De extreem lage rente legt een bom onder de tweede pensioenpijler. Verzekeraars trekken zich terug uit de markt omdat ze onmogelijk nog de verplichte rendementen kunnen halen.
De regering klopt zich op de borst omdat de tienjaarsrente naar een historisch dieptepunt is gezakt. Maar die medaille heeft ook een keerzijde: sparen en beleggen brengen nog nauwelijks iets op. De extreem lage rentestand plaatst de verzekeraars voor een grote uitdaging. Want om hun verplichtingen tegenover de verzekerden te kunnen nakomen, zijn ze in hoge mate afhankelijk van wat overheidsobligaties opbrengen. En dat is op dit moment niet bijster veel.
Vervolg
Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension
Posts tonen met het label commentaar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label commentaar. Alle posts tonen
dinsdag 10 juli 2012
vrijdag 14 januari 2011
Commentaar : Wallonië lonkt naar Vlaamse tweede pijler : Hefboom
Een veertigtal Waalse gemeenten toont interesse om aan te sluiten bij de aanvullende pensioenregeling voor contractuele ambtenaren, opgezet door de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten. Ze vinden dat klaarblijkelijk een waardevol initiatief waar ook zij hun voordeel mee kunnen doen. Langs Waalse kant bestaat er geen politieke consensus om een gelijkaardige constructie op te zetten. Er is een njet van de Waalse overheidsvakbonden. Uit ideologische overwegingen zijn die gekant tegen een aanvullend pensioen voor contractuele ambtenaren. Ze vinden dat de gemeenten het geld moeten gebruiken om contractuelen een vast statuut te geven. De Waalse gemeenten die wel iets willen doen, worden bijgevolg gegijzeld. Tienduizenden medewerkers van de lokale besturen wordt een aanvullend pensioen onthouden. Omdat de zaken maar niet in beweging lijken te komen, overwegen sommige Waalse gemeenten bij het Vlaamse systeem aan te sluiten.
Ze zijn welkom. Hun eventuele aansluiting benadeelt de Vlaamse gemeenten niet. Waarom zouden de Waalse lokale besturen niet hun voordeel mogen doen met een interessant initiatief dat in Vlaanderen is opgezet? De aansluiting van tientallen Waalse gemeenten bij de Vlaamse aanvullende pensioenregeling voor ambtenaren kan een hefboom zijn om in Wallonië de geesten rijp te maken om de verstarde ideeën op te geven en nieuwe paden te betreden.
Meer De Tijd (pag 2)
Ze zijn welkom. Hun eventuele aansluiting benadeelt de Vlaamse gemeenten niet. Waarom zouden de Waalse lokale besturen niet hun voordeel mogen doen met een interessant initiatief dat in Vlaanderen is opgezet? De aansluiting van tientallen Waalse gemeenten bij de Vlaamse aanvullende pensioenregeling voor ambtenaren kan een hefboom zijn om in Wallonië de geesten rijp te maken om de verstarde ideeën op te geven en nieuwe paden te betreden.
Meer De Tijd (pag 2)
donderdag 30 december 2010
Commentaar : Niet meer te verantwoorden
Gepensioneerde ambtenaren krijgen dit jaar een extra kerstcadeau: volgend jaar gaat hun pensioen omhoog. Niet alleen omdat het geïndexeerd wordt, zoals alle pensioenen. Ambtenaren op rust hebben, boven op de indexering, om de twee jaar ook nog recht op een zogenaamde 'perequatie' van hun pensioen. Dat betekent dat hun uitkering ook nog eens aangepast wordt aan de evolutie van de ambtenarenwedden de voorbije twee jaar. Gepensioneerden uit de overheidssector passeren dus twee keer langs de kassa.
Omdat bovendien hun pensioenen gemiddeld al meer dan duizend euro hoger liggen dan die van werknemers uit de privésector, wordt de kloof tussen de pensioenen in de overheids- en de particuliere sector almaar groter. Het gemiddelde pensioen van een vastbenoemde ambtenaar bedraagt nu al meer dan het dubbele van dat van een werknemer, en het viervoudige van dat van een zelfstandige.
Omdat bovendien hun pensioenen gemiddeld al meer dan duizend euro hoger liggen dan die van werknemers uit de privésector, wordt de kloof tussen de pensioenen in de overheids- en de particuliere sector almaar groter. Het gemiddelde pensioen van een vastbenoemde ambtenaar bedraagt nu al meer dan het dubbele van dat van een werknemer, en het viervoudige van dat van een zelfstandige.
woensdag 21 april 2010
Commentaar : brugpensioen : Zolang het mag, zal men het doen
Ze doen het toch weer zeker: brugpensioen op 50 jaar!
Tot voor enkele weken zei iedereen dat de technici van Opel Antwerpen de meest productieve auto-assembleurs ter wereld zijn. De Amerikanen die dat niet inzagen en die ze op straat wilden zetten, scholden we uit voor idioten. De meesten 50'ers onder hen zijn nog op het toppunt van hun technisch kunnen, en zijn nog in de fleur van hun leven. Het is het soort ervaren technici waarvan we er massa's te kort hebben.
Vandaag krijgen zij de boodschap dat ze toch niet zo waardevol zijn, dat we hen eigenlijk niet meer nodig hebben en dat het goed is als ze voor de rest van hun dagen niets meer doen.
In ruil voor die bereidheid om 15 jaar lang, tot hun 65, niets te doen, bieden we hen, naast een toeslag van hun werkgever, 200.000 euro: een uitkering van 1.150 euro per maand x 12 maanden x 15 jaar, betaald met de belastingen en de sociale bijdragen van degenen die nog wel werken. Door hun werkloosheid mist de sociale zekerheid nog eens de helft van dat bedrag aan sociale bijdragen, 100.000 euro. En ondanks die 300.000 euro betalen we hen, als ze 65 zijn, een pensioen dat maar een beetje lager is dan het lage pensioen van degenen die 15 jaar langer gewerkt hebben.
Men moet niet boos zijn op de Opel-werknemers die dit aannemen – ze hebben het al erg genoeg – maar wel op degenen die hen dit aanbieden.
Wie zijn dit? De federale overheid die zegt dat we langer moeten werken; de werkgeversorganisaties die dat al jaren van de daken schreeuwen, en de vakbonden die zeggen dat ze hun mensen dat aanbevelen.
Het is juist. Het is ooit erger geweest. Renault-Vilvoorde en Ford-Genk gaven ooit brugpensioen op 48.
De Opel-werknemers worden gelukkig niet verplicht op brugpensioen te gaan op 50. Ze mogen kiezen voor de opzegvergoeding en een andere job zoeken.
Ze mogen zelfs niet meteen op brugpensioen; ze krijgen een half jaar outplacement-begeleiding van een tewerkstellingscel. Ze moeten bovendien sinds kort tot 58 ‘beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt'.
Ze hebben recht op opleiding en herscholing en krijgen aansporingen om werk te zoeken.
Het is juist wat ACV-voorzitter Luc Cortebeeck vorige week zei: het brugpensioen voor -60'ers is al minder interessant dan vroeger en die groep krimpt dus ook.
Maar de formule bestaat nog. Men kan het mensen niet kwalijk nemen als ze daar gebruik van maken. En dat geldt ook voor lokale onderhandelaars van werkgevers en bonden. Zolang het mag, zal men het doen.
De federale overheid moet de moed hebben zeker het veel te vroege brugpensioen af te schaffen.
Nu zegt ze nog: als je wil, betalen we je om niets te doen, maar als je toch zin zou krijgen om te werken, kan het. Dat moet worden: we verwachten dat je weer gaat werken en helpen daarbij, en als het niet lukt, krijg je een deftige uitkering.
Tot voor enkele weken zei iedereen dat de technici van Opel Antwerpen de meest productieve auto-assembleurs ter wereld zijn. De Amerikanen die dat niet inzagen en die ze op straat wilden zetten, scholden we uit voor idioten. De meesten 50'ers onder hen zijn nog op het toppunt van hun technisch kunnen, en zijn nog in de fleur van hun leven. Het is het soort ervaren technici waarvan we er massa's te kort hebben.
Vandaag krijgen zij de boodschap dat ze toch niet zo waardevol zijn, dat we hen eigenlijk niet meer nodig hebben en dat het goed is als ze voor de rest van hun dagen niets meer doen.
In ruil voor die bereidheid om 15 jaar lang, tot hun 65, niets te doen, bieden we hen, naast een toeslag van hun werkgever, 200.000 euro: een uitkering van 1.150 euro per maand x 12 maanden x 15 jaar, betaald met de belastingen en de sociale bijdragen van degenen die nog wel werken. Door hun werkloosheid mist de sociale zekerheid nog eens de helft van dat bedrag aan sociale bijdragen, 100.000 euro. En ondanks die 300.000 euro betalen we hen, als ze 65 zijn, een pensioen dat maar een beetje lager is dan het lage pensioen van degenen die 15 jaar langer gewerkt hebben.
Men moet niet boos zijn op de Opel-werknemers die dit aannemen – ze hebben het al erg genoeg – maar wel op degenen die hen dit aanbieden.
Wie zijn dit? De federale overheid die zegt dat we langer moeten werken; de werkgeversorganisaties die dat al jaren van de daken schreeuwen, en de vakbonden die zeggen dat ze hun mensen dat aanbevelen.
Het is juist. Het is ooit erger geweest. Renault-Vilvoorde en Ford-Genk gaven ooit brugpensioen op 48.
De Opel-werknemers worden gelukkig niet verplicht op brugpensioen te gaan op 50. Ze mogen kiezen voor de opzegvergoeding en een andere job zoeken.
Ze mogen zelfs niet meteen op brugpensioen; ze krijgen een half jaar outplacement-begeleiding van een tewerkstellingscel. Ze moeten bovendien sinds kort tot 58 ‘beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt'.
Ze hebben recht op opleiding en herscholing en krijgen aansporingen om werk te zoeken.
Het is juist wat ACV-voorzitter Luc Cortebeeck vorige week zei: het brugpensioen voor -60'ers is al minder interessant dan vroeger en die groep krimpt dus ook.
Maar de formule bestaat nog. Men kan het mensen niet kwalijk nemen als ze daar gebruik van maken. En dat geldt ook voor lokale onderhandelaars van werkgevers en bonden. Zolang het mag, zal men het doen.
