Posts tonen met het label eerste pijler. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eerste pijler. Alle posts tonen

donderdag 10 januari 2013

Fouten en misverstanden over uw pensioen

Is Wouter De Vriendt zopas teruggeflitst uit de jaren 1950, vraagt vicepremier en minister van Pensioenen Alexander De Croo (Open Vld) zich af.

Pensioensparen zal ons pensioen niet redden. Dat is de boodschap van Groen-parlementslid Wouter De Vriendt op deze opiniepagina's (DM 9/1). In één beweging zet hij het pensioensparen, groepsverzekeringen en pensioenfondsen weg als risicovolle vehikels die je beter mijdt. Het wettelijke pensioen of de eerste pijler biedt dan weer absolute zekerheid. Deze voorstelling van feiten is manifest fout.

Door de demografische evolutie komt ons wettelijke pensioen onder druk te staan. Het antwoord is niet meer geld pompen in slechts één pijler, maar wel de vier pensioenpijlers versterken.

Vervolg



dinsdag 3 augustus 2010

Oorlog tussen generaties van start

De organisaties van de huidige gepensioneerden zijn tegen de fiscale voordelen voor wie nu spaart voor zijn pensioen later.

De oorlog tussen de generaties kan van start gaan. Het Raadgevend Comité voor de Pensioenen loste gisteren het eerste schot. Dat comité bestaat uit 40 gepensioneerdenorganisaties (20 Franstalige en 20 Nederlandstalige). Het vraagt dat de volgende regering alle fiscale voordelen schrapt voor het individueel pensioensparen (‘derde pijler') en voor de aanvullende pensioenen die werkgevers en werknemers opbouwen per bedrijf of bedrijfstak (‘tweede pijler').

Er gaat veel geld naar wie zelf spaart voor zijn pensioen van morgen, terwijl het (weinige) geld dat de overheid heeft voor pensioenen, naar de wettelijke pensioenen (eerste pijler) van vandaag zou moeten gaan, luidt het.

In de eerste plaats moet dat geld gaan naar de laagste wettelijke pensioenen die zelfs onder de Europese armoedegrens liggen. Daarna moet het gaan naar álle wettelijke pensioenen. Die moeten immers regelmatig worden aangepast aan de welvaartsevolutie, wil men niet dat ze straks ook onder de armoedegrens vallen, luidt de redenering. Temeer daar vooral degenen die al een goed wettelijk pensioen hebben, profiteren van die tweede- en derdepijlerpensioenen, klinkt het nog.

Het zijn eisen die al enige tijd circuleren in een aantal ‘sociale' organisaties, maar die nu formeel op de tafel gelegd worden door alle organisaties die de huidige gepensioneerden vertegenwoordigen.

De eisenbundel plaatst degenen die al op pensioen zijn, tegenover de jongeren die ‘zelf sparen voor hun pensioen van morgen'.

Of die mening gedeeld wordt door de ‘bevriende organisaties' van de gepensioneerdenbonden, de vakbonden dus, is niet zeker. Die vertegenwoordigen degenen die verliezen bij die eis: de actieven, de nog-niet-gepensioneerden.

De bonden hebben zich al wel negatief uitgelaten over de fiscale aftrekken voor de het individueel pensioensparen (derde pijler), maar nog niet unisono over de aanvullende bedrijfspensioenen (tweede pijler) die zij mee beheren.

Michel Jadot, de expert van de PS die de pensioenconferentie van de vorige regering moest voorbereiden – en die uiteindelijk in de plaats daarvan het Groenboek Pensioenen schreef voor aftredend pensioenminister Michel Daerden (PS) – stelde ook ooit de schrapping van deze fiscale aftrekken voor, maar schroefde dit snel terug. Hij stelde uiteindelijk alleen voor de fiscale aftrek voor de derde pijler, het individuele pensioensparen, niet meer te indexeren.

Raadgevend Comité voor pensioensector hamert op eerste pijler

Het behoud en de uitbouw van het wettelijke pensioenstelsel (zogenaamde eerste pijler) moet absolute voorrang krijgen in het pensioenbeleid van de nieuwe regering. Dat heeft het Raadgevend Comité voor de pensioensector maandag geadviseerd aan de volgende regering.


Voor het Comité kan de uitbreiding van de tweede pijler geen oplossing bieden voor een ontoereikende eerste pijler. Het Comité verwijst naar de verschillende ongelijkheden binnen de tweede pijler en de onzekerheden. De recente beurscrisissen bijvoorbeeld hebben tot verliezen geleid. Het Comité beklemtoont dat gepensioneerden recht hebben op "een pensioen dat hen toelaat te leven zonder voelbaar verschil ten opzichte van de levensstandaard tijdens hun actieve leven". Het Comité eist voorts dat de inhaalbeweging van de laagste en oudste pensioenen wordt voortgezet. Het Comité pleit voor een minimumpensioen dat gelijk is aan het minimumloon en voor de eenvormige verankering van de pensioenbonus vanaf de leeftijd van zestig jaar. Tenslotte dringt het Comité ook aan op een progressieve afbouw van de belastingverminderingen en -vrijstellingen voor de verschillende vormen van aanvullende pensioenen. Die zorgen immers voor minder inkomsten voor de begroting en de sociale zekerheid.

donderdag 29 april 2010

De Belgische eerstepijlerpensioenen aan de vooravond van de vergrijzing: doorlichting van bedragen, gerechtigden en adequaatheid

Aan de vooravond van de vergrijzing, met de naoorlogse babyboomgeneratie die de pensioenleeftijd bereikt en dit in een context van toenemende levensverwachting, is het politiek en maatschappelijk debat over de toekomst van de pensioenen volop aan de gang. In dat kader is het interessant om het huidige wettelijke pensioensysteem in kaart te brengen. Deze paper wil daaraan tegemoetkomen en stelt een analyse voor van de Belgische eerstepijlerpensioenen op basis van statistieken over de uitbetaalde pensioenen. Er worden geen andere inkomens (zoals tweede- en derdepensioenpijler) van de gepensioneerden, noch van personen waarmee ze samenwonen, geanalyseerd en er wordt dus ook niet beoogd uitspraken te doen over de levensstandaard van gepensioneerden.
De Belgische eerstepijlerpensioenen aan de vooravond van de vergrijzing: doorlichting van bedragen, gerecht...

donderdag 4 maart 2010

Mia De Vits : "Eerste pensioenpijler is fundamenteel"

Haar parcours in de socialistische partij is de laatste tijd meer dan hobbelig, en in wezen is ze nog altijd een vakbondsvrouw. Knack interviewde Mia De Vits over de ontslaggolf, de toekomst van onze pensioenen en het belang van Frank Vandenbroucke.

MIA DE VITS: Ik kan het heel goed begrijpen dat steeds meer mensen zich zorgen maken over hun pensioen. Onze pensioenen maken een steeds kleiner deel van het vroegere inkomen goed. Vandaag is die zogenaamde vervangingsratio zelfs erg laag in vergelijking met andere Europese landen. Als mensen met pensioen gaan, moeten ze het dus vaak van de ene dag op de andere met een veel lager inkomen doen. Het is dan ook niet vreemd dat veel senioren in de armoede terechtkomen. Sommigen kunnen alleen het hoofd boven water houden omdat ze een eigen huisje hebben en dus geen huur hoeven te betalen. Geen wonder dat veel Belgen hun vertrouwen in ons pensioenstelsel kwijt zijn en weinig zin hebben om zelf nog solidair te zijn. We moeten de huidige wettelijke pensioenen dus wel optrekken. Want mensen zijn best bereid om solidair te zijn, maar dan moeten ze een groter deel van hun bijdragen terugzien in hun pensioen.

Wie moet voor die hogere pensioenen opdraaien?

DE VITS: Het ABVV vindt het aanvaardbaar dat de werknemers een stuk meer zouden moeten bijdragen om de wettelijke pensioenen, de zogenaamde eerste pensioenpijler, te versterken. Maar dan wel op voorwaarde dat ook het bedrijfsleven en de overheid grote inspanningen leveren. Voor een vakbond is het heel moedig om zo'n stelling in te nemen, want dat heeft onvermijdelijk ook gevolgen voor loononderhandelingen: als men een deel van de middelen solidariseert om voor de pensioenen te gebruiken, krijgen de werknemers die op korte termijn natuurlijk niet in hun laatje.

U trekt de kaart van de eerste pensioenpijler?

DE VITS: Die blijft voor mij fundamenteel. We moeten koste wat het kost vermijden dat de eerste pensioenpijler terugvalt tot een minimumniveau en op de duur hoogstens nog een basispensioen of gewaarborgd inkomen is. Want dat is het gevaar als men alles inzet op een uitbreiding van de tweede pensioenpijler, het aanvullende pensioen dat via de werkgever wordt opgebouwd. Als federaal minister van Sociale Zaken is Frank Vandenbroucke destijds de juiste weg ingeslagen. Enerzijds wou hij die eerste pijler versterken. Anderzijds wou hij de tweede pijler democratiseren, zodat die niet meer louter voor kaderfuncties en hogere bedienden voorbehouden zou zijn.

In het pensioenplan dat uw partij onlangs voorstelde, wordt vooral op de tweede pijler gefocust.

DE VITS: Het is dan ook belangrijk dat we onderzoeken hoe de tweede pijler in de toekomst verplicht kan worden gemaakt voor alle werknemers. Dat debat moet zeker worden gevoerd.

Waar moet het geld dan vandaan komen? Volgens Frank Vandenbroucke zullen er strategische keuzes moeten worden gemaakt om de vergrijzing te kunnen betalen, ook op het vlak van het sociale beleid.

DE VITS: Voor we in onze uitgaven gaan snoeien, zouden we beter eerst naar het fiscale beleid kijken. Om te beginnen zitten we opgescheept met een Federale Overheidsdienst Financiën die totaal niet in staat is om de belastingen correct te innen of de fraude aan te pakken. Zolang dat niet lukt, kunnen we moeilijk extra geld vragen van de mensen die hun belastingen wel netjes betalen. Iederéén moet een bijdrage leveren.

Er zal toch ook aan de uitgavenzijde moeten worden ingegrepen?

DE VITS: Ja, maar we moeten met de inkomsten beginnen. Ik vind het al te gemakkelijk om nu bijvoorbeeld te scanderen dat we het aantal ambtenaren moeten verminderen. Waar zouden we vandaag gestaan hebben zonder overheidstewerkstelling of gesubsidieerde banen?

Wat vindt u eigenlijk van het werkstuk Strategische keuzes voor een sociaal beleid van Frank Vandenbroucke?

DE VITS: (denkt na) Ik ben het niet op elk punt met hem eens, maar hij legt zeker thema's en oplossingen op tafel waarover een debat moet worden gevoerd, zoals de toekomst van onze welvaartsstaat, sociale zekerheid, pensioenen en gezondheidszorg.

De SP.A-top heeft het essay ijzig onthaald. Lag dat aan de timing, aan de inhoud of aan de auteur?

DE VITS: Dat moet u de voorzitster van onze partij vragen. In elk geval geloof ik niet dat Frank met zijn ideeën naar buiten is gekomen om zich in partijdiscussies te mengen of om zijn eigen comeback voor te bereiden. Hij heeft die tekst geschreven in het kader van een onderzoeksproject van de Antwerpse universiteit. Punt. Onze partij heeft trouwens nood aan inbreng uit verschillende hoeken, en dus is ook het denkwerk van Frank Vandenbroucke welkom.

dinsdag 12 januari 2010

Wettelijke pensioenen

In het Belgische systeem van wettelijke pensioenen is er het rustpensioen en het overlevingspensioen. Het rustpensioen is het pensioen waarop men recht heeft op basis van de eigen beroepsloopbaan. Het overlevingspensioen is het pensioen dat men kan verkrijgen op basis van de loopbaan van een overleden echtgenoot of echtgenote. Dat pensioen mag niet verward worden met de IGO, de inkomensgarantie voor ouderen, een voorziening van financiële hulp voor ouderen die niet over voldoende financiële middelen beschikken, vanaf de leeftijd van 65 jaar.


Rustpensioen
Sinds 1 januari 2009 ligt de pensioengerechtigde leeftijd in België op 65 jaar, zowel voor mannen als voor vrouwen. Het rustpensioen begint dus ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin men 65 jaar wordt.



Sinds 1 januari 1991 kunnen werknemers met een voldoende lange loopbaan vervroegd met pensioen gaan, dat wil zeggen ten vroegste de maand na hun 60ste verjaardag. Voorwaarde is wel dat de werknemer een loopbaan van 35 kalenderjaren kan bewijzen waarmee die werknemer recht kan krijgen op om het even welke Belgische wettelijke pensioenregeling.



Om op de leeftijd van 65 jaar recht te hebben op een volledig pensioen moet men een loopbaan van 45 jaar kunnen aantonen (sommige jaren worden gelijkgesteld met loopbaanjaren, bijvoorbeeld de jaren van ongewilde werkloosheid, van halftijds of voltijds conventioneel brugpensioen, van beroepsopleiding, van zwangerschapsverlof, enz.). Kan de werknemer geen loopbaan van 45 jaar aantonen, dan wordt het pensioengedeelte berekend (aantal loopbaanjaren / 45). Iemand met een gemengde loopbaan krijgt in principe een pensioen in elke regeling. Elk rustpensioen wordt uitgedrukt in het gedeelte dat de loopbaan in elke regeling in kwestie vertegenwoordigt. De som van die verschillende gedeelten mag niet meer dan 45/45ste bedragen. Is de som toch groter dan die eenheid van 45/45ste, dan zal het zelfstandigenpensioen als eerste verminderd worden. Wordt die eenheid dan nog altijd overschreden, dan wordt het werknemerspensioen verminderd.



Bruggepensioneerden mogen bovenop hun pensioen een beroepsactiviteit uitoefenen, op voorwaarde dat ze die vooraf altijd aangeven en dat ze met die activiteit niet boven bepaalde inkomsten gaan.



De begunstigde van het rustpensioen mag tot slot geen sociale uitkeringen krijgen bovenop zijn pensioen (geen samenvoeging met werkloosheidsuitkering, ziekte-uitkering of invaliditeitsuitkering bijvoorbeeld). Ontvangt de gepensioneerde een sociale uitkering, al was het maar voor één dag, dan wordt het rustpensioen voor heel de maand geschorst, behalve indien de gepensioneerde de uitkering weigert.



Overlevingspensioen
Om een overlevingspensioen te kunnen ontvangen, moet men 45 jaar zijn, ten minste één jaar getrouwd geweest zijn met de overledene en mag men niet hertrouwd zijn, op straffe van schorsing van het overlevingspensioen.



Die leeftijd van 45 jaar is niet vereist voor echtgenoten van zelfstandigen of loontrekkende werknemers die een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% hebben of die ten minste één kind ten laste hebben. Ook de voorwaarde om een jaar getrouwd geweest te zijn met de overledene is niet vereist indien uit dat huwelijk een kind is geboren (zelfs nadat de echtgenoot overleden is), indien het overlijden te wijten is aan een ongeval ná de huwelijksdatum of indien de oorzaak van de verslechtering van de ziekte zich ná de huwelijksdatum voordoet, of ook indien één van beide echtgenoten kinderbijslag kreeg voor een kind ten laste.



In tegenstelling tot bij het rustpensioen kan een gepensioneerde gedurende twaalf (al dan niet opeenvolgende) maanden sociale uitkeringen krijgen bovenop het overlevingspensioen. Gedurende die twaalf maanden wordt het overlevingspensioen dan wel beperkt tot de IGO.

maandag 11 januari 2010

De 4 pijlers van ons pensioen

Het Belgische pensioenstelsel bestaat uit 4 pijlers: het wettelijk pensioen, het aanvullend pensioen, de individuele regeling (pensioensparen) en de niet-fiscale regeling (eigen vermogen). Laat ons even deze 4 pijlers belichten.

Eerste pijler: de wettelijke regeling
Ons rustpensioen of ons overlevingspensioen is het pensioen waar we recht op hebben op basis van ons inkomen, onze loopbaan en ons statuut van loontrekkende werknemer, zelfstandige of ambtenaar. Als gevolg van de vergrijzing van de bevolking blijft het bijzonder moeilijk die pensioenen te financieren. Ondanks het Zilverfonds en andere maatregelen blijft de overheid het moeilijk hebben om de pensioenen te financieren. Daarom moedigt de regering persoonlijke initiatieven aan.

Tweede pijler: het aanvullend pensioen
Extralegale pensioenen zijn de groepsverzekeringen, het vrij aanvullend pensioen (VAP) en het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen, en de individuele pensioentoezeggingen, met interne of externe financiering.

De werkgever sluit hier een arbeidsovereenkomst die voorziet in een jaarlijkse storting van een aanvullende pensioenbijdrage voor de werknemers. De door de werkgever gestorte premies kunnen worden aangevuld met een bijdrage van de werknemers, die op die manier een aanvullend vermogen kunnen aanleggen. Er is een langetermijnvisie nodig, want de pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar) kan soms nog heel veraf lijken.

Derde pijler: de individuele regeling
Wanneer volledig gebruik gemaakt is van de tweede pijler of wanneer die alleen in bepaalde mate beschikbaar is, kan men zijn spaargeld voor de oude dag altijd fiscaal inzetten. De derde pijler is wat men gewoonlijk het pensioensparen noemt. Daarin bestaan de individuele levensverzekering, de pensioenspaarverzekering en het pensioenspaarfonds.

Vierde pijler: de niet-fiscale regeling – een zelf aangelegd vermogen
De pijler van de niet-fiscale regeling wordt gevormd door de inspanningen die mensen persoonlijk leveren om zelf een vermogen aan te leggen dat ze later zullen kunnen aanspreken. Het gaat dan bijvoorbeeld om de aankoop van een tweede verblijf, eigendommen om huurinkomsten uit te halen, de waarde van de eigen onderneming, een aandelenoptieplan (indien men in een multinational werkt, de spaarrekening, een effectenportefeuille met aandelen en obligaties, enz. Voor zelfstandigen is hun onderneming vaak de voornaamste bron van inkomsten nadat ze met pensioen zijn gegaan. Een tweede verblijf dat verkocht wordt op het ogenblik dat men met pensioen gaat, is nog zo’n grote bron van inkomsten.

vrijdag 22 februari 2008

Toegelaten beroepsinkomsten gepensioneerden voor 2008

Een gepensioneerde mag nog beroepsactiviteiten uitoefenen indien hij voldoet aan twee voorwaarden : hij moet de uitoefening van zijn beroepsactiviteit vooraf aangeven bij de Rijksdienst voor Pensioenen en zijn beroepsinkomsten mogen bepaalde grenzen niet overschrijden.

De werkgever die een gepensioneerde tewerkstelt, moet hiervan ook een melding doen bij de Rijksdienst voor Pensioenen.

Tot op heden is er nog geen beslissing genomen omtrent de verhoging van de bedragen van het toegestane inkomen. Voor 2008 baseren we ons dus nog steeds op de maximumbedragen die voor 2007 van toepassing waren.

Hieronder vindt u een overzicht van de bedragen.
1. Gepensioneerden met een rustpensioen of met een rust- en overlevingspensioen
jonger dan wettelijke pensioenleeftijd:
zonder kinderlast: € 7 421,57
met kinderlast: € 11 132,37

ouder dan wettelijke pensioenleeftijd:
zonder kinderlast: € 17 149,20
met kinderlast: € 20 860,00

2. Gepensioneerden met (uitsluitend) een overlevingspensioen
jonger dan wettelijke pensioenleeftijd:
zonder kinderlast: € 16 000,00
met kinderlast: € 20 000,00

ouder dan wettelijke pensioenleeftijd:
zonder kinderlast: € 17 149,20
met kinderlast: € 20 860,00

Als de beroepsinkomsten het toegelaten bedrag met minder dan 15% overschrijden, wordt het pensioen proportioneel verminderd, in verhouding tot de overschrijding van de toegelaten inkomensgrenzen. Indien de grenzen met 15% en meer worden overschreden, wordt het pensioen integraal geschorst.

zaterdag 29 december 2007

Pensioendossier : de ondraaglijke lichtheid van kritiek

In zijn opiniebijdrage van zaterdag 22 december brengt Gilbert De Swert kritiek uit op de publicatie door de FOD Sociale zekerheid van een eerste working paper waarin wij de wettelijke pensioenen eindelijk in kaart konden brengen. De inhoudelijke kritiek die hij daarbij formuleert, onderschrijven wij, namelijk dat dit onderzoek de pensioensgegevens nog niet weet te interpreteren in het licht van de loopbaan die eraan is voorafgegaan en van de huishoudcontext van de gepensioneerde. Met het oog op verklarende analyses trachten wij momenteel om juist die variabelen in rekening te brengen. Bovendien werken wij aan analyses over de combinatie van eerste- met tweedepijlerpensioenen.


Onze working paper geeft een eerste beschrijving van de wettelijke pensioenen en heeft dan ook niet de pretentie om ultieme verklaringen te bieden voor de gevonden verschillen. Dat hij toch al zoveel stof doet opwaaien, getuigt van het grote gebrek aan degelijke informatie terzake. Wij hadden veeleer verwacht dat Gilbert De Swert het zou toegejuicht hebben dat dit onderzoek eindelijk is kunnen beginnen. Maar hij mag gerust zijn: hij wordt op zijn wenken bediend, al weet hij zelf dat het in ons land heel wat tijd vraagt vooraleer degelijke data toegankelijk worden. Ondertussen moet hij oppassen voor de ondraaglijke lichtheid van zijn kritiek.

Jos Berghman

zaterdag 22 december 2007

De ondraaglijke lichtheid van pensioenonderzoek

Gilbert De Swert maakt brandhout van het onderzoek naar het gemiddelde pensioen. 'In dit pensioenonderzoek zijn bij de conclusies denken en onderzoeken niet eens begonnen.'

De gemiddelde gepensioneerde kreeg in 2004 992 euro per maand aan wettelijk pensioen. Een gemiddeld rustpensioen was toen 1.170 euro, een gemiddeld overlevingspensioen 955 euro en een gemiddeld gewaarborgd inkomen voor bejaarden 631 euro. Een gepensioneerde ambtenaar kreeg gemiddeld 2.122 euro, een gepensioneerde werknemer 925 euro en een gepensioneerde zelfstandige 493 euro (DS 21 december). Berekeningen van de Leuvense professor Jos Berghman en zijn medewerkers, in opdracht van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid. Al die berekeningen zijn juist. Toch hebben ze geen enkele betekenis. Omdat het gemiddelden zijn.

In een beek van gemiddeld één meter diep kun je makkelijk verdrinken. Die boutade van Godfried Bomans over gemiddelden is nergens toepasselijker dan in pensioenen. Gemiddelde pensioenbedragen zijn geen 'nuttige synthesemaat' zoals Berghman en co. beweren, ze zijn betekenisloos, erger nog, ze zijn misleidend.

Ze zijn betekenisloos om meerdere redenen. De voornaamste reden is dat zo'n gemiddelden niet alleen lagere en hogere lonen, niet alleen voltijdse en deeltijdse arbeidsperiodes, maar ook, en vooral, lange en korte loopbanen omvatten. Bijvoorbeeld de kleine pensioenen van vrouwen die vroeger een beperkt aantal jaren gewerkt hebben (tot ze trouwden of kinderen kregen). Andere reden: de geleidelijke overgang van gezinspensioenen naar pensioenen van alleenstaanden. Vroeger kreeg doorgaans de man een gezinspensioen (als werknemer: 75 procent van zijn gemiddeld loon gedurende zijn loopbaan). Nu krijgen steeds vaker man en vrouw hun eigen pensioen (als werknemer: elk 60 procent van hun gemiddeld loon). Reken uit: dit gezin ontvangt 120 in plaats van 75 procent, maar hun gemiddeld pensioen is wel verlaagd van 75 tot 60 procent. Derde reden: de geciteerde gemiddelden verrekenen niet de gemengde loopbanen. Een zinvol onderzoek zou nagaan welke weerslag de loopbaanduur heeft op het pensioenbedrag, en zou tenminste narekenen wat het (gemiddeld) pensioen is van wie een vergelijkbare loopbaan heeft. Dat is niet gebeurd.

Gemiddelde pensioenbedragen zijn niet alleen loos, ze zijn ook boos. Kijk naar de krantenkoppen over dit onderzoek: 'Vlamingen krijgen tot 8 procent minder pensioen dan Walen en Brusselaars' (De Tijd), 'Vlaams pensioen het laagst' (De Standaard), 'Vlaming minder pensioen dan Waal' (Knack). Prikkelberichten die nergens op slaan zolang niet minimaal geweten is hoe en waarom die gemiddelden verschillen. Meer ambtenaren in Wallonië? Minder zelfstandigen in Brussel en Wallonië? Meer vrouwen met korte loopbanen in Vlaanderen? Waarschijnlijk alle drie, maar meest nog het laatste. Een waardevol onderzoek zou dat natrekken. Dat is niet gebeurd.

Pensioengemiddelden zijn niet alleen zinledig, ze werken ook zinsverbijsterend. Die gemiddelden bevestigen immers het beeld van lage wettelijke pensioenen (in de privé-sector). Want wie geeft zich rekenschap als hij die bedragen ziet, dat ze waardeloos zijn, dat ze korte en lange loopbanen, gezins- en alleenstaandenpensioenen op een hoop gooien? Het algemeen gemiddelde van 992 euro bevat ook nog eens het gewaarborgd inkomen (de inkomensgarantie voor ouderen). Dat is bijstand, geen pensioen.

Nochtans zijn de wettelijke pensioenen minder slecht dan algemeen gedacht wordt. Als enkel naar de normale loopbanen zou gekeken worden. Als ook op de ontdubbeling van gezinspensioenen zou gelet worden. En als ook nog netto zou geteld worden - belastingvermindering maakt dat voor veel wettelijke pensioenen bruto (bijna) netto is. Ondraaglijke lichtheid van de wettelijke pensioenen? Misschien. Ondraaglijke lichtheid van het pensioenonderzoek? Alleszins.

Elk betekenisvol pensioenonderzoek zou op z'n minst de factor loopbaan moeten meewegen. Dat is hier niet gebeurd. De Leuvense onderzoekers voeren in hun besluiten enkel gemiddelde bedragen op. Die zijn wel heel makkelijk te berekenen aan de hand van het pensioenkadaster van alle uitbetaalde pensioenen. De 'wet van onderzoek' luidt dat besluiten het moment zijn waarop denken en onderzoeken moe geworden zijn. Die wet geldt allicht voor het gemiddelde onderzoek. In dit pensioenonderzoek zijn bij de conclusies denken en onderzoeken niet eens begonnen.

Gilbert De Swert is voormalig hoofd van de ACV-studiedienst

vrijdag 21 december 2007

Pensioen opnieuw iets meer waard

Het gemiddelde pensioen bedraagt volgend jaar 32,3 procent van het gemiddelde loon. Dat is het hoogste percentage in tien jaar.

De stijging van de (relatieve) waarde van het Belgische pensioen blijkt uit een analyse van het Federaal Planbureau over de 'vervangingsratio van de sociale uitkeringen'.

Die vervangingsratio geeft de waarde weer (in procenten) van een uitkering, zoals het pensioen of de werkloosheidsvergoeding, tegenover het gemiddelde brutoloon. Anders geformuleerd: welk percentage houdt een werknemer gemiddeld over als hij met pensioen gaat, ziek wordt of zijn werk verliest?

De berekening van het Planbureau voor het jaar 2008 werd gisteren bekendgemaakt door de studiedienst van de socialistische vakbond ABVV.

Volgens het Planbureau zal het gemiddelde Belgische pensioen volgend jaar 32,3 procent van het gemiddelde brutoloon waard zijn. Hierbij gaat het alleen om het wettelijk pensioenbedrag. Aanvullende pensioeninkomsten uit groepsverzekering of pensioensparen zijn niet meegeteld.

Met een waarde van bijna een derde van het gemiddelde loon scoort het pensioen in 2008 een stuk beter dan in de voorgaande jaren. In het jaar 2000 was het pensioen amper 30,7 procent van het loongemiddelde waard. Dat was het dieptepunt van de vervangingsratio. Twee jaar geleden, in 2005, was er sprake van een stijging tot 31,7 procent. Dit jaar gaat het om 31,8 procent. Die stijgende trend zet volgend jaar dus door.

Maar het kan nog beter. In 1980 was het Belgische werknemerspensioen 35,5 procent waard van het toenmalige loon. Die verhouding is nu nog niet opnieuw bereikt, maar het ABVV hoopt wel dat de relatieve daling van het pensioeninkomen uit de jaren tachtig en negentig 'nu eindelijk gestopt is'.

Jef Maes van de ABVV-studiedienst verwijst als verklaring voor de gestegen waarde van het pensioen naar de recente welvaartsaanpassing van de laagste en oudste pensioenen.

Uit een studie van de Leuvense professor Jos Berghman blijkt dat het gemiddelde (wettelijk) pensioenbedrag voor mannelijke werknemers op 1.188 euro per maand ligt. Voor vrouwen gaat het om 830 euro. Voor mannen en vrouwen samen geeft dat gemiddeld 992 euro.

Het pensioenbedrag varieert niet alleen sterk tussen mannen en vrouwen, maar ook naargelang van de beroepsloopbaan (volledige carrière of niet), statuut (ambtenaar, werknemer of zelfstandige), de gezinssituatie en de leeftijd ('oud' versus 'jong' pensioen). Zo krijgt een ambtenaar gemiddeld 2.112 euro rustpensioen, tegen 493 euro voor een zelfstandige en 925 euro voor een werknemer uit de privésector.

vrijdag 30 november 2007

VBO geeft aanzet tot betere en betaalbare pensioenen in België

Het VBO wil het debat aantrekken over hoe we de pensioenen voor de toekomst kunnen veiligstellen. Veel Belgen vinden hun wettelijk pensioen ontoereikend. 60% van de gepensioneerden is aangewezen op een maandelijks pensioen van minder dan 1.000 euro; in heel wat gevallen is dit het gevolg van een onvolledige loopbaan. Ook de mate waarin het wettelijk pensioen het loon vervangt is een belangrijke indicator. Terwijl deze vervangingsgraad (na heffingen en belastingen) voor een gemiddeld loon slechts 63% is, bedraagt die voor het dubbele van een gemiddeld loon nog amper 40%. Hiermee is de verzekeringslogica van het pensioenstelsel verder weg dan ooit.
Werkgevers dragen, via de betaling van sociale bijdragen op de lonen en via de uitbouw van aanvullende pensioenen, in belangrijke mate bij tot de financiering van het werknemerspensioen. Arbeid nog meer belasten in een land met zowat de hoogste loonkosten ter wereld is echt geen optie.


Pensioenhervorming onvermijdelijk
De verhouding tussen inactieve personen en beroepsactieve personen (ongeveer 1 nu en over een twintigtal jaren 1,2) zal verder verslechteren en de periode dat mensen met pensioen zijn (nu gemiddeld 17 jaren en tegen 2050 wellicht 24 jaren) wordt steeds langer. In het licht hiervan wil het VBO met open vizier het onvermijdelijk debat over een grondige hervorming van ons pensioensysteem aangaan. Het heeft dan ook enkele deskundigen uitgenodigd voor een seminar dat het vandaag met de steun van Assuralia heeft georganiseerd. Meer rekening houden met de toegenomen levensverwachting (zoals in Zweden), meer aandacht voor een toereikend pensioen tijdens de hele uitbetalingsduur, meer pensioensparen, een aantrekkelijker (pensioen)renteverzekering: het zijn topics die tijdens het VBO-seminar aan bod zijn gekomen.

Pistes voor een hervorming
Een algemene en omvangrijke verhoging van de wettelijke pensioenen is onbetaalbaar. Gerichte welvaartsaanpassingen, zoals de sociale partners hebben bepleit in hun unaniem advies van september 2006, is dus de boodschap. Voor een diepgaander hervorming kan de Zweedse aanpak model staan: bovenop een basispensioen komt een individuele pensioenrekening waarvan het fictieve kapitaal wordt omgezet in een rente op basis van de levensverwachting bij pensionering. Dankzij de invoering van een individuele rekening kan men immers het verzekeringskarakter van het wettelijk pensioen versterken.
De verdere uitbouw van het aanvullend werknemerspensioen is een tweede piste, maar dan dringt een verregaande vereenvoudiging van de desbetreffende wetgeving zich op. De overheid moet ook het individueel pensioensparen verder aanmoedigen. Meer mensen aan het werk krijgen en langer aan de slag houden is een ander noodzakelijk beleidsspoor. Het generatiepact is in dat opzicht voor het VBO slechts een eerste stap. Tot slot moet de regering haar engagementen op begrotingsvlak via de opbouw van steeds grotere overschotten nauwgezet nakomen. De tijd verloren door de aanslepende regeringsonderhandelingen belooft in dat verband alvast weinig goeds.

woensdag 21 november 2007

Vakbonden woedend over aanval op pensioenen

De vakbonden zijn furieus na het pleidooi van Rudi Thomaes, gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO), om te besparen op de pensioenen.

"Dit is nog maar eens een liberale aanval op de minst bedeelden. Het is echt gedurfd om de meest kwetsbaren aan te vallen, onder wie vooral vrouwen die periodes doormaken in hun carrière waarin ze niet werken", liet Anne Demelenne, algemeen secretaris van de ABVV, weten.

De Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten (FCSOD) is eveneens misnoegd over de uitspraak van Thomaes.

De oproep van het VBO volgde dinsdag op enkele alarmerende rapporten van de Hoge Raad van Financiën (HRF). Die becijferde dat er de komende jaren miljarden zullen moeten worden gevonden om de kosten van de vergrijzing te financieren.

Werkgevers zetten aanval in op pensioenen

"We gaan barre tijden beleven als we enkel besparen in domeinen die niets met de vergrijzing te maken hebben", waarschuwt gedelegeerd bestuurder Rudi Thomaes van het Vlaams Verbond van Ondernemingen (VBO).

Hoewel het nog weken zo niet maanden kan duren voordat er een nieuwe federale regering op de been wordt gebracht, vraagt het VBO nu al aan een toekomstige regeringscoalitie in de Wetstraat om te kijken hoe de kosten van de vergrijzing in de hand gehouden kunnen worden.

De werkgeversorganisatie vraagt met aandrang om de pensioenuitgaven onder controle te houden. "Net zoals we de uitgaven voor gezondheidszorg onder de 3 procent moeten houden, moeten we kijken naar de pensioenen. Er mogen geen taboes meer zijn", zegt VBO-bestuurder Thomaes.

De oproep van de grootste werkgeversorganisatie van het land volgt op enkele alarmerende rapporten van de Hoge Raad van Financiën (HRF). Die becijferde dat er de komende jaren miljarden zullen moeten worden gevonden om de kosten van de vergrijzing te financieren. Budgettair vertaald: de komende federale regering moet over vier jaar een overschot van 1,1 procent op haar begroting realiseren.

Hoge pensioenen krijgen hoge aanvulling

Werknemers met een hoog wettelijk pensioen hebben vaak ook een hoog aanvullend pensioen. Het omgekeerde geldt voor de lage pensioenen, zo blijkt uit een studie van de Katholieke Universiteit van Leuven. Dat berichten De Standaard en de VRT-nieuwsredactie.

De pensioenen in ons land zijn erg ongelijk verdeeld. Zo zijn de hoogste 20 procent van de pensioenen gemiddeld 16 keer groter dan de laagste 20 procent. Voor elke euro die iemand met een laag pensioen krijgt, krijgt iemand met een hoog pensioen er dus 16.

Die ongelijkheid zet zich ook voort in de aanvullende pensioenen, aldus de conclusie van de studie. Werknemers kunnen een aanvullend pensioen opbouwen via hun bedrijf, bijvoorbeeld door een groepsverzekering. Ook die aanvullende pensioenen zijn ongelijk verdeeld.

Wie een laag pensioen heeft, heeft vaak geen of een zeer klein aanvullend pensioen kunnen opbouwen via het werk. Wie veel verdiend heeft en dus een hoog pensioen krijgt, heeft ook meestal een groter aanvullend pensioen kunnen opbouwen.

De hoogste wettelijke pensioenen krijgen er gemiddeld nog eens 1.000 euro per maand bij. Voor de laagste pensioenen gaat het om zowat 200 euro per maand.

woensdag 14 november 2007

Huidig pensioenstelsel nekt middenklasse

Blijft u werknemer of wordt u best zelfstandige? Trends rekende voor u uit welke keuze u het beste pensioen oplevert. De resultaten zijn onthutsend.

Wat is het loonniveau waarop de bijdragen voor het wettelijk pensioen meer opbrengen als ze in een privé-verzekering worden gestopt? Trends maakte een aantal berekeningen en kwam tot het omslagpunt. Dit is de loongrens van waarop het in principe interessanter is om uit het pensioenstelsel voor werknemers te stappen en zelfstandige te worden of een managementvennootschap op te richten. Bij een return van 1,5% ligt die grens voor een gehuwde 40'er op een brutoloon van 3800 euro/maand. Bij een return van 2,7% ligt die grens al op 2200 euro. Een 40-jarige werknemer haalt dus al bij een brutoloon van 2200 euro meer geld haalt uit pensioensparen dan uit het huidige repartitiestelsel.

Dit is het gevolg van een van de ongerijmdheden in ons pensioenstelsel die vooral de hogere en de middeninkomens treffen. Mensen die een volledige carrière achter de rug hebben en een hoog loon hebben verdiend, verliezen bij een pensionering veel tegenover het laatste loon omdat hun pensioenuitkering geplafonneerd is. Boven de grens van 44.081,27 euro bruto-inkomen per jaar worden de bedragen niet langer meegerekend voor de berekening van het pensioenuitkering. Gemiddeld komt iemand met een maandelijks brutoloon rond 3200 euro aan dat plafond. Anderzijds zijn de pensioenbijdragen niet geplafonneerd. Meer en meer mensen betalen hoge bijdragen maar zien daar later nooit een euro van terug. Met andere woorden: het Belgische pensioenstelsel dat oorspronkelijk een systeem van sociale verzekering was is meer en meer opgeschoven in de richting van een instrument voor inkomensherverdeling.

Dat betekent dat een steeds grotere groep werknemers eigenlijk via hun bijdragen zuivere belastingen betalen. Deze situatie houdt in dat het solidariteitsprincipe in ons pensioenstelsel te zwaar begint door te wegen in verhouding tot het verzekeringsprincipe. .Zo wordt het voor een steeds grotere groep minder aantrekkelijk om in het wettelijk systeem te stappen. Vandaar dat veel kaderleden voor een salary split kiezen, een managementvennootschap oprichten of voor een statuut als schijnzelfstandige kiezen. Allerlei extralegale voordelen zoals wagens, gsm privé-verzekeringen of stock opties moeten ook in dat kader worden gezien.

Er zijn verschillende manieren om het wettelijk systeem toch aantrekkelijk te houden: het herplafonnering van de sociale bijdragen, pensioensparen verder promoton of een eerste pijler-bis invoeren die een combinatie is van repartitie (de huidige werkenden betalen bijdragen voor de huidige gepensioneerden) en van kapitalisatie (sparen voor een eigen pensioen). Ons pensioenstelsel heeft in elk geval een facelift nodig.

woensdag 31 oktober 2007

Uitkeringen en pensioenen worden welvaartsvast ?

De oranje-blauwe onderhandelaars willen de uitkeringen en pensioenen voortaan welvaartsvast maken. Ook de kinderbijslag voor zelfstandigen zal geleidelijk worden opgetrokken.
De formatiegesprekken gaan nu blijkbaar beter vooruit en het ene akkoord volgt het andere op. (PhotoNews) Nu zijn de onderhandelaars het dus eens om pensioenen en uitkeringen te koppelen aan de evolutie van de lonen.

Ook zal de kinderbijslag voor de zelfstandigen geleidelijk worden opgetrokkken.

vrijdag 26 oktober 2007

Zelfstandigen krijgen raming van hun pensioenrechten

De zelfstandige kan een raming van zijn pensioenrechten aanvragen op andere manieren:

- Via een formulier dat beschikbaar is bij het gemeentebestuur, bij het centrale bestuur van het RSVZ of zijn gewestelijke kantoren;
- Via een gewone brief of e-mail met de vermelding van zijn identiteit, adres en rijksregisternummer;
- Telefonisch of per fax met de vermelding van zijn identiteit, adres en rijksregisternummer;
- Door persoonlijke afgifte van zijn aanvraag op het RSVZ.

Opgelet, aan zo’n aanvraag zijn wel enkele voorwaarden verbonden. Zo zal de aanvraag pas aanvaard worden als:

- De zelfstandige de aanvraag indient niet meer dan vijf jaar vóór de datum waarop een recht kan worden geopend op het rust- of vervroegd pensioen;

- De zelfstandige de aanvraag persoonlijk indient;
De pensioenrechten nog niet op aanvraag of ambtshalve onderzocht werden.

Debatteer met toppolitici


Liggen de wettelijke pensioenen te laag? Waarom hebben ambtenaren recht op een hoger pensioen?

Stel uw vragen vanmiddag aan drie toppolitici tijdens het livedebat op onze site. Minister van Pensioenen Bruno

Tobback, Rik Daems en Luc Goutry antwoorden op uw vragen. De Standaard zet zijn pensioenspecialist Luc Coppens in.

Vandaag van 12 tot 13 uur op

www.standaard.be/pensioendebat

vrijdag 19 oktober 2007

Pensioenen: België is het noorden kwijt

Gabriel Perl, de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Pensioenen, slaakt een noodkreet in de krant De Morgen. Als het wettelijke pensioenstelsel blijft zoals het nu is, is de situatie niet rooskleurig, zegt hij. De houdbaarheid van het systeem staat op het spel, en een strategisch langetermijnplan is dringend gewenst.

Onze pensioenen worden door twee grote problemen bedreigd, meent Perl. De oprukkende vergrijzing zet het pensioenstelsel serieus onder druk. En tegelijkertijd neemt de bereidheid bij de bevolking af om bij te dragen aan het systeem, dat op onderlinge solidariteit gebaseerd is. Bij de hogere inkomensklasse gaapt een enorme kloof tussen het laatst ontvangen loon en het eerste pensioenbedrag, tot grote ergernis van de betrokkenen.

'Dat systeem is inderdaad niet coherent, en het valt moeilijk vol te houden', vindt ook professor Jos Berghman van het Centrum voor Sociologisch Onderzoek aan de K.U.Leuven. Om de spaarpot van de pensioenen te vullen, draagt elke werknemer bij. Die bijdrage wordt echter berekend op het volledige loon, terwijl het pensioen zélf berekend wordt op een geplafonneerd loon.

De eerste pensioenpijler - het wettelijk pensioen - moet opnieuw een volwaardige bescherming bieden, die betaalbaar blijft, en bereikbaar is voor iedereen. Een legitieme bescherming bovendien. Zo vat professor Berghman samen. 'Het is een moeilijke kwestie natuurlijk. Enerzijds moeten alle werknemers gemotiveerd blijven om hun bijdrage aan het systeem te leveren, en anderzijds dringt zich de vraag op wat er moet gebeuren met mensen die bijvoorbeeld langdurig ziek zijn geweest.'

Lage inkomens vallen uit de boot

Verder wijst Jos Berghman erop dat de tweede pensioenpijler (een aanvullend pensioen, georganiseerd door uw werkgever, nvdr) nog steeds niet voldoende gedemocratiseerd werd. Vooral lagere inkomensklassen, en zwakkere sectoren, vallen vaak uit de boot. De wet op de aanvullende pensioenen uit 2003 was een verbetering, maar is onvoldoende. En, zegt Berghman, zolang de eerste pensioenpijler niet stabiel is, biedt die niet het nodige fundament voor de tweede pensioenpijler.

'Mensen vergeten ook dikwijls dat die tweede pensioenpijler een verzekering is. Vergelijk het met een brandverzekering. Als je huis afbrandt, krijg je geld van je verzekeraar - als je natuurlijk altijd trouw je bijdrage hebt betaald. Als je huis níét afbrandt, is het geld dat je hebt bijgedragen verloren.' Klachten over de tweede pensioenpijler - we betalen zoveel en we krijgen niks - zijn volgens professor Berghman dan ook ongegrond. Het gaat om een verzekeringsfilosofie, en niet om het principe van een individueel spaarboekje.

Fiscale voordelen overhevelen

Dat laatste hoort thuis in de derde pensioenpijler: het individueel pensioensparen. De derde pijler wordt almaar populairder, en wordt ook fiscaal sterk aangemoedigd, nu de eerste pensioenpijler niet langer de nodige financiële garanties biedt. Jos Berghman heeft niets tegen de derde pensioenpijler op zich, maar vraagt zich af of de collectieve aanmoediging ervan wel opportuun is.

'Die fiscale impuls is eerder bedoeld om de economische activiteit in ons land weer aan te zwengelen dan dat het om een weloverwogen pensioenbeleid gaat. De fiscale voordelen die met het individueeel pensioensparen samengaan, zouden beter overgeheveld worden naar de tweede pensioenpijler, zodat de totale bevolking er een beroep op kan doen als aanvullende pensioenverzekering.'

Een hele reeks suggesties dus over de te volgen weg in het pensioenlandschap. Nu is het inderdaad een ideaal moment om daar eens grondig over na te denken, vindt professor Berghman - net als Gabriel Perl. 'Hoe langer je dit probleem uitstelt, hoe moeilijker het wordt om het op te lossen. Hoe? Een moeilijke vraag, maar ze is in België nog niet eens aan de orde. Eerst maar eens duidelijke afspraken maken over wát we precies willen.'

Celine De Coster - Knack
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :