De belastingplichtige ontving in 2000 pensioenuitkeringen vanwege een Nederlandse vennootschap die belast werden in de personenbelasting, terwijl ze volgens de belastingplichtige onbelastbaar zijn gezien de betalingen gebeurden in zijn uitsluitend en definitief voordeel.
Volgens het Hof bestaat er geen betwisting over het feit dat België heffingsbevoegd is zodat aan de hand van de Belgische interne wetgeving dient te worden nagegaan of de litigieuze pensioenuitkeringen effectief belast kunnen worden.
Overeenkomstig artikel 34 WIB92 worden pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden principieel belastbaar gesteld wanneer deze door een levensverzekeringsonderneming of door een pensioen- of voorzorgfonds werden toegekend.
Overeenkomstig artikel 39 §2, 2°, a) WIB92 zijn pensioenuitkeringen vrijgesteld indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgenden hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en er geen vrijstelling van belasting of belastingvermindering op de betaalde premies werd verkregen. De belastingplichtige dient aldus te bewijzen dat het gaat om een individueel afgesloten levensverzekeringscontract en dat er geen vrijstelling werd genoten voor wat de werknemersbijdragen betreft.
Er is sprake van een individueel levensverzekeringscontract indien de werkgeversbijdragen voor de pensioenopbouw in Nederland in het definitief en uitsluitend voordeel van de belastingplichtigen zijn gebeurd op het ogenblik dat ze werden gestort. Wanneer de pensioenopbouw wordt verricht in het definitief en uitsluitend voordeel van de betrokkenen, dienen zij immers als bezoldigingen te worden beschouwd in hoofde van de werknemer en konden zij op dat moment reeds worden belast.
Uit de feiten blijkt dat de pensioenaanspraken van de belastingplichtige definitief verworven rechten waren. Het Hof besluit dat de litigieuze voorzieningen in Nederland in het definitief en uitsluitend voordeel van de belastingplichtige en zijn begunstigden werden vastgelegd, zodat deze te beschouwen waren als onmiddellijk belastbaar en thans niet als een uitgesteld bedrijfsinkomen kunnen worden belast in hoofde van de belastingplichtige.
Antwerpen 30 juni 2009, AR nr. 2006/32, FiscalNet 24 november 2009.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2009-2010, nr. 3, 23 januari 2010
Posts tonen met het label pension architects. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pension architects. Alle posts tonen
maandag 1 februari 2010
woensdag 30 december 2009
Nieuw KB voor publicatie jaarrekening van pensioenfondsen
In het Belgisch Staatsblad is nu expliciet opgenomen dat pensioenfondsen hun jaarrekening binnen de 30 dagen na goedkeuring door de Algemene Vergadering, dienen neer te leggen bij de Nationale Bank van België. Deze regeling geldt met terugwerkende kracht vanaf 31/12/2007.
BS20091229
BS20091229
donderdag 17 september 2009
B :Gemiddelde pensioen per maand
Gemiddeld brutopensioen per maand
(Rust- en overlevingspensioen voor een gemiddelde loopbaan (per 1 januari 2009))
Werknemers: € 1.016,00
Zelfstandigen: € 726,00
Ambtenaren: € 2.237,27
Minimum brutopensioen per maand
(Rustpensioen voor een volledige loopbaan, voltijdse betrekking (per 1 juli 2009))
Werknemers: € 1.004,87 (alleenstaande) en € 1.255,69 (gezin)
Zelfstandigen: € 920,62 (alleenstaande) en € 1.213,44 (gezin)
Ambtenaren: € 1.188,84 (alleenstaande) en € 1.486,02 (gezin)
Maximum brutopensioen per maand
(Rustpensioen voor een volledige loopbaan, voltijdse betrekking (per 1 juli 2009))
Werknemers: € 1.805,21 (alleenstaande) en € 2.256,51 (gezin)
Zelfstandigen: € 1.012,67 (alleenstaande) en € 1.265,84 (gezin)
Ambtenaren: € 5.805,26
(Rust- en overlevingspensioen voor een gemiddelde loopbaan (per 1 januari 2009))
Werknemers: € 1.016,00
Zelfstandigen: € 726,00
Ambtenaren: € 2.237,27
Minimum brutopensioen per maand
(Rustpensioen voor een volledige loopbaan, voltijdse betrekking (per 1 juli 2009))
Werknemers: € 1.004,87 (alleenstaande) en € 1.255,69 (gezin)
Zelfstandigen: € 920,62 (alleenstaande) en € 1.213,44 (gezin)
Ambtenaren: € 1.188,84 (alleenstaande) en € 1.486,02 (gezin)
Maximum brutopensioen per maand
(Rustpensioen voor een volledige loopbaan, voltijdse betrekking (per 1 juli 2009))
Werknemers: € 1.805,21 (alleenstaande) en € 2.256,51 (gezin)
Zelfstandigen: € 1.012,67 (alleenstaande) en € 1.265,84 (gezin)
Ambtenaren: € 5.805,26
vrijdag 28 augustus 2009
B :Wet Verwilghen bis – Implicaties voor individuele en collectieve ziekteverzekeringen
Over de Wet op de ziekteverzekeringsovereenkomsten, beter bekend als de wet Verwilghen, is al veel geschreven. Na publicatie op 10 augustus 2007 werd al snel duidelijk dat de wet nog veel ruimte liet voor interpretatie en dat een aantal vragen onbeantwoord bleven. Een reparatiewet leek dus onvermijdelijk. Op 8 juli 2009 werd de wet van 17 juni 2009 tot wijziging van de wet Verwilghen gepubliceerd in het Belgisch staatsblad. Wij zetten de gevolgen voor de verzekeringen medische kosten en gewaarborgd inkomen op een rijtje.
De nieuwe wet heeft implicaties voor zowel de individuele als de collectieve ziekteverzekeringen.
Eerst en vooral vindt er een verandering plaats in de definitie van de individuele en de collectieve ziekteverzekeringen. Voortaan zullen de collectieve verzekeringen onder de noemer ‘beroepsgebonden verzekeringen’ gecatalogeerd worden en de individuele verzekeringen onder de noemer ‘niet-beroepsgebonden verzekeringen’.
Onder beroepsgebonden ziekteverzekeringen wordt verstaan: de ziekteverzekeringen die gesloten zijn door één of meerdere verzekeringsnemers ten behoeve van één of meerdere personen die op het moment van aansluiting bij de verzekering beroepsmatig met de verzekeringsnemer verbonden zijn.
De beroepsband wordt nu dus doorslaggevend om onder de ene of de andere categorie te vallen.
Contracten die door een verzekeringsnemer zijn afgesloten ten voordele van meerdere verzekerden zonder dat er een beroepsband aanwezig is, worden voortaan als niet-beroepsgebonden verzekering aanzien. Deze contracten dienen voortaan de regels van de vroegere individuele contracten ( levenslang karakter – beperkte opzegbaarheid) te volgen in plaats van die van de collectieve contracten ( jaarlijks opzegbaar – informatieverplichtingen).
Beroepsgebonden verzekeringen
Voor deze categorie van verzekeringen blijven de informatieverplichtingen omtrent de mogelijkheden tot individuele voortzetting en voorfinanciering van kracht.
De enige wijziging betreft de termijn waarbinnen een hoofdverzekerde zijn/haar aanvraag tot voortzetting kan doen bij de verzekeraar.
De eerste wet bepaalde dat deze termijn 30 dagen bedraagt nadat de hoofdverzekerde door de werkgever op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid tot voortzetting.
Volgens de nieuwe wet kan deze termijn van 30 dagen met 30 dagen verlengd worden. De verzekerde dient de verzekeraar schriftelijk of elektronisch op de hoogte te brengen indien hij van deze mogelijkheid tot verlenging gebruik wenst te maken.
De werkgever dient dan ook deze mogelijkheid tot verlenging op te nemen in de informatie die hij verstrekt op grond van zijn informatieplicht.
Niet-beroepsgebonden verzekeringen
Het levenslang karakter van deze verzekering blijft behouden.
Dit wil zeggen dat deze contracten niet opzegbaar zijn door de verzekeraar ( behalve in geval van wederzijds akkoord in belang van de verzekerde, fraude, bedrog, …).
Behalve in een aantal door de wet limitatief opgesomde gevallen kan de verzekeraar na het aangaan van de verzekeringsovereenkomst de technische grondslagen van de premies en de dekkingsvoorwaarden niet meer wijzigen.
Deze gevallen zijn de volgende:
aanpassingen op basis van de index der consumptieprijzen;
aanpassingen op basis van de medische index indien deze de index der consumptieprijzen overschrijdt;
wijzigingen in beroep en statuut sociale zekerheid wat betreft verzekeringen medische kosten en wijzigingen in beroep, inkomen en statuut sociale zekerheid wat betreft verzekeringen gewaarborgd inkomen.
Ook blijft de wetgeving op de controle der verzekeringsondernemingen van kracht. Zo kan de CBFA op eigen initiatief of op initiatief van een verzekeringsmaatschappij tussenkomen indien blijkt dat de toepassing van de gebruikte tarieven verlieslatend dreigt te worden. Een premie-of een dekkingsaanpassing kan dan op die manier doorgevoerd worden.
Medische index
Zoals aangehaald, kunnen niet-beroepsgebonden verzekeringen jaarlijks aangepast worden op basis van de medische index.
De wijze waarop, en vooral de parameters waarmee dit indexcijfer zal worden opgebouwd zullen bij Koninklijk Besluit worden bepaald. Het is niet bekend wanneer dit uitvoeringsbesluit zal volgen.
Op basis van deze methode zal de FOD Economie overgaan tot berekening ( op basis van cijfers die gekend zijn op 30 juni) en publiceert hij de waarde van het indexcijfer jaarlijks in het Belgisch Staatsblad en dit ten laatste op 1 september.
Chronisch zieken en gehandicapten
De vorige wet bepaalde dat de verzekeraars geen verzekering konden weigeren aan chronisch zieken en gehandicapten gedurende een periode van 2 jaar ( eventueel met uitsluiting van de bestaande aandoeningen). Deze periode liep ten einde op 30 juni 2009.
Aangezien deze maatregel in de praktijk weinig succes heeft gekend, werd besloten deze te verlengen tot 30 juni 2011.
Na evaluatie zou deze termijn eventueel nog eens verlengd kunnen worden.
Inwerkingtreding en overgangsregeling
Deze reparatiewet treedt eveneens retro-actief in werking op 1 juli 2007, net zoals de vorige wet.
Hierbij wordt benadrukt dat de wet nu van toepassing is op alle contracten, zowel die voor als na 1 juli 2007 afgesloten werden.
Wat betreft de wijzigingen aan de mogelijkheden voor premie- en dekkingswijzigingen voor niet-beroepsgebonden verzekeringen, geldt een overgangsperiode van 2 jaar (tot 1 juli 2009).
Voor bestaande verzekeringscontracten die vroeger onder de regeling van de collectieve contracten vielen, maar door gebrek aan beroepsband nu in principe onder de niet-beroepsgebonden verzekeringen moeten vallen, is er een aparte regeling.
Deze contracten blijven onder de beroepsgebonden verzekeringen gekwalificeerd, maar er mogen geen nieuwe hoofdverzekerden meer worden aangesloten na 1 juli 2009.
De overgangsperiode van 2 jaar voor de beroepsgebonden contracten blijft ongewijzigd van kracht. Dit betekent dat de overeenkomsten vanaf 1 juli 2009 formeel in orde moeten zijn.dinsdag 25 augustus 2009
België : Wat is een aanvullend pensioenrecht?
In deze nieuwsbrief kan u op pagina 5 een kort verslag vinden van een uitspraak van het Brussels Arbeidshof van 10 april 2009. De vraag die voorligt, is eenvoudig: zijn de werkgever en de verzekeraar samen aansprakelijk voor het aanvullend pensioen van de werknemer? Waar houdt de aansprakelijkheid voor de ene op en waar begint de aansprakelijkheid van de andere?
Op zich is het arrest van het Arbeidshof weinig verassend. Het Arbeidshof meent namelijk dat er geen solidaire aansprakelijkheid is tussen verzekeraar en werkgever. Dit bevestigt het merendeel van de rechtspraak die handelt over de groepsverzekering als een zogenaamd beding ten behoeve van een derde. Het Hof stelt dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de toezegging en de uitvoering. Voor de uitvoering is de pensioeninstelling verantwoordelijk. Voor de toezegging is de werkgever-inrichter verantwoordelijk. Niets nieuws onder de zon.
Tussen de regels door kan men in dit arrest echter zien het Arbeidshof worstelt met de kwalificatie van het aanvullend pensioenrecht. En niet ten onrechte!
Wat voor recht heeft een aangeslotene eigenlijk op het aanvullend pensioen? Hoe gaat de rechtspraak om met dit zogenaamd “verworven recht”? Zelden tot nooit waagt de rechtspraak zich tot een duidelijke uitspraak.
Het aanvullend pensioen houdt dan ook ergens het midden tussen een eigensoortig eigendomsrecht en een vorderingsrecht. Ook is het verschil tussen de verworven reserve en de verworven prestatie niet juridisch loepzuiver te noemen. Het is een bevreemdende vaststelling: de aanspraak op het aanvullend pensioen zit in een juridisch vacuüm voor de aangeslotene.
De rechtspraak worstelt duidelijk met de kwalificatie van het recht. Het Brussels Arbeidshof is zeker niet alleen.
Als we bijvoorbeeld het arrest van het Europees Hof van Justitie (EHvJ) lezen (zie pg. 2 van deze nieuwsbrief) dan zien we dat het Hof het begrip “belangen” hanteert. Het Hof spreekt niet over rechten. Het Hof meent dat er een soort van legitiem belang van de werknemer op zijn aanvullend pensioen rust. Maar wat is “een legitiem belang”?
Nog een ander voorbeeld in deze nieuwsbrief is het vonnis van de arbeidsrechtbank van Gent van 19 maart (pg. 5). In deze zaak vordert een werknemer de betaling van bijkomende werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, omdat hij vindt dat zijn aanvullend pensioen moet berekend worden op een PBO-basis (projected benefit obligation) en niet op basis van een ABO-basis (accured benefit obligation). Het verschil tussen beide berekeningen is zeer groot. De wijze waarop het recht berekend wordt heeft inderdaad een belangrijke impact op de uiteindelijke prestatie. De vraag is natuurlijk in welke mate de berekeningswijze een recht kan uitdrukken. Gaat het immers niet steeds over een bijzonder complexe actuariële berekening die quasi onvatbaar is voor de gemiddelde aangeslotene?
Ook de wetgever creëert geen duidelijkheid. Als we bijvoorbeeld de loonbeschermingswet nemen, dan zien we dat de bijdragen wel als loon worden gekwalificeerd maar het uiteindelijke pensioen niet. Tijdens de opbouw verandert de reserve met andere woorden van juridisch karakter.
Een duidelijkere juridische kwalificatie van het aanvullend pensioenrecht zou niet slecht zijn.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
Op zich is het arrest van het Arbeidshof weinig verassend. Het Arbeidshof meent namelijk dat er geen solidaire aansprakelijkheid is tussen verzekeraar en werkgever. Dit bevestigt het merendeel van de rechtspraak die handelt over de groepsverzekering als een zogenaamd beding ten behoeve van een derde. Het Hof stelt dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de toezegging en de uitvoering. Voor de uitvoering is de pensioeninstelling verantwoordelijk. Voor de toezegging is de werkgever-inrichter verantwoordelijk. Niets nieuws onder de zon.
Tussen de regels door kan men in dit arrest echter zien het Arbeidshof worstelt met de kwalificatie van het aanvullend pensioenrecht. En niet ten onrechte!
Wat voor recht heeft een aangeslotene eigenlijk op het aanvullend pensioen? Hoe gaat de rechtspraak om met dit zogenaamd “verworven recht”? Zelden tot nooit waagt de rechtspraak zich tot een duidelijke uitspraak.
Het aanvullend pensioen houdt dan ook ergens het midden tussen een eigensoortig eigendomsrecht en een vorderingsrecht. Ook is het verschil tussen de verworven reserve en de verworven prestatie niet juridisch loepzuiver te noemen. Het is een bevreemdende vaststelling: de aanspraak op het aanvullend pensioen zit in een juridisch vacuüm voor de aangeslotene.
De rechtspraak worstelt duidelijk met de kwalificatie van het recht. Het Brussels Arbeidshof is zeker niet alleen.
Als we bijvoorbeeld het arrest van het Europees Hof van Justitie (EHvJ) lezen (zie pg. 2 van deze nieuwsbrief) dan zien we dat het Hof het begrip “belangen” hanteert. Het Hof spreekt niet over rechten. Het Hof meent dat er een soort van legitiem belang van de werknemer op zijn aanvullend pensioen rust. Maar wat is “een legitiem belang”?
Nog een ander voorbeeld in deze nieuwsbrief is het vonnis van de arbeidsrechtbank van Gent van 19 maart (pg. 5). In deze zaak vordert een werknemer de betaling van bijkomende werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, omdat hij vindt dat zijn aanvullend pensioen moet berekend worden op een PBO-basis (projected benefit obligation) en niet op basis van een ABO-basis (accured benefit obligation). Het verschil tussen beide berekeningen is zeer groot. De wijze waarop het recht berekend wordt heeft inderdaad een belangrijke impact op de uiteindelijke prestatie. De vraag is natuurlijk in welke mate de berekeningswijze een recht kan uitdrukken. Gaat het immers niet steeds over een bijzonder complexe actuariële berekening die quasi onvatbaar is voor de gemiddelde aangeslotene?
Ook de wetgever creëert geen duidelijkheid. Als we bijvoorbeeld de loonbeschermingswet nemen, dan zien we dat de bijdragen wel als loon worden gekwalificeerd maar het uiteindelijke pensioen niet. Tijdens de opbouw verandert de reserve met andere woorden van juridisch karakter.
Een duidelijkere juridische kwalificatie van het aanvullend pensioenrecht zou niet slecht zijn.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
België : Uitkering Nederlands pensioenfonds belastbaar in België?
Appellanten zijn Belgische rijksinwoners maar hebben de Nederlandse nationaliteit. Zij ontvangen vanwege een Nederlands pensioenfonds een uitkering. De administratie is van oordeel dat de door het Nederlandse pensioenfonds aan appellanten uitgekeerde pensioenen in België dienden te worden belast. Volgens het Hof moet aan de hand van de Belgische interne wetgeving worden nagegaan of de litigieuze pensioenuitkeringen effectief belast kunnen worden.
Algemeen kan worden gesteld dat pensioenen op het ogenblik van de uitkering in België steeds belastbaar zijn, tenzij wanneer de stortingen, op het ogenblik waarop zij werden gedaan, dienen beschouwd te worden als een bezoldiging en bijgevolg op dat ogenblik reeds principieel belastbaar waren.
In casu was eerste appellant zelfstandige in Nederland. De pensioenopbouw in Nederland gebeurde na stortingen door eerste appellant zelf rechtstreeks aan het Nederlandse pensioenfonds en dit in het kader van een in Nederland terzake bestaande wettelijke verplichting.
In casu dient enkel te worden nagekeken of eerste appellant aan de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 39 WIB92 zou voldoen, mocht hij in België als zelfstandige (wettelijk verplichte) pensioenbijdragen hebben betaald. De wettelijke pensioenbijdragen zitten vervat in de sociale zekerheidsbijdragen der zelfstandigen, die in België fiscaal een aftrekbare kost uitmaken. Het aldus opgebouwde pensioen is ook voor de Belgische zelfstandigen belastbaar bij uitkering.
Antwerpen 3 februari 2009, A.R. nr. 2008/384, Fiscalnet 18 juni 2009.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
Algemeen kan worden gesteld dat pensioenen op het ogenblik van de uitkering in België steeds belastbaar zijn, tenzij wanneer de stortingen, op het ogenblik waarop zij werden gedaan, dienen beschouwd te worden als een bezoldiging en bijgevolg op dat ogenblik reeds principieel belastbaar waren.
In casu was eerste appellant zelfstandige in Nederland. De pensioenopbouw in Nederland gebeurde na stortingen door eerste appellant zelf rechtstreeks aan het Nederlandse pensioenfonds en dit in het kader van een in Nederland terzake bestaande wettelijke verplichting.
In casu dient enkel te worden nagekeken of eerste appellant aan de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 39 WIB92 zou voldoen, mocht hij in België als zelfstandige (wettelijk verplichte) pensioenbijdragen hebben betaald. De wettelijke pensioenbijdragen zitten vervat in de sociale zekerheidsbijdragen der zelfstandigen, die in België fiscaal een aftrekbare kost uitmaken. Het aldus opgebouwde pensioen is ook voor de Belgische zelfstandigen belastbaar bij uitkering.
Antwerpen 3 februari 2009, A.R. nr. 2008/384, Fiscalnet 18 juni 2009.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
België : Werkgever en groepsverzekeraar solidair aansprakelijk?
De groepsverzekeringsovereenkomst is een beding ten behoeve van een derde in de zin van artikel 1121 BW, wat aan de werknemer een rechtstreekse vordering ten aanzien van de verzekeraar verschaft.
Appellant meent dat zijn werkgever en zijn groepsverzekeraar solidair, minstens in solidum gehouden zijn in verband met de uitvoering, omdat de toezegging uitgaat van de werkgever. Volgens het Hof maakt appellant hierbij een onvoldoende onderscheid tussen toezegging en uitvoering. In de eerste plaats rust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering op de pensioeninstelling, om vervolgens en subsidiair hieraan door de werkgever te moeten worden aangevuld, zoals wanneer bij een resultaatsverbintenis de verzekeringsafspraak onvoldoende is om wat aan de werknemer werd toegezegd, te realiseren.
Uit het tussenarrest volgt dat de afrekening in deze zaak gebaseerd is op de bepalingen van het pensioenreglement. Er werd niet vastgesteld dat de werkgever haar verplichtingen uit dit reglement niet of foutief zou zijn nagekomen. Evenmin wordt voorgehouden dat de uitvoering van het pensioenreglement de pensioentoezegging onvoldoende zou realiseren en dat er een bijkomende aanzuivering van de tekorten nodig zou zijn. In die omstandigheden wordt de werkgever, door het afsluiten van een groepsverzekering en het nakomen van zijn verbintenissen dienaangaande, geacht zich van zijn pensioenverbintenis ten aanzien van zijn werknemers te bevrijden.
Arbh. Brussel 10 april 2009, A.R. nr. 49.795, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
Appellant meent dat zijn werkgever en zijn groepsverzekeraar solidair, minstens in solidum gehouden zijn in verband met de uitvoering, omdat de toezegging uitgaat van de werkgever. Volgens het Hof maakt appellant hierbij een onvoldoende onderscheid tussen toezegging en uitvoering. In de eerste plaats rust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering op de pensioeninstelling, om vervolgens en subsidiair hieraan door de werkgever te moeten worden aangevuld, zoals wanneer bij een resultaatsverbintenis de verzekeringsafspraak onvoldoende is om wat aan de werknemer werd toegezegd, te realiseren.
Uit het tussenarrest volgt dat de afrekening in deze zaak gebaseerd is op de bepalingen van het pensioenreglement. Er werd niet vastgesteld dat de werkgever haar verplichtingen uit dit reglement niet of foutief zou zijn nagekomen. Evenmin wordt voorgehouden dat de uitvoering van het pensioenreglement de pensioentoezegging onvoldoende zou realiseren en dat er een bijkomende aanzuivering van de tekorten nodig zou zijn. In die omstandigheden wordt de werkgever, door het afsluiten van een groepsverzekering en het nakomen van zijn verbintenissen dienaangaande, geacht zich van zijn pensioenverbintenis ten aanzien van zijn werknemers te bevrijden.
Arbh. Brussel 10 april 2009, A.R. nr. 49.795, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
België : Actuariële berekeningsbasis van het aanvullend pensioen
Een werknemer vordert de betaling van bijkomende werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, omdat hij vindt dat zijn aanvullend pensioen moet berekend worden op een PBO-basis (projected benefit obligation).
De beëindigingovereenkomst met zijn werkgever voorziet dat “de verworven rechten zoals bepaald in het pensioenplan zullen worden berekend met inachtneming van de beëindigingdatum van 31 maart 2007 zelfs indien de partijen een vervroegde beëindigingdatum zouden overeenkomen. Het bedrag verbonden aan de verworven rechten en verworven voordelen zal op de dag van de beëindigingdatum worden berekend volgens de standaardprocedure. Een niet bindende illustratie, gebaseerd op heden geldende informatie, is aangehecht ter informatie.”
Volgens de werknemer wordt er met de verwijzing naar de standaardprocedure bedoeld dat hij kan genieten van de regeling toepasselijk bij verwerende partij in haar vestiging te Gent (PBObasis).
De werkgever stelt dat het systeem van de TBE te Brussel van toepassing is (ABO-basis – accured benefit obligation).
De arbeidsrechtbank oordeelt dat de toegevoegde illustratie, die duidelijk naar het ABO-systeem verwijst en niet met de PBO-regeling te verwarren is, duidelijk maakt dat de vordering van de werknemer ongegrond is.
Arbrb. Gent 19 maart 2009, A.R. nr. 08/904/A, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
De beëindigingovereenkomst met zijn werkgever voorziet dat “de verworven rechten zoals bepaald in het pensioenplan zullen worden berekend met inachtneming van de beëindigingdatum van 31 maart 2007 zelfs indien de partijen een vervroegde beëindigingdatum zouden overeenkomen. Het bedrag verbonden aan de verworven rechten en verworven voordelen zal op de dag van de beëindigingdatum worden berekend volgens de standaardprocedure. Een niet bindende illustratie, gebaseerd op heden geldende informatie, is aangehecht ter informatie.”
Volgens de werknemer wordt er met de verwijzing naar de standaardprocedure bedoeld dat hij kan genieten van de regeling toepasselijk bij verwerende partij in haar vestiging te Gent (PBObasis).
De werkgever stelt dat het systeem van de TBE te Brussel van toepassing is (ABO-basis – accured benefit obligation).
De arbeidsrechtbank oordeelt dat de toegevoegde illustratie, die duidelijk naar het ABO-systeem verwijst en niet met de PBO-regeling te verwarren is, duidelijk maakt dat de vordering van de werknemer ongegrond is.
Arbrb. Gent 19 maart 2009, A.R. nr. 08/904/A, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
België : Actuariële berekeningsbasis van het aanvullend pensioen
Een werknemer vordert de betaling van bijkomende werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, omdat hij vindt dat zijn aanvullend pensioen moet berekend worden op een PBO-basis (projected benefit obligation).
De beëindigingovereenkomst met zijn werkgever voorziet dat “de verworven rechten zoals bepaald in het pensioenplan zullen worden berekend met inachtneming van de beëindigingdatum van 31 maart 2007 zelfs indien de partijen een vervroegde beëindigingdatum zouden overeenkomen. Het bedrag verbonden aan de verworven rechten en verworven voordelen zal op de dag van de beëindigingdatum worden berekend volgens de standaardprocedure. Een niet bindende illustratie, gebaseerd op heden geldende informatie, is aangehecht ter informatie.”
Volgens de werknemer wordt er met de verwijzing naar de standaardprocedure bedoeld dat hij kan genieten van de regeling toepasselijk bij verwerende partij in haar vestiging te Gent (PBObasis).
De werkgever stelt dat het systeem van de TBE te Brussel van toepassing is (ABO-basis – accured benefit obligation).
De arbeidsrechtbank oordeelt dat de toegevoegde illustratie, die duidelijk naar het ABO-systeem verwijst en niet met de PBO-regeling te verwarren is, duidelijk maakt dat de vordering van de werknemer ongegrond is.
Arbrb. Gent 19 maart 2009, A.R. nr. 08/904/A, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
De beëindigingovereenkomst met zijn werkgever voorziet dat “de verworven rechten zoals bepaald in het pensioenplan zullen worden berekend met inachtneming van de beëindigingdatum van 31 maart 2007 zelfs indien de partijen een vervroegde beëindigingdatum zouden overeenkomen. Het bedrag verbonden aan de verworven rechten en verworven voordelen zal op de dag van de beëindigingdatum worden berekend volgens de standaardprocedure. Een niet bindende illustratie, gebaseerd op heden geldende informatie, is aangehecht ter informatie.”
Volgens de werknemer wordt er met de verwijzing naar de standaardprocedure bedoeld dat hij kan genieten van de regeling toepasselijk bij verwerende partij in haar vestiging te Gent (PBObasis).
De werkgever stelt dat het systeem van de TBE te Brussel van toepassing is (ABO-basis – accured benefit obligation).
De arbeidsrechtbank oordeelt dat de toegevoegde illustratie, die duidelijk naar het ABO-systeem verwijst en niet met de PBO-regeling te verwarren is, duidelijk maakt dat de vordering van de werknemer ongegrond is.
Arbrb. Gent 19 maart 2009, A.R. nr. 08/904/A, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
België : Gelijke behandeling op vlak van aanvullende pensioenen bij bedrijfsovername
In het kader van een bedrijfsovername krijgen de werknemers de keuze om aangesloten te blijven bij het pensioenplan van het overgenomen bedrijf of om aan te sluiten bij het pensioenplan van de overnemer. Een werknemer die ervoor gekozen heeft om aangesloten te blijven bij het pensioenplan van het overgenomen bedrijf, stelt bij pensionering dat hij gediscrimineerd werd ten aanzien van een werknemer die gekozen heeft voor het pensioenplan van de overnemer.
Het arbeidshof oordeelt dat de vordering tegen de werkgever ontvankelijk is, omdat het de werkgever is die de aanvullende pensioenpremies zal moeten betalen in het geval de eventuele discriminatie weerhouden wordt.
De wet van 6 april 1995 inzake aanvullende pensioenen (wet Colla) is een bijzondere en latere wet in vergelijking met artikel 45 RSZ-wet van 27 juni 1969. Een onderscheid inzake aanvullende pensioenen moet dan ook enkel getoetst worden aan de wet Colla. Door de keuze te bieden voert de werkgever geen ongeoorloofd onderscheid in. Het onderscheid in behandeling is enkel het gevolg van de keuze van de betrokken werknemer.
Arbh. Brussel 24 maart 2009, A.R. nr. 47.304, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
Het arbeidshof oordeelt dat de vordering tegen de werkgever ontvankelijk is, omdat het de werkgever is die de aanvullende pensioenpremies zal moeten betalen in het geval de eventuele discriminatie weerhouden wordt.
De wet van 6 april 1995 inzake aanvullende pensioenen (wet Colla) is een bijzondere en latere wet in vergelijking met artikel 45 RSZ-wet van 27 juni 1969. Een onderscheid inzake aanvullende pensioenen moet dan ook enkel getoetst worden aan de wet Colla. Door de keuze te bieden voert de werkgever geen ongeoorloofd onderscheid in. Het onderscheid in behandeling is enkel het gevolg van de keuze van de betrokken werknemer.
Arbh. Brussel 24 maart 2009, A.R. nr. 47.304, ongepubl.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
Europa :Hof van Justitie: behoud van rechten werknemers bij overgang van onderneming
Het Italiaans burgerlijk wetboek bepaalt dat bij overgang van een onderneming de arbeidsverhouding wordt voortgezet met de verkrijger, en de werknemer al de uit die arbeidsverhouding voortvloeiende rechten behoudt.
Deze bepaling is niet van toepassing op ondernemingen die in moeilijkheden verkeren. Deze werknemers verliezen het recht op erkenning van hun anciënniteit, van hun financiële behandeling en van hun beroepskwalificaties alsook het recht op een ouderdomsuitkering dat voortvloeit uit het in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2001/23 bedoelde wettelijke socialezekerheidsstelsel. Zij verliezen tevens het recht op handhaving, gedurende ten minste één jaar, van de in collectieve arbeidsovereenkomsten vastgelegde arbeidsvoorwaarden, zoals is gewaarborgd in artikel 3, lid 3, van die richtlijn.
De Commissie stelt dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 2001/23 toestaat de leden 1 en 3 van dit artikel 3 niet toe te passen op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, die worden toegekend naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid, maar dat de lidstaten in dat geval de nodige maatregelen moeten vaststellen om de belangen van de werknemers te beschermen. Dit is niet het geval in de betrokken Italiaanse wettelijke regeling.
De Italiaanse Republiek komt de krachtens de richtlijn 2001/23/EG op haar rustende verplichtingen niet na.
HvJ 11 juni 2009, C-561/07.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
Deze bepaling is niet van toepassing op ondernemingen die in moeilijkheden verkeren. Deze werknemers verliezen het recht op erkenning van hun anciënniteit, van hun financiële behandeling en van hun beroepskwalificaties alsook het recht op een ouderdomsuitkering dat voortvloeit uit het in artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2001/23 bedoelde wettelijke socialezekerheidsstelsel. Zij verliezen tevens het recht op handhaving, gedurende ten minste één jaar, van de in collectieve arbeidsovereenkomsten vastgelegde arbeidsvoorwaarden, zoals is gewaarborgd in artikel 3, lid 3, van die richtlijn.
De Commissie stelt dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 2001/23 toestaat de leden 1 en 3 van dit artikel 3 niet toe te passen op ouderdomsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, die worden toegekend naast de wettelijke stelsels van sociale zekerheid, maar dat de lidstaten in dat geval de nodige maatregelen moeten vaststellen om de belangen van de werknemers te beschermen. Dit is niet het geval in de betrokken Italiaanse wettelijke regeling.
De Italiaanse Republiek komt de krachtens de richtlijn 2001/23/EG op haar rustende verplichtingen niet na.
HvJ 11 juni 2009, C-561/07.
Bron: Leergang Pensioenrecht 2008-2009, nr. 6, 6 juli 2009
Abonneren op:
Posts (Atom)
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :