vrijdag 1 oktober 2010
Opzeggingstermijn van zes maanden voor werknemer die pensioengerechtigde leeftijd nadert, niet strijdig met gelijkheidsbeginsel
Lynx pakt uit met gratis laptop: Open een rekening en start met handelen
GwH 30 september 2010, nr. 107/2010
vrijdag 26 maart 2010
Het Groen Boek Daerden: geen filmpje, maar de integrale tekst (346 pagina's)
groenboek integrale versie
In het voorwoord bij het Groen Boek vergelijkt minister Daerden het oplossen van het pensioenvraagstuk met het oplossen van "de kwadratuur van de cirkel". Ik hoop dat de minister dat niet al te letterlijk bedoelt, want over het algemeen wordt aangenomen dat in 1882 onomstotelijk werd bewezen dat dit laatste een onoplosbaar vraagstuk is, ondanks blijvende pogingen tot het oplossen ervan. Als metafoor wordt die uitdrukking dan ook vaak gebruikt om vergeefse pogingen met de vinger te wijzen...
maandag 6 oktober 2008
Trouwen met een (te) jonge vrouw: het Hof van Justitie over het algemeen beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd in beroep en arbeid
1. Een werknemer van Bosch-Siemens overlijdt op zestigjarige leeftijd. Zijn echtgenote, op dat ogenblik 39 jaar jong, doet een aanvraag tot uitbetaling van het aanvullend pensioen waarop haar echtgenoot recht zou hebben gehad. Het pensioenfonds weigert: in de voorwaarden van de aanvullend pensioenregeling staat immers dat het leeftijdsverschil tussen de werknemer en de gerechtigde echtgenote niet meer dan 15 jaar mag bedragen.
Deze clausule, die op het eerste gezicht uitgevonden lijkt te zijn door iemand die ooit door zijn partner werd gedumpt voor "een jonger ander", vond zijn redenen in de verzekeringstechniek (o.a. de grote kans dat bij een jonge partner heel wat langer een pensioen zou moeten worden uitbetaald) en was volgens het Duitse arbeidsgerecht niet in strijd met de Duitse anti-discriminatiewetgeving. De nationale rechter vroeg zich wel af of het europees gemeenschapsrecht een verbod van discriminatie op grond van leeftijd bevat waarvan de rechters van de lidstaten de naleving ook dienen te waarborgen wanneer de mogelijk discriminerende behandeling geen band met het gemeenschapsrecht heeft en zo niet, of dergelijke band niet voortvloeit uit artikel 13 van het EG-Verdrag of richtlijn 2000/78. Voor alle duidelijkheid, deze normen strekken ertoe met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De rechter zich dan ook tot het Hof van Justitie.
2. De prejudiciële vraag was geïnspireerd door het arrest Mangold van datzelfde hof. In deze zaak had het Hof van Justitie geoordeeld dat een Duitse regeling die het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd onbeperkt toestond wanneer de werknemer 52 of ouder was, in strijd was met de hoger vernoemde richtlijn, waarvan de omzettingstermijn evenwel nog niet was verstreken. Het Hof stelde immers dat het beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep zijn oorsprong vindt in diverse internationale instrumenten en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd derhalve moet worden beschouwd als een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht.
Dit arrest bleef niet onbesproken in de rechtsleer. Ook advocaat-generaal Sharpston wees hierop: "Het arrest Mangold is in de academische wereld bekritiseerd. De algemene kritiek luidt dat het Hof (uit eigen wil, zonder goede reden en tegen de wil van de wetgever) de werkingssfeer van een richtlijn heeft uitgebreid, teneinde vóór het einde van de overgangsperiode van die richtlijn en in horizontale omstandigheden daaraan uitvoering te geven aan de hand van een innovatieve verwijzing naar een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht. Een aantal commentatoren hebben dan ook te kennen gegeven dat het Hof volgens hen het met de toekenning van rechtstreekse werking beoogde doel heeft ondermijnd. Voorts is de kritiek geuit dat het arrest aanzienlijke rechtsonzekerheid heeft veroorzaakt."
3. Ook in de zaak Bartsch was de omzettingstermijn van de richtlijn nog niet verstreken, maar oordeelde het Hof dat er geen sprake was van een schending van het gemeenschapsrecht of het algemeen beginsel van de gelijke behandeling in arbeid en beroep. Het Hof van Justitie stelde immers vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde richtsnoeren (van de verzekeraar) geen maatregelen ter uitvoering van gemeenschapsbepalingen zijn. In de zaak Mangold werd daarentegen een maatregel ter uitvoering van de Europese raamovereenkomst betreffende arbeidsovereenkomsten van bepaalde tijd in vraag gesteld. Deze uitspraak lag in de lijn van de conclusie van de advocaat-generaal: "Anders dan in de zaak Mangold, is er geen nationale regeling die uitvoering geeft aan een richtlijn waarvan de termijn voor uitvoering reeds is verstreken. Er is geen relevante verdragsbepaling of ander secundair gemeenschapsrecht. Er is enkel artikel 13 EG(71) (een machtigingsbepaling zonder rechtstreekse werking) en richtlijn 2000/78 (waarvan ten tijde van de feiten de uitvoeringstermijn nog niet was verstreken en die dus buiten beschouwing moet worden gelaten)."
Het Hof van Justitie hield met andere woorden vast aan zijn rechtspraak dat de verenigbaarheid van een nationale regeling met een algemeen rechtsbeginsel van de EG pas onderzocht kan worden wanneer die nationale maatregel binnen het kader van het gemeenschapsrecht valt (zie hieromtrent K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2003, nr. 687).
Zie ook:
http://courtofjustice.blogspot.com/2008/09/case-c-42706-bartsch.html
http://eulaw.typepad.com/eulawblog/2008/09/death-of-a-saleman-age-discrimination-and-connection-to-ec-law-case-c-42706.html
HvJ, C-427/06 (Bartsch), 23 september 2008, http://www.curia.eu/, concl. advocaat-generaal SHARPSTON.
HvJ, C- (Mangold), C-144/04, 22 november 2005, http://www.curia.eu/, concl. advocaat-generaal TIZANNO.
woensdag 3 september 2008
Grondwettelijk Hof oordeelt over retroactief ingevoerde repartitieregel uit het pensioenstelsel van de plaatselijke en provinciale besturen
1. In een voor niet-experten moeilijk te vatten arrest heeft het Grondwettelijk Hof het beroep tot vernietiging van de artikelen 23, 25, 1°, en 74, achtste streepje, van de wet van 25 april 2007 betreffende de pensioenen van de openbare sector, ingesteld door de stad Brussel, verworpen (arrest nr. 128/2008).De artikelen 23 en 25, 1°, van de wet van 25 april 2007 wijzigen de artikelen 4, § 2, en 7, § 1, van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen. De wet van 6 augustus 1993 regelt, naast het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke besturen (pool 1), het stelsel van de nieuwe aangeslotenen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (pool 2): het zijn solidaire pensioenstelsels die door de RSZPPO worden beheerd. De Stad Brussel was in 1997 de eerste grote stad die zich aansloot bij het stelsel van de nieuwe bij de RSZPPO aangeslotenen.Artikel 74, achtste streepje van de wet van 25 april 2007 legt de datum van inwerkingtreding van de hoger vernoemde bepalingen vast op 1 januari 1995 (!). Zodoende werd een gangbare administratieve praktijk bekrachtigt. Deze bestond erin naast de door de wet bepaalde theoretische bijdragevoet een werkelijke bijdragevoet te bepalen en hanteren ter financiering van het stelsel. De bijdragen worden immers volgens een repartitiestelsel door de lokale overheden gedragen. De Stad Brussel acht zich door deze regeling benadeeld. Het Hof ziet hierin evenwel geen schending van het gelijkheidsbeginsel:
"Het verschil tussen de theoretische bijdragevoet en de werkelijke bijdragevoet, waaraan in het bestreden artikel 25, 1°, wordt herinnerd, is dus in overeenstemming met het repartitiebeginsel dat ten grondslag ligt aan het stelsel van de nieuwe aangeslotenen en inhoudt dat rekening wordt gehouden met de verschillende middelen die het mogelijk maken het evenwicht tussen de uitgaven en de inkomsten te verzekeren, met name voor het vaststellen van de bijdragevoet die noodzakelijk is voor de financiering van de onder dat stelsel ressorterende pensioenen."
2. Ook opmerkelijk is dat het Hof de retroactiviteit van maar liefst 12 jaar verantwoord vindt omwille van het algemeen belang. Zie hier de relevante overwegingen:
"De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot gevolg heeft dat de afloop van één of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden.In dat verband blijkt dat de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen geen bepalende invloed kan hebben op de door de verzoekende partij ingestelde jurisdictionele procedures : enerzijds, heeft de verzoekende partij immers de respectieve overnamepercentages van de andere grote steden niet betwist op het ogenblik dat die zijn vastgesteld; anderzijds, heeft het beroep voor de Raad van State alleen betrekking op de berekening van de bijdragevoet voor het jaar 2007 en, in verband met de vordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid voor de rechtbank van eerste aanleg, hangt de beoordeling van een fout begaan door de RSZPPO niet af van de wettigheid van de vastgestelde bijdrage- en overnamepercentages. Hieruit volgt dat de terugwerkende kracht van de artikelen 23 en 25, 1°, moet worden verantwoord door een motief van algemeen belang. In dat opzicht blijkt dat de zorg om de socialezekerheidsstelsels levensvatbaar te houden, een motief kan zijn dat de terugwerkende kracht van bepaalde berekeningsregels verantwoordt wanneer de oorspronkelijke regels niet aan de maatschappelijke werkelijkheid blijken te zijn aangepast. Te dezen blijkt uit de brief van de minister van Pensioenen van 28 september 2005, waarnaar zowel de verzoekende partij als de Ministerraad verwijzen, dat de berekening van de bijdrage- en overnamepercentages uitgaat van ramingen die door de ontwikkeling van de loonsom en de pensioenlasten zijn overschreden. De noodzaak om het aldus verstoorde evenwicht te herstellen, kan de retroactiviteit van de bestreden bepalingen verantwoorden, bepalingen die overigens niet werden betwist vooraleer door de verzoekende partij in 2006 beroepen werden ingesteld."