De federale overheid moet de moed hebben zeker het veel te vroege brugpensioen af te schaffen.
Nu zegt ze nog: als je wil, betalen we je om niets te doen, maar als je toch zin zou krijgen om te werken, kan het. Dat moet worden: we verwachten dat je weer gaat werken en helpen daarbij, en als het niet lukt, krijg je een deftige uitkering.
woensdag 17 maart 2010
Commentaar : Arme gepensioneerden (Eric Donckier)
Eerste minister Yves Leterme is er voor gewonnen dat 65-plussers die dat willen, onbeperkt kunnen bijverdienen. Nu is dat niet mogelijk, ze mogen slechts beperkt bijverdienen, anders verliezen ze (een stuk van) hun pensioen.
Met zijn pleidooi neemt Yves Leterme een oud voorstel van Open Vld over. Of er ook iets van in huis komt, is afwachten. De socialistische vakbond verzette zich meteen omdat gepensioneerden die blijven werken, het werk van jongeren afnemen. Men mag aannemen dat de PS als bondgenoot van het ABVV dat argument zal overnemen.
Maar misschien zal het ooit wel moeten. Het Belgisch wettelijk pensioen is van de laagste in Europa. Terwijl het leven hier van de duurste in Europa is. Dat maakt dat veel gepensioneerden, zeker wanneer ze geen eigen huis hebben, het moeilijk hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. De Ombudsdienst Pensioenen herinnerde daar gisteren nog maar eens aan bij de voorstelling van het jaarverslag 2009. Het armoederisico bij gepensioneerden in België loopt op tot 20 procent of één gepensioneerde op vijf, dat is 3 procent hoger dan het Europese gemiddelde waarin ook de pensioenen uit de zogenaamde arme landen verrekend zitten.
Eigenlijk zou het wettelijk pensioen moeten opgetrokken worden. Maar dat zit er de komende jaren niet in. De overheidsfinanciën schrijven in het rood. Er moet dringend bespaard worden, iedereen is het daarover eens. Maar waar? De enige voorstellen die men hoort, is dat de overheid extra geld moet uittrekken. Voor meer scholen en dus ook meer leerkrachten. Voor meer politie op straat. Voor een versterking van de dijken. Voor veiligere spoorwegen. Voor wegen zonder gaten.
De enig mogelijke oplossing op korte termijn is de verdere uitbouw van de tweede pensioenpijler, die van het aanvullend pensioen. Dat is een zaak van werkgevers en vakbonden. In plaats van hun tijd te verliezen aan het eenheidsstatuut, zouden ze hier werk van moeten maken tijdens hun interprofessioneel overleg van dit najaar over de loon- en arbeidsvoorwaarden voor de komende jaren.
Nu, daar hebben de huidige gepensioneerden zonder aanvullend pensioen geen boodschap aan. Het liberale en door premier Yves Leterme overgenomen voorstel om ze onbeperkt te laten bijverdienen, brengt wel soelaas. Nu ligt dat voorstel gevoelig gezien de hogere jeugdwerkloosheid. Maar wanneer de economie herneemt dan is dat in het licht van de vergrijzing wél een goed voorstel, want dan riskeren we een tekort aan geschoolde arbeidskrachten die willen werken.
Met zijn pleidooi neemt Yves Leterme een oud voorstel van Open Vld over. Of er ook iets van in huis komt, is afwachten. De socialistische vakbond verzette zich meteen omdat gepensioneerden die blijven werken, het werk van jongeren afnemen. Men mag aannemen dat de PS als bondgenoot van het ABVV dat argument zal overnemen.
Maar misschien zal het ooit wel moeten. Het Belgisch wettelijk pensioen is van de laagste in Europa. Terwijl het leven hier van de duurste in Europa is. Dat maakt dat veel gepensioneerden, zeker wanneer ze geen eigen huis hebben, het moeilijk hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. De Ombudsdienst Pensioenen herinnerde daar gisteren nog maar eens aan bij de voorstelling van het jaarverslag 2009. Het armoederisico bij gepensioneerden in België loopt op tot 20 procent of één gepensioneerde op vijf, dat is 3 procent hoger dan het Europese gemiddelde waarin ook de pensioenen uit de zogenaamde arme landen verrekend zitten.
Eigenlijk zou het wettelijk pensioen moeten opgetrokken worden. Maar dat zit er de komende jaren niet in. De overheidsfinanciën schrijven in het rood. Er moet dringend bespaard worden, iedereen is het daarover eens. Maar waar? De enige voorstellen die men hoort, is dat de overheid extra geld moet uittrekken. Voor meer scholen en dus ook meer leerkrachten. Voor meer politie op straat. Voor een versterking van de dijken. Voor veiligere spoorwegen. Voor wegen zonder gaten.
De enig mogelijke oplossing op korte termijn is de verdere uitbouw van de tweede pensioenpijler, die van het aanvullend pensioen. Dat is een zaak van werkgevers en vakbonden. In plaats van hun tijd te verliezen aan het eenheidsstatuut, zouden ze hier werk van moeten maken tijdens hun interprofessioneel overleg van dit najaar over de loon- en arbeidsvoorwaarden voor de komende jaren.
Nu, daar hebben de huidige gepensioneerden zonder aanvullend pensioen geen boodschap aan. Het liberale en door premier Yves Leterme overgenomen voorstel om ze onbeperkt te laten bijverdienen, brengt wel soelaas. Nu ligt dat voorstel gevoelig gezien de hogere jeugdwerkloosheid. Maar wanneer de economie herneemt dan is dat in het licht van de vergrijzing wél een goed voorstel, want dan riskeren we een tekort aan geschoolde arbeidskrachten die willen werken.
maandag 15 maart 2010
Commentaar : Onvermogen van neenzeggers
Het opnieuw opgedoken debat over de vraag of 65-plussers onbeperkt moeten kunnen bijverdienen zegt veel over de staat van ons land. Als het nog niet mogelijk is om over zoiets kleins te beslissen, welke illusies moeten we ons dan maken over een echte, ernstige hervorming van het pensioenbeleid en van de hele sociale zekerheid?
De huidige toestand in dat dossier is dat iemand financieel bestraft wordt als hij of zij naast het welverdiende pensioen meer dan een habbekrats bijverdient. Wat daar de goede zin van is, mag Joost weten. Iedereen weet toch dat het juist zaak is om méér mensen aan het werk te krijgen. Als er burgers zijn die zich gezond en energiek genoeg voelen om hun pensioenuitkering aan te vullen met bezoldigde arbeid én daarop belastingen en bijdragen betalen, wat is dan eigenlijk het probleem? Goed beschouwd betalen die mensen hun eigen pensioen, terwijl ze het al ontvangen. Solidairder dan dat, kan haast niet.
Je moet al tot erg krom redeneren in staat zijn om daar iets tegen in te brengen. Toch bestaan er zulke mensen. Rudy De Leeuw, de ABVV-leider die in juni door zijn achterban herkozen hoopt te worden, is zo iemand. Hij ontpopt zich eens te meer als de leider van het verenigde gild van neenzeggers. Wat de vraag in verband met modernisering van de sociale zekerheid ook is, hun antwoord is altijd en bij voorbaat neen. Argumenten kan je zijn opwerpingen zelfs niet noemen, zo naast de kwestie zijn ze.
Zo zegt hij bijvoorbeeld dat er andere prioriteiten zijn, zoals het aan het werk helpen van jongeren en het aan de slag houden van 45-plussers. Ja, en? Wat heeft dat ermee te maken? Waaruit zou blijken dat deze doelstellingen tegengesteld zijn? Gelooft er echt nog iemand dat er een beperkte hoeveelheid werk bestaat die billijk over een groeiende groep vragers moet worden verdeeld? Want alleen dan zou die stelling steek houden. Niet dus. Werk schept werk. Werkers produceren, dragen bij én geven uit. Ze scheppen rijkdom. Mag dat even?
Volgens De Leeuw moeten de pensioenen omhoog. Ja, en? Wat heeft dat ermee te maken? Als je iets over oudere bijklussers kan zeggen is het toch alleen dat ze de pensioenen betaalbaar helpen te houden? De beste manier om een aftakeling van de pensioenen tegen te gaan, is het aantal bijdragers te verhogen. De gepensioneerde doorwerkers zullen daar nooit meer dan een minieme fractie van vormen. Hun invloed op dat vraagstuk is bijna onmeetbaar klein. Maar wel positief.
De Leeuw mist dus andermaal glorieus de kans om, in een dossier dat niet strategisch en niet fundamenteel is, aan te tonen dat het mogelijk is om met hem en zijn vakbond een redelijk gesprek te voeren. Een constructieve dialoog over hoe het verder moet. Het zit er gewoon niet in. Stilstand is alles wat hij te bieden heeft. Het is zelfs geen onwil. Het is onvermogen.
Bart Sturtewagen, De Standaard.
De huidige toestand in dat dossier is dat iemand financieel bestraft wordt als hij of zij naast het welverdiende pensioen meer dan een habbekrats bijverdient. Wat daar de goede zin van is, mag Joost weten. Iedereen weet toch dat het juist zaak is om méér mensen aan het werk te krijgen. Als er burgers zijn die zich gezond en energiek genoeg voelen om hun pensioenuitkering aan te vullen met bezoldigde arbeid én daarop belastingen en bijdragen betalen, wat is dan eigenlijk het probleem? Goed beschouwd betalen die mensen hun eigen pensioen, terwijl ze het al ontvangen. Solidairder dan dat, kan haast niet.
Je moet al tot erg krom redeneren in staat zijn om daar iets tegen in te brengen. Toch bestaan er zulke mensen. Rudy De Leeuw, de ABVV-leider die in juni door zijn achterban herkozen hoopt te worden, is zo iemand. Hij ontpopt zich eens te meer als de leider van het verenigde gild van neenzeggers. Wat de vraag in verband met modernisering van de sociale zekerheid ook is, hun antwoord is altijd en bij voorbaat neen. Argumenten kan je zijn opwerpingen zelfs niet noemen, zo naast de kwestie zijn ze.
Zo zegt hij bijvoorbeeld dat er andere prioriteiten zijn, zoals het aan het werk helpen van jongeren en het aan de slag houden van 45-plussers. Ja, en? Wat heeft dat ermee te maken? Waaruit zou blijken dat deze doelstellingen tegengesteld zijn? Gelooft er echt nog iemand dat er een beperkte hoeveelheid werk bestaat die billijk over een groeiende groep vragers moet worden verdeeld? Want alleen dan zou die stelling steek houden. Niet dus. Werk schept werk. Werkers produceren, dragen bij én geven uit. Ze scheppen rijkdom. Mag dat even?
Volgens De Leeuw moeten de pensioenen omhoog. Ja, en? Wat heeft dat ermee te maken? Als je iets over oudere bijklussers kan zeggen is het toch alleen dat ze de pensioenen betaalbaar helpen te houden? De beste manier om een aftakeling van de pensioenen tegen te gaan, is het aantal bijdragers te verhogen. De gepensioneerde doorwerkers zullen daar nooit meer dan een minieme fractie van vormen. Hun invloed op dat vraagstuk is bijna onmeetbaar klein. Maar wel positief.
De Leeuw mist dus andermaal glorieus de kans om, in een dossier dat niet strategisch en niet fundamenteel is, aan te tonen dat het mogelijk is om met hem en zijn vakbond een redelijk gesprek te voeren. Een constructieve dialoog over hoe het verder moet. Het zit er gewoon niet in. Stilstand is alles wat hij te bieden heeft. Het is zelfs geen onwil. Het is onvermogen.
Bart Sturtewagen, De Standaard.
donderdag 21 januari 2010
Opinie : De langdurige generatie - Over de pensioenen van babyboomers
De geschiedenis van de eenentwintigste eeuw begon op 6 juni 1944. ’s Avonds was duidelijk dat de geallieerde landingen op de Normandische kust zouden slagen. Dezelfde dag waren geallieerde troepen Rome binnengetrokken. De crisis van de jaren dertig was voorbij, de oorlog bijna gewonnen en: de geboorte-explosie begon. In 2011 worden de oudsten van de naoorlogse geboortegolf 65 jaar, de leeftijd waarop men in veel landen officieel met pensioen gaat.
De generatie van de naoorlogse geboortegolf groeide op ten tijde van een zich voltooiende industrialisatie. De consumptiemaatschappij ontstond, mede mogelijk gemaakt door de loongolven als gevolg van de uitzonderlijke periode van economische groei die volgde op de wederopbouw. De dienstenmaatschappij kwam in de plaats van de industriële samenleving, waardoor de onbelemmerd vervolgonderwijs genietende babyboomers probleemloos een passende werkkring konden vinden. Wat zij aantroffen bij het betreden van de arbeidsmarkt – dit is normaal bij generaties – geeft nog steeds richting aan hun denken.
De generatie van 1968
De babyboomgeneratie, ook wel de ’68-ers genoemd, kende buitengewoon gunstige sociaaleconomische omstandigheden. Zij reageerde heftig op haar ouders – in het fameuze generatieconflict uit de jaren zestig – die geen erkenning hadden gekregen voor de geslaagde verwezenlijking van het eeuwenoude verlangen van de middenklasse naar een maatschappij met sociale zekerheden, de verzorgingsstaat. De onverwachte maatschappijkritiek vertaalde zich bij de jongeren in een nostalgisch verlangen naar de tijd van vóór de ordening die de kern van de verzorgingsstaat uitmaakte. Romantische gevoelens, die gezien de leeftijd van diegenen die protesteerden tegen datgene waarvan ze profiteerden wel logisch waren, speelden een belangrijke rol in de wens van de generatie van 1968 de staat een andere taak te geven. Herverdelend en veranderend, speels maar toch kritisch, moest een verdere spreiding van kennis, macht en inkomen ontstaan. Paradoxalerwijs leidde dit streven naar het uitbannen van risico’s door middel van sociale modernisering tot een risicomaatschappij, om de term van Ulrich Beck te gebruiken, die haar verantwoordelijkheid bij het individu zou neerleggen. Het uiteindelijke resultaat is een ‘vloeibare samenleving’, zoals Zygmunt Bauman het uitdrukt, die de maatschappelijke deelnemer op elk denkbaar vlak in onzekerheid heeft gestort.
Daarmee wordt de toekomst een cultureel probleem. De optimistische cultuur van 1968 bemoeilijkt het onder ogen zien van informatie die wijst op grote toekomstige problemen, als zij dit niet al onmogelijk maakt. ‘Wees realistisch, eis het onmogelijke’, zo sprak men de stalinist Che Guevara na. Momenteel wordt het onmogelijke van de jongeren verwacht en, als men zo doorgaat, geëist. Dit gaat ten koste van de kinderen die elke samenleving nodig heeft voor de toekomst.
De Romantiek had duidelijk conservatieve, zelfs reactionaire kanten. Voor 1968 geldt hetzelfde. Het progressieve optimisme van de jaren zestig in combinatie met een romantisch ‘samengevoel’, solidariteit, leidt tot het miskennen van toenemende signalen van onrust over de toekomst van de ’68-ers, het pensioen. Het streven van 1968 is zo verworden tot een reactionaire behoudzucht ten aanzien van wensen en verlangens die moeten worden gefinancierd met nieuwe premies, belastingen en andere financiële verzwaringen voor de jongere generaties. Een nieuwe generatiecrisis doemt op. In Frans Baskenland werden vorig jaar tweede woningen in brand gestoken door jongeren die in de verste verte nog geen eerste huis weten te betalen.
Jongere generaties worden in tijd en geld zo sterk overbelast, dat ze zich mondiaal steeds minder kinderen kunnen veroorloven. Onderbevolking begint vooral in Europa de kop op te steken.
Aanvullende pensioenen
Noodzakelijke uitwegen ontbreken uit het dilemma van het besteden van algemene middelen aan ofwel kinderen ofwel ouderen. Het te verwachten gevolg is, dat de vergrijzing steeds minder betaalbaar wordt. Waarschijnlijk is dit, naast het milieuvraagstuk, het grootste probleem waarvoor de eenentwintigste eeuw zich gesteld ziet. De kernvraag is of jongere generaties er in de nabije toekomst in zullen slagen de pensioenstelsels in stand te houden, door er direct of indirect voor te blijven werken en betalen. Keer op keer is berekend dat jongere generaties meer betalen dan oudere generaties, en daarvoor minder krijgen. Oudere generaties daarentegen krijgen meer dan waarvoor zij hebben betaald.
In Nederland, het land met het hoogste belegd vermogen ten behoeve van pensioenen, wordt verplicht een aanvullend pensioen opgebouwd. Het is aanvullend op een omslaggefinancierd pensioen dat door werkenden wordt betaald voor gepensioneerden. Het aanvullende pensioen is kapitaalgedekt, wat wil zeggen dat de verplichte premies voor de betaler zelf belastingvrij worden belegd om later als pensioen te worden uitgekeerd. Nederland heeft een gemengd betalingsstelsel, zowel via omslag als kapitaaldekking.
Elk land heeft in meer of mindere mate een gemengd stelsel, omdat er in elk land door velen, zelfstandigen bijvoorbeeld, voor het pensioen wordt gespaard en belegd, al dan niet vrijwillig, als aanvulling op verplichte voorzieningen. In Duitsland, een van ’s werelds meest krachtige economieën en tevens een land met voornamelijk een omslagstelsel, gebeurt dit vrijwillig door de grote groep van zelfstandigen.
In omslagstelsellanden werd te weinig gespaard en te veel geconsumeerd. De pensioenverwachting was er gebaseerd op hoge lonen die te hoge consumptie veroorzaakten. In kapitaaldekkingslanden werd dan weer te veel gespaard. In Nederland lag de rendementsverwachting lang op vier procent. De premies en de geherinvesteerde rendementen zorgden er voor hoge pensioenverwachtingen. Een knelpunt is dat waardepapieren eerst te gelde zullen moeten worden gemaakt. Voor het pensioen gekochte aandelen zullen ooit moeten worden verkocht.
De pensioenen van de gepensioneerden zijn voor het bedrijfsleven loonkosten, voor de werknemers premies, voor de pensioenfondsen toekomstige aanspraken. De rendementen moeten, in welke vorm dan ook, door de werkenden onder jongere generaties worden opgebracht. Zijn die rendementen er niet, dan is een omslagstelsel even goed, en waarschijnlijk zelfs beter wanneer er sprake is van negatieve rendementen, bijvoorbeeld doordat de belegde vermogens minder waard worden.
Bij beide stelsels blijft het echter de vraag of jongere generaties in de toekomst de rendementen dan wel de direct aan de gepensioneerden uit te keren pensioenen kunnen opbrengen. Direct zou dit moeten gebeuren in de vorm van stijgende salarissen door een groeiende arbeidsproductiviteit, economische groei, die dan extra zal worden belast voor de vergrijzing. Indirect zouden economische groei en een toename in de bedrijfswinsten zich in rendementen uit dividenden en stijgende beurskoersen moeten vertalen. Samen met de renten over staatsschulden en grondstoffen zijn dit de rendementen waarvan de pensioenen bij kapitaaldekking moeten worden betaald.
De jonge generatie overvraagd
Jongere generaties zullen niet aan deze verwachtingen kunnen voldoen. Daar zijn twee belangrijke redenen voor. Ten eerste worden de jongeren overvraagd. Ze moeten niet alleen zorgen voor de pensioenen, maar ook betalen voor een groeiend beroep op de zorg. Alles bij elkaar genomen (premies, belastingen, accijnzen, prijsverhogingen en staatsschulden) bewegen de vergrijzinglasten zich inmiddels in Europa in de richting van de helft van het inkomen. Dit is nog maar het begin. Met teruglopende bevolkingen en een toenemend aantal gepensioneerden zal het, ten tweede, heel lastig worden een afname van de economische groei te voorkomen, al kan er natuurlijk een groei per hoofd van de bevolking blijven bestaan. Daardoor zullen jongere generaties zich niet kunnen veroorloven de pensioeninvesteringen over te nemen tegen het bedrag waarvoor ze in de boeken staan. Als jongere generaties ertoe zouden worden verplicht, bijvoorbeeld ten behoeve van hun eigen pensioen, dan doet het probleem zich alleen maar nog sterker voor bij de daaropvolgende generatie.
Er zullen voor steeds meer, en steeds ouder wordende, gepensioneerden hoge pensioenen moeten worden betaald. Er bestaat geen Europees land waar het geboortecijfer hoog genoeg is om de demografische opbouw in stand te houden. De verhouding tussen werkenden en ouderen verandert zodanig dat er binnenkort landen zijn waar elke werkende een gepensioneerde te onderhouden heeft – een kwarteeuw geleden waren er vier werkenden per gepensioneerde. In de afgelopen eeuw is men in Europa per jaar gemiddeld een maand ouder geworden, zonder dat de pensioneringsdatum voldoende is aangepast. Integendeel, in het laatste kwart van de vorige eeuw is men steeds vroeger gestopt met werken. De Verenigde Naties hebben eens berekend dat in Europa de leeftijd van pensionering 75 jaar zou moeten zijn, om het pensioen op het niveau van 1995 te houden. Dat de pensioenen hoger geworden zijn dan ooit de bedoeling was, blijkt mijns inziens het meest duidelijk uit de verhoging door Adenauer in 1957 van de voorgestelde vijftig procent van het laatstverdiende loon naar zeventig procent. Het commentaar van Höffner, mede-indiener van het plan in 1956: ‘Wer unser Rentensystem später einmal ändern will, muss dann entweder die Alten enteignen oder die Jungen ausbeuten’.
De onmogelijkheid de pensioenstelsels op de huidige manier te laten voortbestaan wordt versterkt, doordat het betalen van het pensioen door jongere generaties resulteert in een verlies aan koopkracht. Koppelingen tussen lonen en pensioenen in combinatie met de generatievolumes hebben tot gevolg dat wanneer jongeren vooruitgaan in loon, dit voor de oudere, grotere, generaties zoveel vooruitgang betekent dat de jongeren er uiteindelijk relatief op achteruitgaan. Op 14 maart 2008 verschenen er twee berichten: de koopkracht in Duitsland was sterker gedaald dan de regering dacht en de regering overwoog de pensioenen sterker te verhogen dan aanvankelijk de bedoeling was. Van de economische voorspoed van de afgelopen jaren heeft 83% van de Duitse bevolking niets gemerkt.
Maar ook bij kapitaaldekking werkt het zo. Op 18 december 2007 bleek voor Nederland dat wie in 2008 geen salarisverhoging zou krijgen, zou worden geconfronteerd met een daling van het besteedbaar inkomen. Dezelfde dag viel te lezen dat het grootste pensioenfonds, het ABP, de achterstand in de indexatie van de pensioenen wegwerkt. De zevenhonderdduizend gepensioneerden van het ABP zullen er 4,05% op vooruitgaan. De pensioenpremie zal met 0,4% stijgen tot 19,6%. Het ABP noemde dit een beperkte stijging omdat mensen langer doorwerken.
De oudsten van de naoorlogse geboortegolf werden in 1995 vijftig, een typische leeftijd om eens na te denken over de levensfase na het werk. Ze begonnen te sparen voor het pensioen. De aandelen waren niet aan te slepen. Tussen 1995 en 2000 verdubbelde het belegde vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen. Internationaal schoten de koersen de lucht in. Het gevolg was een opschorting van pensioenpremiebetalingen en verhogingen van pensioenaanspraken. Er is toen de fout gemaakt te denken dat de rendementen te danken waren aan de uitstekend draaiende economie, niet aan de werking van het pensioensparen, een fout die sinds 2002 is herhaald. Met het internationale pensioensparen en beleggen zijn de hoge koersen gekocht. De pensioenverwachting en de pensioenpremies zijn gebaseerd op deze inmiddels verdwenen ‘rendementen’, de te hoge koersen.
In Nederland is, afhankelijk van de manier van berekenen, tussen één en twee biljoen euro gereserveerd voor de pensioenen. Ook in landen met een omslagstelsel wordt gespaard, geïnvesteerd en belegd. Het probleem is daarbij dat er internationaal te weinig beleggingsmogelijkheden zijn. Konden er maar meer worden benut. Maar de verdeling tussen de generaties zit dan in de weg. Doordat de geïnvesteerde bedragen onmiddellijk moeten renderen ten behoeve van de ingezette vergrijzing ontbreekt de tijd om, bijvoorbeeld, door maatschappelijk verantwoorde beleggingen naar andere oplossingen te zoeken. De verwachtingen zijn sinds 2002 in Nederland in stand gehouden door de premies pittig te verhogen. Overal zijn, omdat de koersen omlaag gingen, extra beleggingen voor pensioenen gedaan. Dus stegen de koersen weer. Het is een verdelingsvraagstuk. Kapitaaldekking werkt niet als de hele wereld het doet. President Reagan noemde het ooit een ‘Intergenerational Ponzi scheme’, naar Charles Ponzi die in de jaren twintig van de vorige eeuw berucht werd door het piramidespel: geld lenen om te investeren en de beloofde revenuen betalen uit nog meer geleend geld.
Bijkomende morele en sociale problemen
Uit gesprekken met jongeren blijkt dat er een samenleving in het verschiet ligt met een nieuwe kloof tussen oud en jong. Jongeren beginnen kwaad te worden over een tekortschietend huisvestingsbeleid met onbetaalbare woningen, het gebrek aan perspectief, het langer moeten doorwerken voor geprepensioneerden, de jaarlijks uitblijvende ‘koopkracht’, en vooral over de verwijten die ze van ouderen krijgen zodra ze deze problemen aan de orde stellen. Ouderen gaat het nog steeds om werk voor jongeren. Er is nog werkloosheid, maar die begint door de demografische ontgroening snel te verdwijnen. Jongeren merken dat het niet om werk gaat, maar weer ouderwets om inkomen. Hun bestaanszekerheid is aangetast. Dat valt af te leiden uit de geboortecijfers, die dalen onder het niveau van de 2,1 kinderen per vrouw, nodig om de bevolking te reproduceren. Nu daalt het geboortecijfer al meer dan een eeuw. Demografen verwachten dat de wereldbevolking, door de stijgende levensverwachting, eerst nog met twee miljard mensen zal aanwassen om dan, over ongeveer veertig jaar, sterk te gaan afnemen, als gevolg van dalende geboortecijfers.
Het aantal scheidingen is toegenomen, evenals het aantal singles die niet eens meer aan een huwelijk beginnen. De moraal lijkt vervlakt, zeden ogen verruwd, de samenleving seksualiseert. Het positieve antwoord op een geluksbevindingsenquête is de theorie, het gevuld houden van de agenda de praktijk. Zuinigheid is de theorie, het nieuwste mobieltje de praktijk. Zelfhulp, psychiatrie en psychologie maakten een grote bloei door, het leven heeft zich verder versneld en is nog onzekerder geworden. Dat is de huidige concurrentieslag, wetenschappers blijken maatschappelijk minder belangrijk dan voetballers, een minister-president mag blij zijn door een Bekende Nederlander te worden geïnterviewd. Relaties ontwikkelden zich van het zoeken naar redenen om bij elkaar te komen tot het zoeken naar redenen om uit elkaar te gaan. Deze scheidingscultuur heeft als achtergrond de idee dat de perfecte match, al is het maar tijdelijk, bestaat. Voor minder dan het maximum gáát men niet. Het is Adam Smith in de liefde. De happy single is de plaats gaan innemen van de ‘eeuwige vrijgezel’ en de ‘oude vrijster’. Vroeger was scheiden uitzonderlijk, tegenwoordig normaal (normaler dan bij elkaar blijven). Degenen die zich voortplanten zijn degenen die zich ‘opofferen’, om in de termen van Bauman te blijven. Het geboortecijfer daalt overal. Optimistische toekomstgeluiden beginnen te klinken als de man die vanaf de elfde verdieping roept tegen zijn vriend, die van de flat gesprongen is omdat hij denkt dat hij kan vliegen: ‘Tot zover gaat alles goed’.
De Nederlandse historicus H.W. von der Dunk heeft eens uiteengezet dat het terugprojecteren van heil in het verleden de conservatief onderscheidt van de progressief, die het heil in de toekomst voorziet. Zo ook bij de ’68-ers. Het terugprojecteren van het heil in het verleden voorkomt dat er ten behoeve van oplossingen nieuwe mogelijkheden worden onderzocht. 1968 was uitzonderlijk. Het was de leukste tijd uit de menselijke geschiedenis, die bovendien de toon zette voor later. Niet de crisis vanaf 1929, niet de oorlog, niet de wederopbouw of de werkloosheidsgolf van de jaren tachtig, maar de periode van tien jaren tussen het begin van de loongolven in 1963 en de eerste energiecrisis van 1973 vormen in Nederland de norm. Dit was een periode met een overspannen arbeidsmarkt en aanhoudende salarisverhogingen. Men is het leven en denken uit die tijd normaal gaan vinden, zozeer zelfs dat elke kritiek op het voor 1968 normale optimisme wordt afgedaan als ‘doemdenken’. De ’68-ers bepalen tot op heden de agenda. Ontwikkelingen worden daardoor niet waargenomen. Dit is een cultureel verschijnsel, al heeft het zijn uitwerking op het economische vlak, met grote sociale gevolgen.
Voor de oudere is de jongere maar al te vaak een verwende yup, waarmee die oudere er blijkt van geeft zijn geschiedenis wel en de huidige jongeren niet te kennen. Want de yup komt uit de tijd van het ‘Savings and Loans’-schandaal, de tijd van de junk bonds, de jaren tachtig van de voorbije eeuw. De jongere die het etiket ‘yuppie’ krijgt opgekleefd, was toen vaak nog niet eens geboren. Een protest van jongeren tegen een ongelijke verdeling van de opbrengsten van het werk verricht door jongeren wordt dan al snel uitgelegd als een gebrek aan solidariteit. Zo protesteerden de ouderenbonden vehement tegen recente voorstellen van de Nederlandse werkgevers om de pensioenen, met het oog op de kosten, terug te brengen naar de ooit bedoelde zeventig procent van het laatstverdiende loon. De machtige ouderenbonden wilden juist meer invloed, meer gepensioneerden in de besturen die beslissen over het pensioen. De verwachting voor 2020 is dat gepensioneerden dan gemiddeld 93% van het gemiddelde loon van de werkenden toucheren. ‘Gemiddeld’ wil hier zeggen dat voor de babyboomers wordt verwacht dat er pensioenen zullen zijn van rond de honderd procent.
Alle jongeren hebben ouders, maar niet alle ouderen hebben kinderen. Daarom zijn jongeren vaker solidair dan ouderen. Maar zo wordt het niet door de ’68-ers gepercipieerd. Het Thomas-theorema, dat wat men voor waar houdt ook waar is in de gevolgen, verbindt 1968 met een vermeend gebrek aan solidariteit van de jongere generaties. Door het veelvuldige gebruik van het gemiddelde wordt het uiteenlopen van ontwikkelingen voor ouderen en jongeren niet onderkend. Nog belangrijker in de verwrongen beeldvorming is de erfenis van 1968. Heel realistisch wordt het onmogelijke gevraagd, onmogelijk overvraagd. Pensioenen van boven de honderd procent. De verbeelding aan de macht. De naoorlogse geboortegolf dwingt het alleen al door haar electorale omvang af.
De sterk gestegen vergrijzingslasten hebben de middenklasse in de problemen gebracht. Uit de verpaupering en verloedering in de grote steden kan het ontstaan van een nieuwe onderklasse worden afgeleid. Jongere generaties maken financieel geen carrière meer, en als ze het al doen valt er in Nederland voor een betaalbaar bedrag nog geen huis te kopen. In het groeiende illegale circuit, waar bijvoorbeeld gescheidenen in eerste instantie op aangewezen zijn, kost een huurkrotje al snel zeshonderd euro. Een fatsoenlijke legale kamer komt op vijfhonderd euro. De toename van het aantal rijkere gepensioneerden wordt betaald met belemmeringen voor jongere generaties zich financieel een plaats in de middengroepen te verwerven. Dankzij ‘outsourcing’, ‘flexibilisering’, ‘toegenomen verzelfstandiging’, termen die dienen om het verdwijnen van goedbetaald vast werk te verbloemen, zijn jongeren de contractkoelies van de nieuwe tijd. In geval van werkloosheid is er dan wel een werkervaringstraject, maar met de opbrengst daarvan kunnen geen boodschappen worden betaald. Overheidsmaatregelen zijn al essentieel, wil men zich nog kinderen kunnen veroorloven. Wijken met kinderen zijn de arme wijken. Beter gezegd: zodra er kinderen zijn is de lagere middenklasse financieel al snel gedwongen zich goedkoop te vestigen. Ouderen daarentegen ontvangen meer, hoge pensioenen die worden aangevuld met ‘extra’s’ zoals zorgkosten, die ooit waren bedoeld voor echt arme ouderen, maar nu als ‘verworven recht’ in stand worden gehouden.
Sociale daling van jonge generaties
De ooit met zoveel optimisme ingezette herverdeling van kennis, macht en inkomen leidt tot een sociale daling voor jongere generaties. De welwillende herverdeling ten behoeve van de arme ouderen van de jaren vijftig heeft geleid tot de rijkere ouderen van tegenwoordig. De macht ligt nog steeds bij de ouderen, de naoorlogs zuinige ouderen, zuinig op alles behalve het eigen vervroegde pensioen. Het is de combinatie van een grote generatie, die bewust naar macht streefde en een lange mars door de instituties maakte, met een grote economische voorspoed die verwachtingen heeft gewekt waaraan nu moet worden voldaan. De goedbedoelde maar eenzijdige overheidsinterventies in het weefsel van de sociale samenhang hebben ervoor gezorgd dat de door de ’68-ers zozeer gewilde solidariteit aan flarden ligt. Want solidariteit is iets anders dan overvragen.
De huidige crisis is dan ook geen financiële macro-economische crisis. Het is een crisis op microniveau, die al jaren gaande is. Jongeren nemen rationele beslissingen, gebaseerd op de aanhoudende dagelijkse stroom van zeer positieve financiële informatie – de goednieuwsshow van de stijgende beurzen. Zo besluiten ze een huis te kopen. Maar wanneer blijkt dat de positieve financiële informatie zich niet in een reële financiële verbetering vertaalt, kan de hypotheek niet worden opgebracht. Internationaal is sprake van soms al lang, goed gedocumenteerde, teruglopende reëel besteedbare inkomens.
De verstoorde demografische kringloop, de ontvolking, wordt niet opgelost met een dalende koopkracht, omdat de communicatieve kringloop, het van elkaar leren en naar elkaar luisteren, eveneens is verstoord. In 1890 publiceerde Jacob Riis een interessante studie naar de onderkant van de samenleving, How the Other Half Lives: Studies among the Tenements of New York. Dit boek had effect, er veranderde wat. Tegenwoordig worden berichten over voedselbanken, toenemende schulden en onbetaalbaar wonen in Nederland of toenemende verwaarlozing van kinderen dan wel over onderwijsgevenden met ondersteuning in Duitsland, als symptomen van een klaagcultuur van de hand gewezen.
De vrijheidsdrang, de solidariteit, het gelijkheidsstreven en de betrokkenheid van 1968 hebben geleid tot het inschakelen van het individu als middel. De vergrijzing zal niet kunnen worden opgelost met bestaand beleid. Het ligt voor de hand dat waar de problemen niet scherp onder ogen worden gezien, eventuele oplossingen half werk zullen zijn. De vergrijzing zou op te lossen zijn als meer vrouwen gaan werken en vrouwen meer gaan werken, als de werkenden langer doorwerken, harder werken, de studielasten hoger worden, staatschulden versneld worden afgelost, er extra wordt gespaard en belegd, korter wordt gestudeerd, er meer immigranten komen, de loonkosten omlaag gaan, de lonen omlaag gaan en zo verder. Denkt men. Dat moet voldoende zijn voor Nederland. In Duitsland voegt men er meer kapitaaldekking aan toe.
De overeenkomst tussen de voorgestelde maatregelen is telkens dat de pensioenen stijgen en anderen extra worden belast in tijd, geld of beperking van mogelijkheden, ten behoeve van de pensioenen van diegenen die te vroeg zijn gestopt met werken en die te veel verdienden. En op dat te hoge salaris is hun pensioen gebaseerd. De momenteel voorgestelde oplossingen lopen stuk op een principiële denkfout. En wel één die de makers van die fout eigenlijk zeer goed zouden moeten onderkennen: niemand laat zich langdurig inzetten voor een ander zonder tegenprestatie.
Wat meer kapitaaldekking in landen met overwegend een omslagstelsel lost het probleem niet op. Daarvoor zijn deze landen inmiddels niet rijk genoeg meer, zeker de jongere generaties niet. En de rijkere oudere generaties zullen hun pensioeninvesteringen juist te gelde willen maken. De enige manier is jongeren in staat te stellen zinnig in hun eigen toekomst te investeren, dus zonder dat de rendementen daarvan al vooraf aan de oudere generaties ten goede komen. Hogere salarissen dus, die géén lagere koopkracht betekenen. Daardoor kunnen ze zich meer kinderen veroorloven en kan op den duur de neerwaartse economische spiraal weer worden omgebogen. Er moet worden voorkomen dat straks wordt gezegd: ‘nooit eerder hebben zo velen zo lang zo veel te veel van zo weinigen gevraagd’.
Sander Boelens
Verschenen in Streven
° 1933) Cultureel maatschappelijk maandblad voor Nederland en Vlaanderen.
Alle domeinen komen ter sprake: filosofie en religie, literatuur en kunst, film en theater, politiek en maatschappij. Een forumrubriek biedt stof voor maatschappelijke discussie en in Podium wordt het artistieke landschap verkend. Elk nummer wordt afgerond met een uitgebreide boekenrubriek.
De generatie van de naoorlogse geboortegolf groeide op ten tijde van een zich voltooiende industrialisatie. De consumptiemaatschappij ontstond, mede mogelijk gemaakt door de loongolven als gevolg van de uitzonderlijke periode van economische groei die volgde op de wederopbouw. De dienstenmaatschappij kwam in de plaats van de industriële samenleving, waardoor de onbelemmerd vervolgonderwijs genietende babyboomers probleemloos een passende werkkring konden vinden. Wat zij aantroffen bij het betreden van de arbeidsmarkt – dit is normaal bij generaties – geeft nog steeds richting aan hun denken.
De generatie van 1968
De babyboomgeneratie, ook wel de ’68-ers genoemd, kende buitengewoon gunstige sociaaleconomische omstandigheden. Zij reageerde heftig op haar ouders – in het fameuze generatieconflict uit de jaren zestig – die geen erkenning hadden gekregen voor de geslaagde verwezenlijking van het eeuwenoude verlangen van de middenklasse naar een maatschappij met sociale zekerheden, de verzorgingsstaat. De onverwachte maatschappijkritiek vertaalde zich bij de jongeren in een nostalgisch verlangen naar de tijd van vóór de ordening die de kern van de verzorgingsstaat uitmaakte. Romantische gevoelens, die gezien de leeftijd van diegenen die protesteerden tegen datgene waarvan ze profiteerden wel logisch waren, speelden een belangrijke rol in de wens van de generatie van 1968 de staat een andere taak te geven. Herverdelend en veranderend, speels maar toch kritisch, moest een verdere spreiding van kennis, macht en inkomen ontstaan. Paradoxalerwijs leidde dit streven naar het uitbannen van risico’s door middel van sociale modernisering tot een risicomaatschappij, om de term van Ulrich Beck te gebruiken, die haar verantwoordelijkheid bij het individu zou neerleggen. Het uiteindelijke resultaat is een ‘vloeibare samenleving’, zoals Zygmunt Bauman het uitdrukt, die de maatschappelijke deelnemer op elk denkbaar vlak in onzekerheid heeft gestort.
Daarmee wordt de toekomst een cultureel probleem. De optimistische cultuur van 1968 bemoeilijkt het onder ogen zien van informatie die wijst op grote toekomstige problemen, als zij dit niet al onmogelijk maakt. ‘Wees realistisch, eis het onmogelijke’, zo sprak men de stalinist Che Guevara na. Momenteel wordt het onmogelijke van de jongeren verwacht en, als men zo doorgaat, geëist. Dit gaat ten koste van de kinderen die elke samenleving nodig heeft voor de toekomst.
De Romantiek had duidelijk conservatieve, zelfs reactionaire kanten. Voor 1968 geldt hetzelfde. Het progressieve optimisme van de jaren zestig in combinatie met een romantisch ‘samengevoel’, solidariteit, leidt tot het miskennen van toenemende signalen van onrust over de toekomst van de ’68-ers, het pensioen. Het streven van 1968 is zo verworden tot een reactionaire behoudzucht ten aanzien van wensen en verlangens die moeten worden gefinancierd met nieuwe premies, belastingen en andere financiële verzwaringen voor de jongere generaties. Een nieuwe generatiecrisis doemt op. In Frans Baskenland werden vorig jaar tweede woningen in brand gestoken door jongeren die in de verste verte nog geen eerste huis weten te betalen.
Jongere generaties worden in tijd en geld zo sterk overbelast, dat ze zich mondiaal steeds minder kinderen kunnen veroorloven. Onderbevolking begint vooral in Europa de kop op te steken.
Aanvullende pensioenen
Noodzakelijke uitwegen ontbreken uit het dilemma van het besteden van algemene middelen aan ofwel kinderen ofwel ouderen. Het te verwachten gevolg is, dat de vergrijzing steeds minder betaalbaar wordt. Waarschijnlijk is dit, naast het milieuvraagstuk, het grootste probleem waarvoor de eenentwintigste eeuw zich gesteld ziet. De kernvraag is of jongere generaties er in de nabije toekomst in zullen slagen de pensioenstelsels in stand te houden, door er direct of indirect voor te blijven werken en betalen. Keer op keer is berekend dat jongere generaties meer betalen dan oudere generaties, en daarvoor minder krijgen. Oudere generaties daarentegen krijgen meer dan waarvoor zij hebben betaald.
In Nederland, het land met het hoogste belegd vermogen ten behoeve van pensioenen, wordt verplicht een aanvullend pensioen opgebouwd. Het is aanvullend op een omslaggefinancierd pensioen dat door werkenden wordt betaald voor gepensioneerden. Het aanvullende pensioen is kapitaalgedekt, wat wil zeggen dat de verplichte premies voor de betaler zelf belastingvrij worden belegd om later als pensioen te worden uitgekeerd. Nederland heeft een gemengd betalingsstelsel, zowel via omslag als kapitaaldekking.
Elk land heeft in meer of mindere mate een gemengd stelsel, omdat er in elk land door velen, zelfstandigen bijvoorbeeld, voor het pensioen wordt gespaard en belegd, al dan niet vrijwillig, als aanvulling op verplichte voorzieningen. In Duitsland, een van ’s werelds meest krachtige economieën en tevens een land met voornamelijk een omslagstelsel, gebeurt dit vrijwillig door de grote groep van zelfstandigen.
In omslagstelsellanden werd te weinig gespaard en te veel geconsumeerd. De pensioenverwachting was er gebaseerd op hoge lonen die te hoge consumptie veroorzaakten. In kapitaaldekkingslanden werd dan weer te veel gespaard. In Nederland lag de rendementsverwachting lang op vier procent. De premies en de geherinvesteerde rendementen zorgden er voor hoge pensioenverwachtingen. Een knelpunt is dat waardepapieren eerst te gelde zullen moeten worden gemaakt. Voor het pensioen gekochte aandelen zullen ooit moeten worden verkocht.
De pensioenen van de gepensioneerden zijn voor het bedrijfsleven loonkosten, voor de werknemers premies, voor de pensioenfondsen toekomstige aanspraken. De rendementen moeten, in welke vorm dan ook, door de werkenden onder jongere generaties worden opgebracht. Zijn die rendementen er niet, dan is een omslagstelsel even goed, en waarschijnlijk zelfs beter wanneer er sprake is van negatieve rendementen, bijvoorbeeld doordat de belegde vermogens minder waard worden.
Bij beide stelsels blijft het echter de vraag of jongere generaties in de toekomst de rendementen dan wel de direct aan de gepensioneerden uit te keren pensioenen kunnen opbrengen. Direct zou dit moeten gebeuren in de vorm van stijgende salarissen door een groeiende arbeidsproductiviteit, economische groei, die dan extra zal worden belast voor de vergrijzing. Indirect zouden economische groei en een toename in de bedrijfswinsten zich in rendementen uit dividenden en stijgende beurskoersen moeten vertalen. Samen met de renten over staatsschulden en grondstoffen zijn dit de rendementen waarvan de pensioenen bij kapitaaldekking moeten worden betaald.
De jonge generatie overvraagd
Jongere generaties zullen niet aan deze verwachtingen kunnen voldoen. Daar zijn twee belangrijke redenen voor. Ten eerste worden de jongeren overvraagd. Ze moeten niet alleen zorgen voor de pensioenen, maar ook betalen voor een groeiend beroep op de zorg. Alles bij elkaar genomen (premies, belastingen, accijnzen, prijsverhogingen en staatsschulden) bewegen de vergrijzinglasten zich inmiddels in Europa in de richting van de helft van het inkomen. Dit is nog maar het begin. Met teruglopende bevolkingen en een toenemend aantal gepensioneerden zal het, ten tweede, heel lastig worden een afname van de economische groei te voorkomen, al kan er natuurlijk een groei per hoofd van de bevolking blijven bestaan. Daardoor zullen jongere generaties zich niet kunnen veroorloven de pensioeninvesteringen over te nemen tegen het bedrag waarvoor ze in de boeken staan. Als jongere generaties ertoe zouden worden verplicht, bijvoorbeeld ten behoeve van hun eigen pensioen, dan doet het probleem zich alleen maar nog sterker voor bij de daaropvolgende generatie.
Er zullen voor steeds meer, en steeds ouder wordende, gepensioneerden hoge pensioenen moeten worden betaald. Er bestaat geen Europees land waar het geboortecijfer hoog genoeg is om de demografische opbouw in stand te houden. De verhouding tussen werkenden en ouderen verandert zodanig dat er binnenkort landen zijn waar elke werkende een gepensioneerde te onderhouden heeft – een kwarteeuw geleden waren er vier werkenden per gepensioneerde. In de afgelopen eeuw is men in Europa per jaar gemiddeld een maand ouder geworden, zonder dat de pensioneringsdatum voldoende is aangepast. Integendeel, in het laatste kwart van de vorige eeuw is men steeds vroeger gestopt met werken. De Verenigde Naties hebben eens berekend dat in Europa de leeftijd van pensionering 75 jaar zou moeten zijn, om het pensioen op het niveau van 1995 te houden. Dat de pensioenen hoger geworden zijn dan ooit de bedoeling was, blijkt mijns inziens het meest duidelijk uit de verhoging door Adenauer in 1957 van de voorgestelde vijftig procent van het laatstverdiende loon naar zeventig procent. Het commentaar van Höffner, mede-indiener van het plan in 1956: ‘Wer unser Rentensystem später einmal ändern will, muss dann entweder die Alten enteignen oder die Jungen ausbeuten’.
De onmogelijkheid de pensioenstelsels op de huidige manier te laten voortbestaan wordt versterkt, doordat het betalen van het pensioen door jongere generaties resulteert in een verlies aan koopkracht. Koppelingen tussen lonen en pensioenen in combinatie met de generatievolumes hebben tot gevolg dat wanneer jongeren vooruitgaan in loon, dit voor de oudere, grotere, generaties zoveel vooruitgang betekent dat de jongeren er uiteindelijk relatief op achteruitgaan. Op 14 maart 2008 verschenen er twee berichten: de koopkracht in Duitsland was sterker gedaald dan de regering dacht en de regering overwoog de pensioenen sterker te verhogen dan aanvankelijk de bedoeling was. Van de economische voorspoed van de afgelopen jaren heeft 83% van de Duitse bevolking niets gemerkt.
Maar ook bij kapitaaldekking werkt het zo. Op 18 december 2007 bleek voor Nederland dat wie in 2008 geen salarisverhoging zou krijgen, zou worden geconfronteerd met een daling van het besteedbaar inkomen. Dezelfde dag viel te lezen dat het grootste pensioenfonds, het ABP, de achterstand in de indexatie van de pensioenen wegwerkt. De zevenhonderdduizend gepensioneerden van het ABP zullen er 4,05% op vooruitgaan. De pensioenpremie zal met 0,4% stijgen tot 19,6%. Het ABP noemde dit een beperkte stijging omdat mensen langer doorwerken.
De oudsten van de naoorlogse geboortegolf werden in 1995 vijftig, een typische leeftijd om eens na te denken over de levensfase na het werk. Ze begonnen te sparen voor het pensioen. De aandelen waren niet aan te slepen. Tussen 1995 en 2000 verdubbelde het belegde vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen. Internationaal schoten de koersen de lucht in. Het gevolg was een opschorting van pensioenpremiebetalingen en verhogingen van pensioenaanspraken. Er is toen de fout gemaakt te denken dat de rendementen te danken waren aan de uitstekend draaiende economie, niet aan de werking van het pensioensparen, een fout die sinds 2002 is herhaald. Met het internationale pensioensparen en beleggen zijn de hoge koersen gekocht. De pensioenverwachting en de pensioenpremies zijn gebaseerd op deze inmiddels verdwenen ‘rendementen’, de te hoge koersen.
In Nederland is, afhankelijk van de manier van berekenen, tussen één en twee biljoen euro gereserveerd voor de pensioenen. Ook in landen met een omslagstelsel wordt gespaard, geïnvesteerd en belegd. Het probleem is daarbij dat er internationaal te weinig beleggingsmogelijkheden zijn. Konden er maar meer worden benut. Maar de verdeling tussen de generaties zit dan in de weg. Doordat de geïnvesteerde bedragen onmiddellijk moeten renderen ten behoeve van de ingezette vergrijzing ontbreekt de tijd om, bijvoorbeeld, door maatschappelijk verantwoorde beleggingen naar andere oplossingen te zoeken. De verwachtingen zijn sinds 2002 in Nederland in stand gehouden door de premies pittig te verhogen. Overal zijn, omdat de koersen omlaag gingen, extra beleggingen voor pensioenen gedaan. Dus stegen de koersen weer. Het is een verdelingsvraagstuk. Kapitaaldekking werkt niet als de hele wereld het doet. President Reagan noemde het ooit een ‘Intergenerational Ponzi scheme’, naar Charles Ponzi die in de jaren twintig van de vorige eeuw berucht werd door het piramidespel: geld lenen om te investeren en de beloofde revenuen betalen uit nog meer geleend geld.
Bijkomende morele en sociale problemen
Uit gesprekken met jongeren blijkt dat er een samenleving in het verschiet ligt met een nieuwe kloof tussen oud en jong. Jongeren beginnen kwaad te worden over een tekortschietend huisvestingsbeleid met onbetaalbare woningen, het gebrek aan perspectief, het langer moeten doorwerken voor geprepensioneerden, de jaarlijks uitblijvende ‘koopkracht’, en vooral over de verwijten die ze van ouderen krijgen zodra ze deze problemen aan de orde stellen. Ouderen gaat het nog steeds om werk voor jongeren. Er is nog werkloosheid, maar die begint door de demografische ontgroening snel te verdwijnen. Jongeren merken dat het niet om werk gaat, maar weer ouderwets om inkomen. Hun bestaanszekerheid is aangetast. Dat valt af te leiden uit de geboortecijfers, die dalen onder het niveau van de 2,1 kinderen per vrouw, nodig om de bevolking te reproduceren. Nu daalt het geboortecijfer al meer dan een eeuw. Demografen verwachten dat de wereldbevolking, door de stijgende levensverwachting, eerst nog met twee miljard mensen zal aanwassen om dan, over ongeveer veertig jaar, sterk te gaan afnemen, als gevolg van dalende geboortecijfers.
Het aantal scheidingen is toegenomen, evenals het aantal singles die niet eens meer aan een huwelijk beginnen. De moraal lijkt vervlakt, zeden ogen verruwd, de samenleving seksualiseert. Het positieve antwoord op een geluksbevindingsenquête is de theorie, het gevuld houden van de agenda de praktijk. Zuinigheid is de theorie, het nieuwste mobieltje de praktijk. Zelfhulp, psychiatrie en psychologie maakten een grote bloei door, het leven heeft zich verder versneld en is nog onzekerder geworden. Dat is de huidige concurrentieslag, wetenschappers blijken maatschappelijk minder belangrijk dan voetballers, een minister-president mag blij zijn door een Bekende Nederlander te worden geïnterviewd. Relaties ontwikkelden zich van het zoeken naar redenen om bij elkaar te komen tot het zoeken naar redenen om uit elkaar te gaan. Deze scheidingscultuur heeft als achtergrond de idee dat de perfecte match, al is het maar tijdelijk, bestaat. Voor minder dan het maximum gáát men niet. Het is Adam Smith in de liefde. De happy single is de plaats gaan innemen van de ‘eeuwige vrijgezel’ en de ‘oude vrijster’. Vroeger was scheiden uitzonderlijk, tegenwoordig normaal (normaler dan bij elkaar blijven). Degenen die zich voortplanten zijn degenen die zich ‘opofferen’, om in de termen van Bauman te blijven. Het geboortecijfer daalt overal. Optimistische toekomstgeluiden beginnen te klinken als de man die vanaf de elfde verdieping roept tegen zijn vriend, die van de flat gesprongen is omdat hij denkt dat hij kan vliegen: ‘Tot zover gaat alles goed’.
De Nederlandse historicus H.W. von der Dunk heeft eens uiteengezet dat het terugprojecteren van heil in het verleden de conservatief onderscheidt van de progressief, die het heil in de toekomst voorziet. Zo ook bij de ’68-ers. Het terugprojecteren van het heil in het verleden voorkomt dat er ten behoeve van oplossingen nieuwe mogelijkheden worden onderzocht. 1968 was uitzonderlijk. Het was de leukste tijd uit de menselijke geschiedenis, die bovendien de toon zette voor later. Niet de crisis vanaf 1929, niet de oorlog, niet de wederopbouw of de werkloosheidsgolf van de jaren tachtig, maar de periode van tien jaren tussen het begin van de loongolven in 1963 en de eerste energiecrisis van 1973 vormen in Nederland de norm. Dit was een periode met een overspannen arbeidsmarkt en aanhoudende salarisverhogingen. Men is het leven en denken uit die tijd normaal gaan vinden, zozeer zelfs dat elke kritiek op het voor 1968 normale optimisme wordt afgedaan als ‘doemdenken’. De ’68-ers bepalen tot op heden de agenda. Ontwikkelingen worden daardoor niet waargenomen. Dit is een cultureel verschijnsel, al heeft het zijn uitwerking op het economische vlak, met grote sociale gevolgen.
Voor de oudere is de jongere maar al te vaak een verwende yup, waarmee die oudere er blijkt van geeft zijn geschiedenis wel en de huidige jongeren niet te kennen. Want de yup komt uit de tijd van het ‘Savings and Loans’-schandaal, de tijd van de junk bonds, de jaren tachtig van de voorbije eeuw. De jongere die het etiket ‘yuppie’ krijgt opgekleefd, was toen vaak nog niet eens geboren. Een protest van jongeren tegen een ongelijke verdeling van de opbrengsten van het werk verricht door jongeren wordt dan al snel uitgelegd als een gebrek aan solidariteit. Zo protesteerden de ouderenbonden vehement tegen recente voorstellen van de Nederlandse werkgevers om de pensioenen, met het oog op de kosten, terug te brengen naar de ooit bedoelde zeventig procent van het laatstverdiende loon. De machtige ouderenbonden wilden juist meer invloed, meer gepensioneerden in de besturen die beslissen over het pensioen. De verwachting voor 2020 is dat gepensioneerden dan gemiddeld 93% van het gemiddelde loon van de werkenden toucheren. ‘Gemiddeld’ wil hier zeggen dat voor de babyboomers wordt verwacht dat er pensioenen zullen zijn van rond de honderd procent.
Alle jongeren hebben ouders, maar niet alle ouderen hebben kinderen. Daarom zijn jongeren vaker solidair dan ouderen. Maar zo wordt het niet door de ’68-ers gepercipieerd. Het Thomas-theorema, dat wat men voor waar houdt ook waar is in de gevolgen, verbindt 1968 met een vermeend gebrek aan solidariteit van de jongere generaties. Door het veelvuldige gebruik van het gemiddelde wordt het uiteenlopen van ontwikkelingen voor ouderen en jongeren niet onderkend. Nog belangrijker in de verwrongen beeldvorming is de erfenis van 1968. Heel realistisch wordt het onmogelijke gevraagd, onmogelijk overvraagd. Pensioenen van boven de honderd procent. De verbeelding aan de macht. De naoorlogse geboortegolf dwingt het alleen al door haar electorale omvang af.
De sterk gestegen vergrijzingslasten hebben de middenklasse in de problemen gebracht. Uit de verpaupering en verloedering in de grote steden kan het ontstaan van een nieuwe onderklasse worden afgeleid. Jongere generaties maken financieel geen carrière meer, en als ze het al doen valt er in Nederland voor een betaalbaar bedrag nog geen huis te kopen. In het groeiende illegale circuit, waar bijvoorbeeld gescheidenen in eerste instantie op aangewezen zijn, kost een huurkrotje al snel zeshonderd euro. Een fatsoenlijke legale kamer komt op vijfhonderd euro. De toename van het aantal rijkere gepensioneerden wordt betaald met belemmeringen voor jongere generaties zich financieel een plaats in de middengroepen te verwerven. Dankzij ‘outsourcing’, ‘flexibilisering’, ‘toegenomen verzelfstandiging’, termen die dienen om het verdwijnen van goedbetaald vast werk te verbloemen, zijn jongeren de contractkoelies van de nieuwe tijd. In geval van werkloosheid is er dan wel een werkervaringstraject, maar met de opbrengst daarvan kunnen geen boodschappen worden betaald. Overheidsmaatregelen zijn al essentieel, wil men zich nog kinderen kunnen veroorloven. Wijken met kinderen zijn de arme wijken. Beter gezegd: zodra er kinderen zijn is de lagere middenklasse financieel al snel gedwongen zich goedkoop te vestigen. Ouderen daarentegen ontvangen meer, hoge pensioenen die worden aangevuld met ‘extra’s’ zoals zorgkosten, die ooit waren bedoeld voor echt arme ouderen, maar nu als ‘verworven recht’ in stand worden gehouden.
Sociale daling van jonge generaties
De ooit met zoveel optimisme ingezette herverdeling van kennis, macht en inkomen leidt tot een sociale daling voor jongere generaties. De welwillende herverdeling ten behoeve van de arme ouderen van de jaren vijftig heeft geleid tot de rijkere ouderen van tegenwoordig. De macht ligt nog steeds bij de ouderen, de naoorlogs zuinige ouderen, zuinig op alles behalve het eigen vervroegde pensioen. Het is de combinatie van een grote generatie, die bewust naar macht streefde en een lange mars door de instituties maakte, met een grote economische voorspoed die verwachtingen heeft gewekt waaraan nu moet worden voldaan. De goedbedoelde maar eenzijdige overheidsinterventies in het weefsel van de sociale samenhang hebben ervoor gezorgd dat de door de ’68-ers zozeer gewilde solidariteit aan flarden ligt. Want solidariteit is iets anders dan overvragen.
De huidige crisis is dan ook geen financiële macro-economische crisis. Het is een crisis op microniveau, die al jaren gaande is. Jongeren nemen rationele beslissingen, gebaseerd op de aanhoudende dagelijkse stroom van zeer positieve financiële informatie – de goednieuwsshow van de stijgende beurzen. Zo besluiten ze een huis te kopen. Maar wanneer blijkt dat de positieve financiële informatie zich niet in een reële financiële verbetering vertaalt, kan de hypotheek niet worden opgebracht. Internationaal is sprake van soms al lang, goed gedocumenteerde, teruglopende reëel besteedbare inkomens.
De verstoorde demografische kringloop, de ontvolking, wordt niet opgelost met een dalende koopkracht, omdat de communicatieve kringloop, het van elkaar leren en naar elkaar luisteren, eveneens is verstoord. In 1890 publiceerde Jacob Riis een interessante studie naar de onderkant van de samenleving, How the Other Half Lives: Studies among the Tenements of New York. Dit boek had effect, er veranderde wat. Tegenwoordig worden berichten over voedselbanken, toenemende schulden en onbetaalbaar wonen in Nederland of toenemende verwaarlozing van kinderen dan wel over onderwijsgevenden met ondersteuning in Duitsland, als symptomen van een klaagcultuur van de hand gewezen.
De vrijheidsdrang, de solidariteit, het gelijkheidsstreven en de betrokkenheid van 1968 hebben geleid tot het inschakelen van het individu als middel. De vergrijzing zal niet kunnen worden opgelost met bestaand beleid. Het ligt voor de hand dat waar de problemen niet scherp onder ogen worden gezien, eventuele oplossingen half werk zullen zijn. De vergrijzing zou op te lossen zijn als meer vrouwen gaan werken en vrouwen meer gaan werken, als de werkenden langer doorwerken, harder werken, de studielasten hoger worden, staatschulden versneld worden afgelost, er extra wordt gespaard en belegd, korter wordt gestudeerd, er meer immigranten komen, de loonkosten omlaag gaan, de lonen omlaag gaan en zo verder. Denkt men. Dat moet voldoende zijn voor Nederland. In Duitsland voegt men er meer kapitaaldekking aan toe.
De overeenkomst tussen de voorgestelde maatregelen is telkens dat de pensioenen stijgen en anderen extra worden belast in tijd, geld of beperking van mogelijkheden, ten behoeve van de pensioenen van diegenen die te vroeg zijn gestopt met werken en die te veel verdienden. En op dat te hoge salaris is hun pensioen gebaseerd. De momenteel voorgestelde oplossingen lopen stuk op een principiële denkfout. En wel één die de makers van die fout eigenlijk zeer goed zouden moeten onderkennen: niemand laat zich langdurig inzetten voor een ander zonder tegenprestatie.
Wat meer kapitaaldekking in landen met overwegend een omslagstelsel lost het probleem niet op. Daarvoor zijn deze landen inmiddels niet rijk genoeg meer, zeker de jongere generaties niet. En de rijkere oudere generaties zullen hun pensioeninvesteringen juist te gelde willen maken. De enige manier is jongeren in staat te stellen zinnig in hun eigen toekomst te investeren, dus zonder dat de rendementen daarvan al vooraf aan de oudere generaties ten goede komen. Hogere salarissen dus, die géén lagere koopkracht betekenen. Daardoor kunnen ze zich meer kinderen veroorloven en kan op den duur de neerwaartse economische spiraal weer worden omgebogen. Er moet worden voorkomen dat straks wordt gezegd: ‘nooit eerder hebben zo velen zo lang zo veel te veel van zo weinigen gevraagd’.
Sander Boelens
Verschenen in Streven
° 1933) Cultureel maatschappelijk maandblad voor Nederland en Vlaanderen.
Alle domeinen komen ter sprake: filosofie en religie, literatuur en kunst, film en theater, politiek en maatschappij. Een forumrubriek biedt stof voor maatschappelijke discussie en in Podium wordt het artistieke landschap verkend. Elk nummer wordt afgerond met een uitgebreide boekenrubriek.
zaterdag 16 januari 2010
Commentaar : Het Pensioendebat in een nieuwe versnelling (Guy Janssens)
Je kan van Michel Daerden veel zeggen. Onder meer dat hij erin slaagt om op een onnavolgbare manier een thema op de politieke agenda te krijgen. Het pensioenthema, bijvoorbeeld. Hij heeft er waarschijnlijk niet lang over moeten nadenken. Een vraag van Geert Lambert in de senaat, meer moest dat niet zijn.
Het mogelijk drankgebruik van Daerden geheel terzijde, was het volkomen terecht dat er eindelijk nog eens over pensioenen werd gepraat. Het zilverfonds, weet u nog wel, zou een groot deel van de vergrijzingsproblemen oplossen. Het zilverfonds werd nog uitgevonden onder Paars I, door de toenmalige minister van begroting Johan Vande Lanotte. Het was in feite een begrotingsoperatie, opgezet om de Europese Commissie ervan te overtuigen dat het België menens was om zijn begroting te saneren. De invoering van de euro was bijna een feit – we zijn in 2001 - en de begrotingsdoelstellingen van Maastricht lagen iedereen nog vers in het geheugen. Het zilverfonds, zo stelde de Europese Commissie, mocht worden gespijsd met begrotingsoverschotten. Bovendien zou de pot pas mogen worden gebruikt op ’t moment dat de staatsschuld zou zijn teruggebracht tot 60% van het BBP. Die andere Maastricht-norm, weet u nog wel? Onnodig te zeggen dat noch een begrotingsoverschot, noch een staatsschuld van 60% op dit moment verder weg zijn dan ooit. En dat terwijl het de bedoeling was om het pensioenfonds operationeel te maken tegen 2010.. helaas!
Daerden is er dan wel in geslaagd het thema opnieuw op de agenda te krijgen, de vraag die iedereen zich stelt is: welke kant moet het uit met de pensioenconferentie? Onder de vorige regering is die opgestart. Maar op ’t moment is men nog niet verder geraakt dan het opmaken van een stand van zaken. Pas als dat is gebeurd kunnen de deelnemers, waaronder de sociale partners, aan de slag om voorstellen uit te werken. Nu weet iedereen dat er niet al te veel mogelijke pistes zijn. Geld om de pensioenen te verhogen is er niet. Bovendien leven we (hopelijk) allemaal langer. Zodat er langer (en dus méér) moet worden betaald. Tot overmaat van ramp hebben we al bij de laagste pensioenen van Europa, zowat 1000 € bruto per maand, gemiddeld. ‘Dat is veel te laag’, zegt Sabine Slegers van de liberale vakbond in de Vrije Markt. ‘Hoe kunnen we in de toekomst betere inkomens bieden aan onze gepensioneerden? De vraag is vooral: hoe kunnen we iedereen langer aan het werk houden”. Het VBO zit wat dat betreft op dezelfde golflengte. “Langer aan het werk blijven is essentieel”, zegt Bart Buysse van het VBO. ‘Dan zal ook het pensioen automatisch stijgen. Een volledig wettelijk pensioen heb je pas na 45 te hebben gewerkt. We hebben dus nog een heel eind te gaan’.
Dat zal wel zijn. Zeker na de nieuwe sociale bloedbaden van de afgelopen week: UCO: 107 banen weg, Hewlett Packard: 324 jobs verloren, AB Inbev: 263 werkplaatsen. Vooral bij dit laatste bedrijf is de stemming bitsig. De vakbonden blokkeerden de poorten van alle AB Inbev-vestigingen in België. De directie dreigde om de blokkades via gerechtelijke weg te laten weghalen. De berichten dat een 40-tal topmanagers en bestuurders miljoenenbonussen zou opstrijken hielp niet echt om de stemming bij de werknemers te verzachten. Alweer dreigende collectieve ontslagen. Alweer brugpensioenen. De carrière van 45 jaar om een vol pensioen te krijgen lijkt nog héél ver weg.
En minister Daerden moet maar best heel hard creatief beginnen nadenken.
Het mogelijk drankgebruik van Daerden geheel terzijde, was het volkomen terecht dat er eindelijk nog eens over pensioenen werd gepraat. Het zilverfonds, weet u nog wel, zou een groot deel van de vergrijzingsproblemen oplossen. Het zilverfonds werd nog uitgevonden onder Paars I, door de toenmalige minister van begroting Johan Vande Lanotte. Het was in feite een begrotingsoperatie, opgezet om de Europese Commissie ervan te overtuigen dat het België menens was om zijn begroting te saneren. De invoering van de euro was bijna een feit – we zijn in 2001 - en de begrotingsdoelstellingen van Maastricht lagen iedereen nog vers in het geheugen. Het zilverfonds, zo stelde de Europese Commissie, mocht worden gespijsd met begrotingsoverschotten. Bovendien zou de pot pas mogen worden gebruikt op ’t moment dat de staatsschuld zou zijn teruggebracht tot 60% van het BBP. Die andere Maastricht-norm, weet u nog wel? Onnodig te zeggen dat noch een begrotingsoverschot, noch een staatsschuld van 60% op dit moment verder weg zijn dan ooit. En dat terwijl het de bedoeling was om het pensioenfonds operationeel te maken tegen 2010.. helaas!
Daerden is er dan wel in geslaagd het thema opnieuw op de agenda te krijgen, de vraag die iedereen zich stelt is: welke kant moet het uit met de pensioenconferentie? Onder de vorige regering is die opgestart. Maar op ’t moment is men nog niet verder geraakt dan het opmaken van een stand van zaken. Pas als dat is gebeurd kunnen de deelnemers, waaronder de sociale partners, aan de slag om voorstellen uit te werken. Nu weet iedereen dat er niet al te veel mogelijke pistes zijn. Geld om de pensioenen te verhogen is er niet. Bovendien leven we (hopelijk) allemaal langer. Zodat er langer (en dus méér) moet worden betaald. Tot overmaat van ramp hebben we al bij de laagste pensioenen van Europa, zowat 1000 € bruto per maand, gemiddeld. ‘Dat is veel te laag’, zegt Sabine Slegers van de liberale vakbond in de Vrije Markt. ‘Hoe kunnen we in de toekomst betere inkomens bieden aan onze gepensioneerden? De vraag is vooral: hoe kunnen we iedereen langer aan het werk houden”. Het VBO zit wat dat betreft op dezelfde golflengte. “Langer aan het werk blijven is essentieel”, zegt Bart Buysse van het VBO. ‘Dan zal ook het pensioen automatisch stijgen. Een volledig wettelijk pensioen heb je pas na 45 te hebben gewerkt. We hebben dus nog een heel eind te gaan’.
Dat zal wel zijn. Zeker na de nieuwe sociale bloedbaden van de afgelopen week: UCO: 107 banen weg, Hewlett Packard: 324 jobs verloren, AB Inbev: 263 werkplaatsen. Vooral bij dit laatste bedrijf is de stemming bitsig. De vakbonden blokkeerden de poorten van alle AB Inbev-vestigingen in België. De directie dreigde om de blokkades via gerechtelijke weg te laten weghalen. De berichten dat een 40-tal topmanagers en bestuurders miljoenenbonussen zou opstrijken hielp niet echt om de stemming bij de werknemers te verzachten. Alweer dreigende collectieve ontslagen. Alweer brugpensioenen. De carrière van 45 jaar om een vol pensioen te krijgen lijkt nog héél ver weg.
En minister Daerden moet maar best heel hard creatief beginnen nadenken.
Abonneren op:
Posts (Atom)
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :