Gilbert De Swert maakt brandhout van het onderzoek naar het gemiddelde pensioen. 'In dit pensioenonderzoek zijn bij de conclusies denken en onderzoeken niet eens begonnen.'
De gemiddelde gepensioneerde kreeg in 2004 992 euro per maand aan wettelijk pensioen. Een gemiddeld rustpensioen was toen 1.170 euro, een gemiddeld overlevingspensioen 955 euro en een gemiddeld gewaarborgd inkomen voor bejaarden 631 euro. Een gepensioneerde ambtenaar kreeg gemiddeld 2.122 euro, een gepensioneerde werknemer 925 euro en een gepensioneerde zelfstandige 493 euro (DS 21 december). Berekeningen van de Leuvense professor Jos Berghman en zijn medewerkers, in opdracht van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid. Al die berekeningen zijn juist. Toch hebben ze geen enkele betekenis. Omdat het gemiddelden zijn.
In een beek van gemiddeld één meter diep kun je makkelijk verdrinken. Die boutade van Godfried Bomans over gemiddelden is nergens toepasselijker dan in pensioenen. Gemiddelde pensioenbedragen zijn geen 'nuttige synthesemaat' zoals Berghman en co. beweren, ze zijn betekenisloos, erger nog, ze zijn misleidend.
Ze zijn betekenisloos om meerdere redenen. De voornaamste reden is dat zo'n gemiddelden niet alleen lagere en hogere lonen, niet alleen voltijdse en deeltijdse arbeidsperiodes, maar ook, en vooral, lange en korte loopbanen omvatten. Bijvoorbeeld de kleine pensioenen van vrouwen die vroeger een beperkt aantal jaren gewerkt hebben (tot ze trouwden of kinderen kregen). Andere reden: de geleidelijke overgang van gezinspensioenen naar pensioenen van alleenstaanden. Vroeger kreeg doorgaans de man een gezinspensioen (als werknemer: 75 procent van zijn gemiddeld loon gedurende zijn loopbaan). Nu krijgen steeds vaker man en vrouw hun eigen pensioen (als werknemer: elk 60 procent van hun gemiddeld loon). Reken uit: dit gezin ontvangt 120 in plaats van 75 procent, maar hun gemiddeld pensioen is wel verlaagd van 75 tot 60 procent. Derde reden: de geciteerde gemiddelden verrekenen niet de gemengde loopbanen. Een zinvol onderzoek zou nagaan welke weerslag de loopbaanduur heeft op het pensioenbedrag, en zou tenminste narekenen wat het (gemiddeld) pensioen is van wie een vergelijkbare loopbaan heeft. Dat is niet gebeurd.
Gemiddelde pensioenbedragen zijn niet alleen loos, ze zijn ook boos. Kijk naar de krantenkoppen over dit onderzoek: 'Vlamingen krijgen tot 8 procent minder pensioen dan Walen en Brusselaars' (De Tijd), 'Vlaams pensioen het laagst' (De Standaard), 'Vlaming minder pensioen dan Waal' (Knack). Prikkelberichten die nergens op slaan zolang niet minimaal geweten is hoe en waarom die gemiddelden verschillen. Meer ambtenaren in Wallonië? Minder zelfstandigen in Brussel en Wallonië? Meer vrouwen met korte loopbanen in Vlaanderen? Waarschijnlijk alle drie, maar meest nog het laatste. Een waardevol onderzoek zou dat natrekken. Dat is niet gebeurd.
Pensioengemiddelden zijn niet alleen zinledig, ze werken ook zinsverbijsterend. Die gemiddelden bevestigen immers het beeld van lage wettelijke pensioenen (in de privé-sector). Want wie geeft zich rekenschap als hij die bedragen ziet, dat ze waardeloos zijn, dat ze korte en lange loopbanen, gezins- en alleenstaandenpensioenen op een hoop gooien? Het algemeen gemiddelde van 992 euro bevat ook nog eens het gewaarborgd inkomen (de inkomensgarantie voor ouderen). Dat is bijstand, geen pensioen.
Nochtans zijn de wettelijke pensioenen minder slecht dan algemeen gedacht wordt. Als enkel naar de normale loopbanen zou gekeken worden. Als ook op de ontdubbeling van gezinspensioenen zou gelet worden. En als ook nog netto zou geteld worden - belastingvermindering maakt dat voor veel wettelijke pensioenen bruto (bijna) netto is. Ondraaglijke lichtheid van de wettelijke pensioenen? Misschien. Ondraaglijke lichtheid van het pensioenonderzoek? Alleszins.
Elk betekenisvol pensioenonderzoek zou op z'n minst de factor loopbaan moeten meewegen. Dat is hier niet gebeurd. De Leuvense onderzoekers voeren in hun besluiten enkel gemiddelde bedragen op. Die zijn wel heel makkelijk te berekenen aan de hand van het pensioenkadaster van alle uitbetaalde pensioenen. De 'wet van onderzoek' luidt dat besluiten het moment zijn waarop denken en onderzoeken moe geworden zijn. Die wet geldt allicht voor het gemiddelde onderzoek. In dit pensioenonderzoek zijn bij de conclusies denken en onderzoeken niet eens begonnen.
Gilbert De Swert is voormalig hoofd van de ACV-studiedienst