 2008
Studiecommissie voor de vergrijzing - Jaarlijks verslag
Het voorliggend rapport is het zevende verslag dat de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) overmaakt aan de Federale Regering, de afdeling “Financieringsbehoeften van de overheid” van de Hoge Raad van Financiën, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad, in het kader van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds.
Rapport
Rapport
donderdag 3 juli 2008
Armoede gepensioneerden breed maar niet zó diep
Het pensioen van 23 à 24 procent van de Belgische gepensioneerden ligt lager dan de Europese armoedegrens. Dat is veel: het is meer dan het Europees gemiddelde (EU-15) van zowat 20 procent, en ruim meer dan in Frankrijk en Duitsland (rond 15 procent) en viermaal hoger dan in Nederland (6 procent).
De armoede onder onze gepensioneerden is inderdaad breed maar is niet zó diep, zegt de commissie verder. De armen van de andere leeftijdsgroepen in ons land zijn er slechter aan toe, zegt ze.
Het inkomen van de armen van 65 en ouder ligt in België, net als in Duitsland, gemiddeld 17 procent lager dan de armoedegrens. Dat is iets beter dan het Europees (EU-15) gemiddelde, iets beter dan in Frankrijk (19 procent) maar beduidend slechter dan in Nederland waar de (minder talrijke) armen amper 8 procent onder de armoedegrens zitten.
De commissie presenteerde ook voorzichtige eerste berekeningen over de 'fairheid' van de pensioenen. Daarvoor moet er een aanvaardbare verhouding bestaan tussen de ontvangen pensioenen en de voordien betaalde bijdragen. Dat leert dat de hoge inkomens wellicht 11 procent te weinig krijgen om van een faire verdeling te kunnen spreken.
Maar vooral degenen die vervroegd met pensioen gaan, springen uit de band. Wie 5 jaar vroeger dan normaal (op 60 dus) met pensioen gaat, en dus minder jaren bijdragen betaald heeft en meer jaren een uitkering zal genieten, zou eigenlijk maandelijks 23 procent minder moeten krijgen. Wie tien jaar te vroeg gaat (op 55) zou zowat 67 procent minder moeten krijgen.
Vergrijzing kost almaar meer
De vergrijzing (en de ontgroening) van de bevolking die ons land treft van 2010 tot 2050, blijkt wéér meer te kosten dan vorig jaar gedacht.
Het nieuwste jaarlijks rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing, bevat dezelfde conclusie als dat van vorig jaar: de vergrijzing zal ons iets meer kosten dan vorig jaar gedacht en berekend. Dat is elk jaar zo. Die kosten lopen bij elke berekening verder op.
Dat 'iets meer' ligt elk jaar wel een beetje anders. Dit jaar ligt de stijging meer op de korte termijn: de periode van nu tot 2013. Dat bleek uit de verklaringen en de berekeningen van de commissie die geleid wordt door Guy Quaden, de gouverneur van de Nationale Bank.
Tussen nu en 2013 zouden de sociale uitgaven daardoor met 0,7 procent van het bbp stijgen. En dat is niet weinig. Later vlakt die stijging dan weer wat af.
Die stijging op korte termijn is vooral een gevolg van de lagere economische groei en de hogere inflatie.
Op lagere termijn zijn er in de berekeningen weinig grote veranderingen te noteren in vergelijking met het verslag van vorig jaar (zie tabel).
In 2030 zullen de totale sociale uitgaven, door de vergrijzing en de ontgroening van de bevolking, al 26,9 van de welvaart opslokken en in 2050 al 28,9 procent. Dat is 4,3 respectievelijk 6,3 procent meer dan nu.
De stijging zit vooral in de pensioenuitgaven die stijgen van 8,8 procent van het bbp nu tot 12,3 procent in 2030 en 13,3 procent in 2050. In dat jaar zijn ze de helft hoger dan nu.
De gezondheidsuitgaven stijgen ongeveer even sterk: van 7,0 procent van het bbp nu, tot 10,4 procent in 2050 en dat is ook bijna de helft meer.
Andere uitgaven blijven eerder stabiel of dalen. Vooral de werkloosheidsuitgaven zouden flink moeten dalen.
Recente evoluties zoals de lichte toename van de geboorten in Vlaanderen, en de hogere immigratie, zijn nog te vers om al gevolgen te hebben op lange termijn. Ook de effecten van het generatiepact zijn nog niet echt merkbaar.
Verslag Kanaal Z
Vergrijzing slaat sneller toe dan verwacht
Het gisteren voorgestelde verslag is het zevende dat de Studiecommissie voor de Vergrijzing opstelde. De jongste jaren had ze stelselmatig haar ramingen over de kostprijs van de vergrijzing moeten opdrijven. Er bestond stille hoop dat voorzitter Guy Quaden en ondervoorzitter Jan Verschooten deze keer met beter nieuws zouden kunnen uitpakken. De commissie kon immers beschikken over nieuwe bevolkingsvooruitzichten die een iets rooskleuriger beeld schetsen. Door een licht hoger geboortecijfer en meer immigratie zou de Belgische bevolking gemiddeld iets jonger blijven dan tot nu toe door demografen voorspeld werd.
Maar veel goed nieuws hadden Quaden en Verschooten niet te melden. Op korte termijn blijkt het kostenplaatje zelfs fors op te lopen. Aanvankelijk was de commissie ervan uitgegaan dat de budgettaire impact de eerste jaren miniem tot onbestaande zou zijn. Dat idee moest al enkele keren bijgesteld worden en deze keer kwam er ineens een smak bij. De extra uitgaven in de sociale zekerheid zullen in 2013 al oplopen tot 1,5 procent van het bbp. Vorig jaar was nog sprake van 0,8 procent.
Die bijna-verdubbeling heeft een pak oorzaken. Door de tragere groei en de hogere inflatie nemen de sociale uitgaven automatisch een groter deel van de bbp-koek voor hun rekening. De toename van het aantal ambtenaren doet de pensioenen stijgen. In de gezondheidszorg wordt een inhaaloperatie verwacht. En ook de werkloosheid en de kinderbijslagen zullen iets meer kosten dan verwacht.
Dat betekent natuurlijk ook dat de budgettaire marges van de regering Leterme I en haar opvolger nog iets krapper zullen zijn dan verwacht.
Lange termijn
Op middellange en lange termijn beweegt er nauwelijks iets. Tussen 2007 en 2030 zullen de sociale zekerheidsuitgaven van 22,6 tot 26,9 procent van het bbp stijgen. De voorspelde toename met 4,3 bbp-procent is exact even groot als het cijfer uit het rapport van een jaar geleden. Tussen 2007 en 2050 ziet de commissie de sociale uitgaven met 6,3 bbp-procent toenemen. Dat is 0,1 procentpunt meer dan een jaar geleden voorspeld.
De bevolkingsprojecties worden gecounterd door minder positieve elementen zoals de tragere stijging van de werkgelegenheidsgraad en het grotere aandeel van (dure) gepensioneerde ambtenaren.
Quaden besloot dat 'er geen sprake is van een fundamentele impact van de nieuwe bevolkingsvooruitzichten'. Volgens hem is dat logisch. 'De omvangrijke babyboomgeneratie die vanaf 2010 de zogenaamde opaboomgeneratie wordt, is een gegegeven waaraan weinig veranderd kan worden.'
Het verslag bevat ook een hoofdstuk waarin bekeken wordt in welke mate de Belgische pensioenen tegen de armoede beschermen. Heel bemoedigend zijn de resultaten niet. Het armoederisico voor gespensioneerden ligt in België hoger dan in de rest van de Europese Unie. Het is de jongste jaren ook toegenomen. Voor de hele Belgische bevolking bedraagt het armoederisico 14,7 procent. Voor 65-plussers loopt het op tot 20,8, voor 75-plussers tot 26,9. De cijfers houden wel geen rekening met de vermogens. Omdat die bijna altijd als kapitaal uitbetaald worden, zitten daarin in ons land ook de opbrengsten van de tweede en derde pensioenpijler.
De wet van 5 september 2001 die ‘een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en de oprichting van een Zilverfonds’ vooropstelt, voorziet in de oprichting van de Studiecommissie voor de Vergrijzing binnen de Hoge Raad van Financiën.
De Studiecommissie stelt jaarlijks een rapport op dat een raming bevat van de financiële gevolgen op het vlak van de diverse wettelijke pensioenstelsels, de verschillende stelsels van sociale zekerheid voor werknemers en zelfstandigen en het stelsel van de inkomensgarantie voor ouderen, die verbonden zijn aan de demografische evolutie. De Studiecommissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van de regering, onderzoek verrichten naar specifieke aangelegenheden in verband met de vergrijzing (armoede, pensioenen van de tweede pijler,...). Het FPB vervult er de rol van secretariaat en in die hoedanigheid is het verantwoordelijk voor de gemaakte simulaties en vervult het een wezenlijke rol in de voorbereiding van het jaarlijks rapport.
Het jaarlijks advies van de afdeling ‘Financieringsbehoeften van de overheid’ van de Hoge Raad van Financiën verstrekt aanbevelingen met betrekking tot het begrotingsbeleid van de gezamenlijke overheid en steunt daarbij op het verslag van de Studiecommissie.
Op basis van die werkzaamheden stelt de federale regering een Zilvernota op, waarin ze haar beleid met betrekking tot de vergrijzing uiteenzet: een raming van de extra-uitgaven, de maatregelen om het hoofd te bieden aan de vergrijzing, een overzicht van de rekeningen van het Zilverfonds, de evolutie van de reserves van de aanvullende pensioenen en van de armoedegraad bij bejaarden.
Het verslag
vrijdag 9 mei 2008
Bevolkingsvooruitzichten 2007-2060
De bevolkingsvooruitzichten zijn, net als vorige versies, het resultaat van een nauwe samenwerking tussen de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (AD SEI) en het Federaal Planbureau (FPB). Zij werden bijgestaan door een Wetenschappelijk Begeleidingscomité bestaande uit experts uit de universitaire wereld en uit federale, gewest- en gemeenschapsinstellingen.
Al wie geïnteresseerd is kan makkelijk alle documenten raadplegen op de websites van de twee partnerinstellingen, de AD SEI en het FPB: het perscommuniqué, de publicatie “Bevolkingsvooruitzichten 2007-20603 en diverse onmiddellijk bruikbare tabellen.
Website Planbureau
Abonneren op:
Posts (Atom)
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :