Vorig jaar moest 15,3 % van de Belgen rond komen met een inkomen dat onder de armoedegrens ligt. Dat blijkt uit cijfers van de FOD Economie. Die cijfers zijn gebaseerd op een jaarlijks Europees onderzoek naar de inkomens en leefomstandigheden (EU-SILC-enquête).
Maar de cijfers hebben ook een interessante invalshoek naar de discussies rond de pensioenen.
Het gemiddeld pensioen dat de RVP in december vorig jaar uitbetaalde, bedroeg 943,87 euro. Dat is 2,85% meer dan een jaar eerder. Welnu, het gemiddeld werknemerspensioen ligt daarmee onder de armoedegrens. Want die laatste is bepaald op 1.000 euro per maand voor een alleenstaande.
In het julinummer van het ACV ledenblad De Nieuwe Tijd (p. 20 en volgende) wordt er een artikel gebracht dat een bevattelijke samenvatting geeft over de correcties in verband met de pensioenen in de openbare sector.
Op dit ogenblik is het nog wachten op het advies van de Raad van State op de tekst van het wetsontwerp. Vervolgens moet het wetsontwerp met de correcties ook door het Parlement worden gestemd. Het duurt dus nog wel even vooraleer het geheel in het Staatsblad staat, maar inhoudelijk zijn de teerlingen nu wel geworpen.
In de openbare sector wordt donderdag een algemene staking gehouden tegen de plannen van de regering om het pensioenstelsel te hervormen. Eerder kondigden de spoorbonden al aan dat het treinverkeer vanaf woensdagavond wordt stilgelegd.
Spoorbonden leggen treinverkeer stil
Eerder vandaag werd al duidelijk dat er wellicht vanaf woensdagavond bij het spoor wordt gestaakt. De spoorbonden hebben al een stakingsaanzegging ingediend voor een 24 urenstaking.
Deze week bespreekt de federale ministerraad een wetsontwerp dat de Vlaamse regering letterlijk erg duur te staan kan komen. De hervorming van het pensioenstelstel van gemeenten en provincies dreigt voor de lokale besturen onbetaalbaar te worden. Ze willen de factuur naar Vlaanderen doorschuiven. Maar dat moet binnenkort wellicht de pensioenlasten van zijn eigen ambtenaren overnemen die nu nog door de federale staat worden gedragen. Een tijdbom die miljarden euro’s zal kosten.
Gemeenten en provincies betalen al meer dan vijftig jaar zelf de pensioenen van hun eigen statutaire ambtenaren. Door de vergrijzing en het dalend aantal statutairen is de kas van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO) echter zo goed als leeg. Om de huidige pensioenen te betalen moeten jaarlijks honderden miljoenen uit de reserves worden geput. Op 1 januari 2012 zullen die helemaal opgebruikt zijn.
Het Rekenhof heeft het federaal parlement een audit voorgelegd waarin het de cumulatie van pensioenen in de openbare sector met een beroeps- of vervangingsinkomen onderzoekt. Het stelt daarin een gebrekkig toezicht vast op de naleving van de cumulatiewetgeving.
Uit het onderzoek van het Rekenhof is gebleken dat alleen voor gepensioneerden die hun inkomen uit beroepsactiviteit of hun vervangingsinkomen uit eigen beweging aangeven, een controle volgt. Het ontbreken van een sluitende controleprocedure is nog problematischer wanneer geen meldingsplicht in de reglementering is opgenomen, zoals dat het geval is bij inkomsten uit een administratief of politiek mandaat. Voorts worden, wanneer de aangifteplicht wel reglementair is vastgelegd, de sancties bij niet-naleving ook zelden of nooit toegepast.
Het Rekenhof heeft aan het federale parlement een verslag toegestuurd over de pensionering wegens gezondheidsredenen van statutaire personeelsleden in de openbare sector. Het rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid is een pensioenstelsel eigen aan de openbare sector. Het houdt in dat het pensioen van een personeelslid ingaat van zodra een Dienst voor Medische Expertise zijn invaliditeit heeft vastgesteld. In de privésector ontvangt een loontrekkende in dat geval tot de normale pensioenleeftijd een uitkering die ten laste valt van de tak ziekte en invaliditeit van de sociale zekerheid.
De reglementaire bepalingen betreffende de vaststelling van de lichamelijke ongeschiktheid van de statutaire ambtenaren van de overheidssector leggen regels op die verschillen naargelang van de sectoren: in sommige gevallen moet de werkgever binnen een welbepaalde termijn het advies vragen van een Dienst voor Medische Expertise (DME), terwijl die vraag in andere gevallen facultatief blijft. Bovendien worden de regels ter zake in de feiten niet steeds strikt nageleefd. Deze vaststellingen verklaren de grote verschillen die het Rekenhof heeft vastgesteld wat betreft de duur van de periode van ziekte of invaliditeit die voorafging aan de pensionering wegens lichamelijke ongeschiktheid. Die verschillen zijn er niet alleen tussen personeelsleden van verschillende openbare werkgevers, maar eveneens tussen personeelsleden van eenzelfde werkgever. Dit druist in tegen het principe van gelijke behandeling van de statutaire personeelsleden van de overheidssector.
Deze vaststelling moet ook worden bekeken vanuit de bijzondere context van de financiering van de overheidspensioenen. Doordat aan de openbare werkgever (inclusief de gemeenschappen en de gewesten) de mogelijkheid wordt gelaten de termijn te bepalen waarbinnen de verschijning voor de DME wordt gevraagd, kan die werkgever immers het ogenblik beïnvloeden vanaf wanneer het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid ten laste valt van de federale Schatkist, alsook het bedrag van dat pensioen.
Het Rekenhof acht het noodzakelijk dat de openbare werkgevers worden herinnerd aan hun wettelijke of reglementaire verplichtingen op dat gebied. Bovendien moet er een harmonisering komen van de reglementeringen betreffende het verschijnen voor de DME.
De minister van Pensioenen heeft zich geëngageerd om zijn steun te verlenen aan elk initiatief om, binnen de werkgroepen van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, een denkoefening op te starten met de verschillende openbare werkgevers over het gebrek aan reglementaire verduidelijkingen die kunnen worden toegepast inzake de termijnen om voor de DME te verschijnen.
Voorts zijn nog andere reglementaire aanpassingen wenselijk. Zo zou de huidige termijn van 30 dagen waarbinnen de DME zijn beslissing moet nemen, moeten worden verlengd, vermits het praktisch onmogelijk is die termijn na te leven. Het gelijktijdig meedelen van de beslissing van de DME aan de werkgever en aan het personeelslid zou verplicht moeten zijn. De administratieve statuten inzake de heraffectatie van de personeelsleden zouden moeten worden versoepeld wanneer die heraffectatie voortvloeit uit een beslissing van de DME. Momenteel, wanneer een dergelijke heraffectatie onmogelijk blijkt, kan de definitieve pensionering van het betrokken personeelslid slechts twaalf maanden later ingaan. Deze termijn zou kunnen worden ingekort.
Het Rekenhof heeft tot slot vastgesteld dat de procedures die de PDOS heeft ingevoerd, het mogelijk maken te vermijden dat er te veel tijd verstrijkt tussen het einde van de betaling van de bezoldiging door de werkgever en de storting van het eerste maandelijkse pensioen wegens ongeschiktheid.
Het Rekenhof controleert de openbare financiën van de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de provincies. Het draagt bij tot een beter overheidsbeheer door de parlementaire vergaderingen, de beheerders en de gecontroleerde diensten nuttige en betrouwbare informatie te bezorgen, die voortvloeit uit een tegensprekelijk onderzoek. Als collaterale instelling van het parlement werkt het Rekenhof onafhankelijk van de overheden die het controleert.