maandag 5 juli 2010

Krachtlijnen van het negende Jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing

De voorliggende publicatie is het negende Jaarverslag van de SCvV en presenteert de langetermijnvooruitzichten van de sociale uitgaven en hun sociale gevolgen. Dit jaar wordt ook aandacht besteed aan de verschillende vormen van vervroegde uitstapregelingen uit de arbeidsmarkt tussen 50 en 64 jaar.

De Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) werd, in het kader van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds, opgericht binnen de Hoge Raad van Financiën. De SCvV heeft als taak een jaarlijks verslag over de budgettaire en soicale gevolgen van de vergrijzing op te stellen. Het Federaal Planbureau (FPB) fungeert als technisch en administratief secretariaat van de SCvV.

De series in de bestanden slaan in het algemeen op de periode 2000-2060. De projecties worden gegenereerd door het modellensysteem Maltese (macro-budgettair model) en het model Midas (microsimulatiemodel) van het FPB. De analyse van de resultaten is beschikbaar in het Jaarlijks verslag van de SCvV van juni 2010

het negende Jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing - 2010

Krachtlijnen van het negende Jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing

Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing moet de effectieve leeftijd waarop de Belgen met pensioen gaan omhoog. De kosten van de vergrijzing in ons land komen tussen 2009 en 2060 uit op 6,3% van het bbp, aldus het jaarverslag van de Commissie.
Om de kosten voor de vergrijzing binnen de perken te houden, zijn volgens voorzitter Guy Quaden van de Studiecommissie twee zaken nodig: meer economische groei en meer mensen die langer aan de slag blijven op de arbeidsmarkt. Hoewel het voorbije decennium de werkgelegenheidsgraden voor de 50- tot 64-jarigen gestegen zijn, blijkt de activiteit met de leeftijd sterk af te nemen. Waar in 2008 de werkgelegenheidsgraad bij mannen tussen 55 en 59 jaar nog 64 procent bedroeg, was dat nog slechts 30 procent voor de 60- tot 64-jarige mannen.

De Studiecommissie becijferde dat de vergrijzing tussen 2009 en 2060 een extra hap van 6,3 procent uit het bruto binnenlands product (bbp) zal nemen, vooral door hogere kosten voor pensioenen en gezondheidszorg.

De pensioenen zullen tegen 2060 14,4 procent van het bbp bedragen, waar dat vandaag 9,7 procent is. De gezondheidszorg zal op 11,7 procent uitkomen, tegenover 8,1 procent vandaag.

Lagere uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen, kinderbijslag en onderwijs moeten de vergrijzingskosten dan weer drukken, staat in het negende jaarverslag van de studiecommissie.

Het referentiescenario gaat uit van een jaarlijkse productiviteitsgroei van 1,5 procent, maar ook van een effectieve uittredingsleeftijd die in 2060 twee jaar hoger ligt: op 61,7 jaar tegenover 59,7 jaar in 2008. Wanneer de Belgen nog een jaar lager zouden werken tegen 2060, tot een effectieve uittredingsleeftijd van 62,7 jaar, zou volgens studiecommissie-voorzitter Guy Quaden de vergrijzingskost 1,4 procentpunt lager liggen dan de 6,3 procent van het bbp waarvan sprake in het referentiescenario.
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :