Posts tonen met het label pensionarchitects. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pensionarchitects. Alle posts tonen

dinsdag 10 januari 2012

Nieuw grensbedrag wettelijke pensioenen 2011

Jaarlijks wordt het nieuwe grensbedrag (van toepassing op de berekening van de wettelijke pensioenen) gepubliceerd door de Rijksdienst voor Pensioenen (RvP). Dit bedrag wordt in veel aanvullende pensioenplannen gebruikt.

Het plafond voor 2011 bedraagt € 49.773,66 (in 2010 bedroeg dit € 47.960,29).

Het maximum wettelijk pensioen als alleenstaande bedraagt € 24.295,88, en als gezinshoofd € 30.369,85. Deze bedragen zijn vastgesteld aan index 130,80.

dinsdag 6 december 2011

De opdracht van de Minister van Pensioenen

In het regeerakkoord wordt op verschillende plaatsen de pensioenen (1ste, 2de en 3de pijler) hervormd. Lees het Regeerakkoord vanaf pagina 102, alsook op verschillende andere plaatsen (op basis van artikel Pensionarchitects) :
  • Maatregelen betreffende de 2e en 3e pijlers
  • Verhoging van de effectieve leeftijd om op vervroegd pensioen te gaan
  • Verlenging van sommige loopbanen door de bijzondere stelsels op het algemeen stelsel af te stemmen
  • Verhoging van het aantal jaren dat voor de pensioenberekening in de overheidssector meetelt
  • Vrijwillig werken na de pensioenleeftijd

dinsdag 20 september 2011

Behoud van rechten op aanvullend pensioen bij een zelfde werkgever in verschillende lidstaten

Als antwoord op een prejudiciële vraag van het Hof van Beroep van Brussel, antwoordt het Hof van Justitie dat artikel 48 VWEU (Verdrag Werking Europese Unie), dat handelt over de sociale zekerheid van migrerende werknemers, geen rechtstreekse werking heeft. Een particulier kan zich hier, in een geding voor een nationale rechter, tegenover een werkgever uit de privésector, dus niet op beroepen.

Daarnaast stelt het Hof dat artikel 45 VWEU zo moet worden uitgelegd dat het zich bij verplichte toepassing van een CAO verzet tegen:


  1. de niet-meetelling van de door een werknemer bij dezelfde werkgever in diens exploitatiezetels in verschillende lidstaten en krachtens eenzelfde algemene arbeidsovereenkomst vervulde dienstjaren voor de bepaling van de periode voor verwerving van definitieve rechten op aanvullende pensioenuitkeringen in een lidstaat; en
  2. de gelijkstelling met vertrek uit eigen wil door een werknemer van de overplaatsing van deze werknemer van een in een lidstaat gelegen exploitatiezetel van zijn werkgever naar een in een andere lidstaat gelegen exploitatiezetel van dezelfde werkgever.

Bijgevolg staat artikel 45 VWEU in de weg aan elke maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, het gebruik van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden door burgers van de Unie kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken.

HvJ 10 maart 2011, C 379/09, Casteels tegen British Airways.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nieuwsbrief nr. 4

Nieuw ! Pensiontalk Mobile (betaversie)

Afkoop van pensioenrechten door schuldeisers na faillissement

Bij vonnis van 27 april 2010 werd een man in staat van faillissement verklaard en een curator benoemd. Deze curator heeft kennis genomen van twee beleggingsverzekeringen op naam van de betrokkene met een gezamenlijke waarde van EUR 25.742,51. Na een daartoe strekkend verzoek van de curator heeft de rechter-commissaris bij beschikkingen van 31 maart 2011 toestemming gegeven tot afkoop van de beleggingsverzekeringen.

De betrokkene vindt dat hij door afkoop van beide beleggingsverzekeringen onredelijk zal worden benadeeld. Voornoemde verzekeringen zijn afgesloten ter voorziening van zijn pensioen en naast de opgebouwde AOW-rechten heeft hij geen andere oudedagsvoorziening. De betreffende verzekeringen hebben een verzorgingskarakter, zodat deze niet mogen worden uitgewonnen. Daarnaast betreft het twee lijfrenteverzekeringen, zodat afkoop aanzienlijke fiscale consequenties zal hebben en de daadwerkelijke afkoopopbrengst relatief gering zal zijn. Ten slotte heeft de betrokkene, gelet op zijn leeftijd, nog maar 15 jaar om een behoorlijk pensioen op te bouwen, waardoor hij voor een groot deel is aangewezen op de verzekeringen.

Dubbel Belasting Verdrag België-Nederland en het beginsel van de goede trouw

Artikel 18 van het Dubbel Belasting Verdrag tussen België en Nederland regelt de verdeling van de heffingsbevoegdheden met betrekking tot (onder meer) pensioenen en andere soortgelijke beloningen.

Ingevolge artikel 18, § 1, van het Verdrag geldt als uitgangspunt dat de woonstaat heffingsbevoegd is. In de paragrafen 2 en 3 van artikel 18 van het Verdrag zijn echter uitzonderingen op dit uitgangspunt opgenomen, waardoor in bepaalde situaties de bronstaat heffingsbevoegd is. Of Nederland als bronstaat na emigratie van een ingezetene naar België bevoegd zal zijn ter zake van diens pensioen belasting te heffen, is op het moment van emigratie niet, althans niet altijd, te voorzien.

De Hoge Raad van Nederland vernietigt een bbeslissing van het Hof van Beroep in Den Haag, die stelt dat de opgelegde belasting onverenigbaar is met het beginsel van de goede trouw. De Hoge Raad oordeelde dat dit in casu niet het geval was, maar bevestigde wel dat een dergelijke onverenigbaarheid zich kan voordoen, meer in het bijzonder wanneer de heffingsbevoegdheid voor het inkomen dat werd belast (mogelijks) is toegewezen aan de staat naar waar het individu zich verplaatst heeft.

Hoge Raad 15 april 2011, No. 10/00999, onuitg.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nieuwsbrief nr. 4

Nieuw ! Pensiontalk Mobile (betaversie)

Onderscheid op basis van burgerlijke stand

Er is geen sprake van een discriminatie als het kapitaal dat wordt uitgekeerd aan gehuwde en wettelijk samenwonende partners hoger is dan het kapitaal dat uitgekeerd wordt aan feitelijk samenwonenden of alleenstaanden. In casu ging het om een pensioentoezegging van het type vaste prestaties dat voorzag in de uitkering van een kapitaal.

Het gemaakte onderscheid is objectief, steunt op een legitiem doel (het gaat om de omzetting van een oud renteplan, dat voorzag in overdraagbaarheid ten overstaan van de overlevende huwelijkspartner) en de gehanteerde coëfficiënten waren van die aard dat de maatregel passend en noodzakelijk was.

Arbh. Brussel 15 juni 2010, De Verz. 2011, afl. 374, 56-71, met noot C. Schildermans.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nieuwsbrief nr. 4

Nieuw ! Pensiontalk Mobile (betaversie)

Verschil in behandeling op grond van de toetredingsdatum tot de groepsverzekering

De vordering ingesteld tegen de verzekeraar op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek door oud-werknemers aangesloten bij een groepsverzekeringsplan wegens derdemedeplichtigheid van de werkgever bij de schending van de wettelijke bepalingen ter bestrijding van discriminatie tussen werknemers die tot dezelfde personeelscategorie behoren, is onderworpen aan de vijfjarige verjaringstermijn voorzien in artikel 2262bis, § 1, 2de alinea, van het Burgerlijk Wetboek.

Individualisering van de werkgeversbijdrage in een pensioenfonds

Het feit dat de werkgever geen geïndividualiseerde bijdrage per werknemer stort in het pensioenfonds maar een totale bijdrage, sluit niet uit dat mogelijk via actuariële berekening de werkgeversbijdrage kan worden geïndividualiseerd.

Arbh. Brussel 29 oktober 2010, JTT 2011, 57-58.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nieuwsbrief nr. 4

Nieuw ! Pensiontalk Mobile (betaversie)

Recht op een lijfrente

Eiser sloot op 22 december 1987 een overeenkomst inzake een vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen. De duurtijd van het contract liep van 1 januari 1987 tot 1 november 2008. De polis voorzag in de volgende waarborgen:


  1. indien de verzekerde overlijdt vóór 1 november 2008: de som van de betaalde netto premies en
  2. indien de verzekerde leeft op 1 november 2008: het reeds verzekerde kapitaal bij leven zoals jaarlijks medegedeeld, in verhouding tot de reeds betaalde driemaandelijkse koopsommen.

Bij pensionering eist de eiser een lijfrente. Hij doet dit op basis van de polis die verwijst naar de “vestiging van een lijfrente”. De verzekeraar weigert omdat de programmawet van 24/12/2002 (de VAPZ-wet) wel inhoudt dat de verzekeraar, gehouden is om op vraag van de klant, te voorzien in een uitkering in rente maar dat er in deze wet nergens gespecificeerd wordt dat het om een lijrente moet gaan. De verzekeraar stelt dan ook voor om een rente te betalen, geen lijfrente.

De rechtbank is van oordeel dat eiser aanspraak kan maken op de vestiging van een lijfrente. De overeenkomst strekt partijen tot wet. Verwerende partij kan zich niet beroepen op de Programmawet om zich te ontrekken aan haar contractuele verplichtingen.

Arbrb. Hasselt 19 april 2011, AR nr. 2100807, onuitg.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nieuwsbrief nr. 4 Nieuw ! Pensiontalk Mobile (betaversie)

Pensioen: discriminatie op grond van burgerlijke staat of sexuele geaardheid

Als antwoord op een prejudiciële vraag, ingediend door het Arbeitsgericht Hamburg, stelt het Hof van Justitie dat de gecombineerde bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78 in de weg staan aan een nationale bepaling van de deelstaat Hamburg, op grond waarvan een pensioenontvanger die een levenspartnerschap is aangegaan, een aanvullend ouderdomspensioen ontvangt dat lager is dan dat van een gehuwde pensioenontvanger die niet duurzaam gescheiden leeft, indien


  • in de betrokken lidstaat het huwelijk is voorbehouden aan personen van verschillend geslacht, terwijl daarnaast een levenspartnerschap zoals dat waarin is voorzien bij het Gesetz über die Eingetragene Lebenspartnerschaft van 16 februari 2001, bestaat, dat is voorbehouden aan personen van hetzelfde geslacht, en
  • er een directe discriminatie is op grond van de seksuele geaardheid, doordat bedoelde levenspartner zich naar nationaal recht in een situatie bevindt die, wat bedoeld pensioen betreft, juridisch en feitelijk vergelijkbaar is met die van een gehuwde persoon. De beoordeling van de vergelijkbaarheid behoort tot de bevoegdheid van de verwijzende rechter en moet worden toegespitst op de respectieve rechten en verplichtingen van gehuwden en personen die een levenspartnerschap hebben gesloten, zoals deze zijn geregeld in het kader van de desbetreffende instituten, die, gelet op het voorwerp en de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken prestatie, relevant zijn.


HvJ 10 mei 2011, C-147/08, Römer vs Hamburg.

Bron: Leergang Pensioenrecht 2010-2011, nieuwsbrief nr. 4

Nieuw ! Pensiontalk Mobile (betaversie)

Enkel nog unisekspremies en -uitkeringen vanaf 21 december 2012

Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat in alle nieuwe contracten die na 21 december 2007 worden gesloten, het gebruik van sekse als een factor bij de berekening van premies en uitkeringen in het kader van verzekeringsdiensten en aanverwante financiële diensten niet resulteert in verschillen in de premies en uitkeringen van individuele personen.

Groepsverzekering en huwelijksvermogensstelsel

Artikel 127 en 128 van de Landverzekeringswet bepalen dat de aanspraken, ontleend aan de verzekering die een in gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoot ten behoeve van de andere of van zichzelf heeft bedongen, een eigen goed is van de begunstigde echtgenoot. Er is geen vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen, tenzij de premiebetalingen kennelijk de mogelijkheden van dit vermogen te boven gaan.

Bij arrest nr. 54/99 van 26 mei 1999 heeft het Grondwettelijk Hof reeds gesteld dat deze artikelen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden.

De zaak Test-Aankoop

Het Grondwettelijk Hof vernietigt de wet van 21 december 2007 tot wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen wat betreft het geslacht in verzekeringsaangelegenheden. Het Hof neemt daarbij de overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie van 1 maart 2011 over en besluit dat het verschil in behandeling niet redelijk kan worden verantwoord.

Het Grondwettelijk Hof is, net als het Hof van Justitie, van mening dat de toekenning van een overgangsperiode aangewezen is. De gevolgen van de vernietigde wet zullen worden gehandhaafd tot uiterlijk 21 december 2012.

Aanvullend pensioen en huwelijksvermogensrecht

De werkgever van een, met gemeenschap van goederen gehuwde, echtgenoot heeft een groepsverzekering afgesloten voor zijn werknemers, die dient als financiering van een aanvullend pensioen. De werkgever neemt de betaling van de premies voor zijn rekening.

Artikel 127 en 128 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet bepalen dat de aanspraken, ontleend aan de verzekering die een in gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoot ten behoeve van de andere of van zichzelf heeft bedongen, een eigen goed is van de begunstigde echtgenoot. Er is geen vergoeding verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen, tenzij de premiebetalingen kennelijk de mogelijkheden van dit vermogen te boven gaan.

zondag 19 juni 2011

Indexatie van het WAP rendement op 1 juni 2011

Als een aangeslotene aan een pensioenplan nog geen vijf jaar aansluiting telt, worden de minimale patronale reserves volgens de WAP (wet op aanvullende pensioenen) niet geïndexeerd met 3,25%, maar volgens het indexatiemechanisme van de spilindex. Aangezien de spilindex recentelijk werd overschreden zullen de lonen van de statutaire ambtenaren vanaf 1 juni 2011 worden geïndexeerd. Vanaf 1 juni 2011 moeten de minimale patronale reserves dus ook rekening houden met een hogere indexatie.

Hierbij dient de volgende tabel gerespecteerd te worden:

Ingangsdatum Index
01/07/2003 1,3195
01/11/2004 1,3459
01/09/2005 1,3728
01/11/2006 1,4002
01/02/2008 1,4282
01/06/2008 1,4568
01/10/2008 1,4859
01/10/2010 1,5157
01/06/2011 1,5460

dinsdag 14 juni 2011

Advies nr. 33 van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen

De Commissie voor Aanvullende Pensioenen heeft de problematiek van de uittreding geanalyseerd binnen het kader van de WAP. Zo worden situaties als uittreding beschouwd (wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst) die eigenlijk niet (of niet noodzakelijk) geviseerd zouden moeten worden. Dat wil zeggen waarbij het niet de bedoeling is dat de actieve aansluiting ophoudt. Het gaat onder meer om de multiwerkgeverspensioentoezeggingen, waarbij de werknemer overgaat van één aangesloten werkgever naar een andere en eventueel: de multisectorpensioentoezeggingen.

Om aan deze problematiek tegemoet te komen heeft de Commissie voor Aanvullende Pensioenen een tekstvoorstel van wet geschreven dat hieraan tegemoet komt.

Advies van de Nationale Arbeidsraad en van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven over de overlijdensdekking

Bij brief van 2 februari 2010 heeft de heer D. Reynders, minister van Financiën, naar aanleiding van parlementaire vragen omtrent de problemen die voortvloeien uit het feit dat een groot aantal groepsverzekeringsovereenkomsten niet voorzien in een dekking in geval van overlijden, de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven gevraagd deze problematiek in behandeling te nemen en hierover advies uit te brengen.

maandag 16 mei 2011

Aantal contracten vrij aanvullende pensioenen voor zelfstandigen

De heer Mathias De Clercq, volksvertegenwoordiger, vraagt aan de minister hoeveel zelfstandigen een vrij aanvullend pensioen opbouwen, opgesplitst per geslacht.

Evolutie van het aantal onderschreven contracten voor vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen

Het aantal onderschreven contracten, vermeld in bovenstaande tabel, is onvolledig omdat deze slechts die gevallen weergeven die door bemiddeling van het socialeverzekeringsfonds zijn afgesloten.

Jaren  H          F          Totaal
2008  59.812 24.215 84.027
2009  59.987 25.010 84.997
2010  59.546 25.432 84.978

Het aantal onderschreven contracten, vermeld in bovenstaande tabel, is onvolledig omdat deze slechts die gevallen weergeven die door bemiddeling van het socialeverzekeringsfonds zijn afgesloten. In het kader van de Natioale Pensioenconferentie werd het totale aantal contracten VAP, inclusief die van de private pensioeninstellingen, op 31 december 2008 geraamd op 260.000.

Aantal contracten vrij aanvullende pensioenen voor zelfstandigen

zondag 15 mei 2011

Vanaf 1/01/2012 toegang tot SIGeDIS voor de aangeslotenen?

Op vraag van mevrouw de volksvertegenwoordiger Karolien Grosemans, bevestigt de minister van pensioenen dat het SIGeDIS project een kleine vertraging heeft omwille van onvoorziene technische problemen.

Niettemin belooft de minister dat vanaf 1 januari 2012 de FSMA (Financial Services and Markets Authority ex CBFA), de FOD Financiën en de aangeslotenen toegang zullen krijgen tot de databank.

Volgens Pensionarchitects is dit laatste is opmerkelijk aangezien SIGeDIS in alle presentaties zwijgt over het openstellen van de databank voor aangeslotenen op korte termijn.

Vanaf 1/01/2012 toegang tot SIGeDIS voor de aangeslotenen?

dinsdag 5 april 2011

Benchmark voor prudent karakter van een pensioenfonds

De Belgische wetgeving legt op dat een pensioenfonds voldoende prudent moet zijn bij het vaststellen van haar technische voorzieningen. In tegenstelling tot andere landen worden er evenwel geen rekenregels opgelegd om de hoogte van de technische voorzieningen te bepalen. Ieder pensioenfonds moet in functie van haar risico’s deze rekenregels vaststellen.

In een seminarie van 17 maart geeft de CBFA een benchmark waartegen kan geoordeeld worden of een pensioenfonds een prudente buffer heeft of niet. De benchmark wordt bepaald door de verhouding van de “langetermijn technische voorzieningen” (LTV) ten aanzien van de “kortetermijn technische voorzieningen” (KTV).

Vervolg




Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :