Posts tonen met het label steunpunt WSE. Alle posts tonen
Posts tonen met het label steunpunt WSE. Alle posts tonen

maandag 22 april 2013

Vergrijzing in de sectoren. Waar is de nood aan vervanging het hoogst?

De problematiek van de vergrijzing kennen we intussen. De babyboomers rukken massaal op naar de pensioengerichte leeftijden en dit zet de betaalbaarheid van de pensioenen onder druk. De urgentie hiervan werd nogmaals bevestigd in het laatste verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (2012). Een ander facet van de vergrijzing is dat een grote groep mensen op korte tijd zal moeten vervangen worden wanneer ze de arbeidsmarkt verlaten (zie Sels et al., 2011). Voorlopig bevindt een groot aandeel van de babyboomers zich nog bij de werkende bevolking, maar hun uittrede kondigt zich aan.

In dit rapport gaan we na welke uitstroom we de komende jaren kunnen verwachten op het niveau van de sectoren. Hierbij schuiven we twee scenario’s naar voren. In een eerste scenario projecteren we de uitstroom per sector bij gelijkblijvende uittredepatronen. In een tweede scenario houden we rekening met een vertraagde uittrede als gevolg van langer werken. Ten slotte plaatsen we de uitstroom in een ruimer kader van groei- en krimpsectoren. Of de toenemende uitstroom een zorg dan wel een opportuniteit is, hangt grotendeels af van de sectorale groeiverwachtingen.

Vervolg



maandag 8 april 2013

Vergrijzing sterkst bij ambtenaren

Meer dan 200.000 Vlamingen gaan tegen 2015 met pensioen. Hun vervanging is het nijpendst bij de overheid.
De vergrijzing van de beroepsbevolking zal in de komende jaren het meest voelbaar zijn bij de overheidsdiensten en in het onderwijs. Dat blijkt uit onderzoek door het Leuvense Steunpunt WSE, in opvolging van eerder studiewerk door professor Luc Sels.

Vervolg




vrijdag 5 april 2013

Vier levensjaren verschil tussen jongste en oudste uittreders

Wie met pensioen gaat verschilt van leeftijd naargelang de sector waarin ze actief zijn. Brugpensio-nering maakt het verschil.
Bijna vier levensjaren, dat is het verschil tussen de laagste en de hoogste uittredeleeftijd in Vlaanderen. Dat blijkt uit rekenwerk van het interuniversitair kenniscentrum Steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE).

Gebruik makend van de data van de RSZ kwam het kenniscentrum uit op een gemiddelde uittredeleeftijd van 59,4 jaar voor werknemers in Vlaanderen in de periode 2005-2010.

Vervolg


woensdag 4 juli 2012

Hervorming uittredestelsels. Boost voor tewerkstelling 55-plussers?

In de twee voorgaande arbeidsmarktflitsen stelden we dat de lage tewerkstelling van de 55-plussers nog altijd bijzonder zorgwekkend is. Een blik op het laatste decennium leert dat er al bij al weinig progressie was in het verhogen van de gemiddelde uittredeleeftijd. Onze blik op de toekomst zag er evenmin rooskleurig uit, gezien de doelstelling om 50% van de 55-plussers tewerk te stellen tegen 2020 niet zal gehaald worden bij ongewijzigd beleid. Dit scenario van ongewijzigd beleid houdt echter geen rekening met de hervormingen die recent werden ingevoerd of nog op til staan. Zo werd er op Vlaams niveau dit voorjaar een loopbaanakkoord afgesloten met onder andere een vernieuwde 50-pluspremie en de uitbreiding van de systematisch aanpak naar werklozen tot 58 jaar. Ook de federale regering nam een aantal maatregelen die mensen langer aan het werk moeten houden. We zien daarbij één constante: al wie vóór 65 jaar op pensioen wil, zal aan strengere voorwaarden moeten voldoen. Het gaat in eerste instantie om het optrekken van de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden bij vervroegd rustpensioen en brugpensioen. Hieronder gaan we na wat het potentiële tewerkstellingseffect is van een verstrenging van deze twee ‘meetbare’ parameters.

Vervolg

Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension

maandag 18 juni 2012

De weg der geleidelijkheid? Evoluties in de uittredeleeftijd en verwachte loopbaanduur

Om de door Vlaanderen en Europa vooropgestelde werkzaamheidsdoelstellingen te behalen en de toenemende vergrijzingskosten een halt toe te roepen, is de afgelopen jaren de klemtoon in het eindeloopbaanbeleid steeds meer komen te liggen op het verlengen van de actieve loopbanen. Of 50-plussers daadwerkelijk langer blijven werken, bekijken we aan de hand van de evolutie in hun gemiddelde uittredeleeftijd.

Vervolg

Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension

dinsdag 12 oktober 2010

De tijd van toen

De ouderenwerkzaamheid geeft weer welk aandeel van de bevolking van 55-64 jaar aan de slag is. We weten dat de ouderenwerkzaamheid met aandelen van 35,3% respectievelijk 35,8% zowel in België als in Vlaanderen veel te laag ligt. Kijken we naar de evolutie in de periode van 1983 tot en met 2009 (figuur 1), dan zien we een soort U-vormig verloop. De ouderenwerkzaamheid lag op 30,4% in 1983, zakte weg naar een absoluut dieptepunt met 21,1% in 1990. Pas vanaf 1999 (23,7%) werd de groei weer ingezet en in 2005 geraakten we met 30,7% ouderenwerkzaamheid eindelijk weer op het niveau van 1983. De oorzaak van de terugval en van het zeer moeizame herstel is bekend. We hebben in de jaren tachtig de vervroegde uittrede gestimuleerd in een poging het arbeidsaanbod van de wat ouderen kunstmatig in te krimpen en zo meer jobs vrij te maken voor jongeren. Dit experiment vloeide voort uit een visie op de arbeidsmarkt als een statisch volume aan ‘beschikbaar werk’ waaraan het arbeidsaanbod moet worden aangepast.

donderdag 27 mei 2010

De impact van leeftijd op het reservesalaris

Hoe kunnen we oudere werkers stimuleren om aan de slag te blijven? Wat is het minimum salaris dat werkgevers moeten aanbieden opdat ze een job aanvaarden? Leeftijd beïnvloedt de bereidheid om een job aan te nemen en de mobiliteit op de arbeidsmarkt. In dit rapport van Steunpunt werk en Sociale Economie (KUL), bekijkt de auteur deze 2 concepten van tewerkstelling en hun relatie met leeftijd. Deze relatie is complex, maar helpt ons om de uitdaging van de vergrijzing beter aan te pakken.
De impact van leeftijd op het reservesalaris

dinsdag 30 maart 2010

Geen nieuwe banen voor 50-plussers

In nauwelijks 5 procent van alle aanwervingen wordt gekozen voor een 50- plusser. De crisis verslechtert de kansen van vijftigers op een nieuwe baan.

In het politieke debat over de pensioenhervorming gaat veel aandacht naar het aanmoedigen (of zelfs verplichten) van 50-plussers om ‘langer te blijven werken'. Maar is dat realistisch? Zijn er bijvoorbeeld voldoende kansen op een nieuwe baan voor werkzoekende 50-plussers? Berekeningen door professor Luc Sels van het Steunpunt WSE beloven niet veel goeds.

Volgens Sels namen de 50-plussers vorig jaar bij alle nieuwe ‘indiensttredingen' (lees: aanwervingen) in Vlaanderen een aandeel van amper 5,7procent in. Of, anders gezegd, slechts één aanwerving op de twintig ging in 2009 naar een sollicitant die ouder was dan 50 jaar. Sels verduidelijkt dat het zowel om de aanwerving van inactieve of werkloze 50-plussers gaat als om de aanwerving van 50-plussers die overstappen uit een andere betaalde baan of uit een zelfstandigenstatuut.

De kansen voor 50-plussers om een nieuwe baan te vinden, zijn dus niet groot —professor Sels noemt ze ‘ondermaats'— en, erger nog, ze gaan er zelfs nog op achteruit. In de jaren 2007 en 2008 lag het aandeel 50-plussers in de totaliteit van de aanwervingen nog boven de 6procent (zie grafiek).

Mathematisch bekeken zou het aandeel van de 50-plussers in de aanwervingen vele malen hoger moeten liggen. De leeftijdsgroep tussen 50 en 65 jaar is goed voor meer dan 22procent van de totale beroepsbevolking. En dat aandeel neemt door de vergrijzing van de bevolking jaar na jaar toe: in 2003 was het maar 17procent (zie grafiek).

Professor Sels ziet ook kwalitatieve redenen om de 50-plussers meer objectieve kansen op een baan toe te dichten. ‘De scholingsgraad en daaruit volgende beroepskwaliteiten van de huidige generatie 50-plussers liggen immers hoger dan die van de vorige generaties.'

Toch is de trend negatief. Waarschijnlijk speelt de crisis daarin een rol. Door het oplopende aantal (jonge) werklozen hebben de bedrijven meer keuzemogelijkheden en zijn de aanwervingskansen van de oudste sollicitanten (tijdelijk) afgenomen.

Internationaal scoort Vlaanderen erg slecht. Alleen in de twee andere Belgische regio's (Wallonië en Brussel) en in Slovenië liggen de kansen op hertewerkstelling van 50-plussers nog lager dan in Vlaanderen. In bijna alle Europese buurlanden maken ‘oudere' sollicitanten meer kans dan bij ons. In landen als Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk is dat zelfs zevenmaal meer.

Besluit van Sels: ‘Op onze arbeidsmarkt betekent werkloos worden op wat oudere leeftijd veel vaker dan in andere lidstaten een definitieve uitval uit het arbeidsproces.'

Werkloze vijftigplussers kansloos op arbeidsmarkt

Van alle werkzoekende vijftigplussers in Europa hebben die in Vlaanderen zowat de kleinste kans om opnieuw aan de slag te geraken. Enkel Wallonië, Brussel en Slovenië doen nog slechter. Dat blijkt uit een nieuwe studie van de KU Leuven.

Cijfers van het steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE) van de KU Leuven tonen aan dat in 2009 slechts 5,7 procent van alle nieuwe indiensttredingen iemand van 50 of ouder betrof. Een jaar eerder bedroeg dat percentage nog 6,4, in 2007 nog 6,6. Nochtans nam de voorbije jaren het aandeel van de vijftigplussers in de totale beroepsactieve bevolking toe: van 17,6 procent in 2003 tot 22,7 procent in 2009.

Structureel probleem
In vergelijking met de rest van Europa blijkt Vlaanderen een structureel probleem te hebben. Enkel werkloze vijftigplussers in Wallonië, Brussel en Slovenië hebben een nog lagere hertewerkstellingskans dan hun leeftijdsgenoten in Vlaanderen.

dinsdag 29 september 2009

B : Belgen stoppen met werken op 59,2 jaar

De werkelijke pensioenleeftijd schuift elk kalenderjaar met 1 maand op.

In 2007 stopten de Belgen – gemiddeld – met werken op de leeftijd van 59,2 jaar. Het is de allereerste keer dat de vertrekleeftijd van de Belgische werknemers tot boven de grens van 59 jaar is geklommen. Dat blijkt uit berekeningen door het Leuvense onderzoekscentrum Steunpunt WSE.

In 2001 lag de vertrekleeftijd nog op gemiddeld 58,4 jaar. Sindsdien is de werkelijke pensioenleeftijd dus met ongeveer 1 maand per kalenderjaar opgeschoven. De Belgen blijven dus, beetje bij beetje, langer doorwerken.

Maar van een revolutie op de arbeidsmarkt is zeker geen sprake. In dit tempo zal het tot ongeveer 2015 duren vooraleer de Belgen tot hun 60ste beroepsactief blijven. Ook dan zal de kloof met de wettelijke pensioenleeftijd, op 65 jaar, nog altijd groot zijn.

Er is nauwelijks een verschil tussen de drie regio's in ons land, toont het Steunpunt WSE aan. In Vlaanderen, Wallonië en Brussel gaat de vertrekleeftijd bijna gelijkmatig omhoog. Maar er zijn wel grote verschillen tussen de beroepsgroepen. Arbeiders stoppen gemiddeld op hun 57,8 jaar met werken, bedienden op 59 en ambtenaren op 59,4 jaar. Zelfstandigen doen door tot ze 61,2 jaar zijn.

B : "60" eindelijk in zicht? De evolutie van de uittredeleeftijd

Uit een recent rapport blijkt dat de Studiecommissie voor de Vergrijzing de vergrijzingskosten steeds hoger schat. De meest recente schatting geeft aan dat de vergrijzingskosten zullen oplopen tot 8,2% van het bruto binnenlands product tussen 2008 en 2060. Beschouwd over de periode 2008-2050 wordt een toename van de vergrijzingskosten met 2,1 procentpunt verwacht in vergelijking met de prognose opgesteld in 2008. De economische crisis en de aanpassing van de productiviteitshypothese van 1,75% naar 1,50% liggen aan de basis van de aangepaste schatting.

Met de neus op de feiten gedrukt, is maar één conclusie mogelijk: het is vijf voor twaalf. Het beleid dat de volgende jaren wordt gevoerd, zal bepalen in welke mate we de oplopende vergrijzingskosten kunnen opvangen. Veel keuzeruimte is er niet bij de invulling van dit beleid. Zo schuift ook de Studiecommissie voor de Vergrijzing één cruciale hefboom naar voor, namelijk vijftigplussers langer aan het werk houden om zo de werkzaamheidsgraad te verhogen. In 2008 bedroeg het aandeel werkende 55 tot 64-jarigen 34,5% in België en 34,3% in het Vlaams Gewest, tegenover een gemiddelde van 45,6% in de Europese Unie. Er is dus duidelijk progressiemarge. Gegeven de beperkte budgettaire ruimte die ons in de nasleep van de economische crisis te wachten staat, is het absoluut noodzakelijk dat die marge ook benut wordt.

Naast het stimuleren van de herintrede, vergt het opkrikken van de werkzaamheidsgraad dat de totale loopbaanduur verlengd wordt en, daarmee samenhangend, de uittrede uitgesteld wordt. Gezien er momenteel onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om de loopbaanduur in kaart te brengen, gebruikt het Steunpunt WSE de effectieve uittredeleeftijd als benadering, i.e. de leeftijd waarop de arbeidsmarkt wordt verlaten en uit de laatste job wordt getreden. De uittredeleeftijd wordt aanzien als een factor die beleidsmatig beïnvloed kan worden.

Op basis van gegevens uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming heeft het Steunpunt WSE een vergelijking gemaakt van de gemiddelde uittredeleeftijd in 2001 en 2006. Deze vergelijking werd recent aangevuld met een schatting van de gemiddelde uittredeleeftijd in 2007. Tabel 1 toont de gemiddelde uittredeleeftijd op deze peilmomenten per gewest. In 2006 bedroeg de gemiddelde uittredeleeftijd 58,9 jaar in België en in het Vlaams Gewest. De gemiddelde uittredeleeftijd behaalde een vergelijkbaar niveau in het Waals Gewest (58,8 jaar) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (59,1 jaar). Kijken we naar de evolutie van de gemiddelde uittredeleeftijd, dan zien we dat deze slechts licht gestegen is in de periode 2001-2006. Het Vlaams Gewest kende een toename van 0,5 jaar tussen 2001 en 2006, wat een groeivoet impliceert van 1,2 maanden per jaar. Over de beschouwde periode van 5 jaar was de geobserveerde stijging in uittredeleeftijd gering (arbeiders en bedienden) of zelfs onbestaande (ambtenaren en zelfstandigen) (tabel 2).


Op basis van de evolutie tussen 2001 en 2006 zouden we u als lezer een zeer pessimistisch verhaal kunnen meegeven over het uittredegedrag van vijftigplussers en de implicaties van dit gedrag voor de budgettaire houdbaarheid van de oplopende vergrijzingskosten. Toch is er een lichtpunt. Op basis van een voorlopige schatting voor 2007 valt er een sterkere toename van de gemiddelde uittredeleeftijd te noteren. Zo zien we dat de uittredeleeftijd quasi even sterk gestegen is in twee jaar tijd (2005-2007) als voordien in vier jaar tijd (2001-2005). Deze groei is lang niet voldoende sterk om ons definitief gerust te stellen, maar het ronden van de kaap van 59 jaar brengt ons toch weer wat dichter bij de symbolische ‘60’. Opmerkelijk is tevens dat vrouwen nu het grootste deel van hun achterstand in uittredeleeftijd hebben weten in te halen, ondermeer dankzij de toename van de wettelijke vrouwelijke pensioenleeftijd van 62 jaar naar 64 jaar tijdens de onderzochte periode. Ook binnen de groep loontrekkenden heeft zich een inhaalbeweging voltrokken. De gemiddelde uittredeleeftijd van arbeiders en bedienden is sterker toegenomen dan deze van de ambtenaren.

Voor definitieve conclusies over de evolutie van de gemiddelde uittredeleeftijd is het wachten op de volledige impact van enkele meer recente beleidsinitiatieven die de uittredeleeftijd van vijftigplussers en meer in het algemeen de lengte van de loopbaan positief kunnen beïnvloeden. We denken dan niet alleen aan het Generatiepact, maar ook aan het toekomstpact voor Vlaanderen 2020 en haar focus op onder meer de relatie tussen meer werkbaar werk en een gunstige evolutie van de groeivoet van de gemiddelde uittredeleeftijd. Al bestaat tegelijk de vrees dat het huidige economische klimaat de verwachte progressie opnieuw zal temperen. Voor de recent ontslagen vijftigplussers stelt zich de vraag in welke mate we er in zullen slagen om hen opnieuw naar een kwaliteitsvolle job toe te leiden.

donderdag 19 juni 2008

Rood, oranje en groen licht in het eindeloopbaanbeleid

Volgens de Stockholm doelstelling van 2001 moet tegen 2010 50% van de 55- tot en met 64-jarigen aan het werk. Om de realisaties inzake instroombevordering en uitstroombeperking op te volgen, is een goed meetsysteem nodig: een boordtabel of scorecard, zoals deze publicatie van het WSE Steunpunt. De auteurs stellen bitter weinig structurele vooruitgang vast, en met een werkzaamheidsgraad van 31% in België voor deze groep dringen drastische maatregelen zich op. Er is nog heel veel werk aan de winkel.


Lees het volledige rapport hier.

Het duurzaam verhogen van de werkzaamheid in de oudere leeftijdsgroepen – we kijken in wat volgt naar de vijftigplussers – mag met recht en reden tot finaal strategisch doel van het eindeloopbaanbeleid verheven worden. Om dit doel te realiseren, moet de aanwerving van oudere kandidaten gestimuleerd worden en de vervroegde uitstoot van oudere werknemers ingeperkt worden. Om de realisaties inzake instroombevordering en uitstroombeperking op te volgen, is een goed meetsysteem nodig: een boordtabel of ‘scorecard’ die de belangrijkste ken- en stuurgetallen in één schema samenbrengt en toelaat pro- en regressie op een gestandaardiseerde wijze op te volgen. In deze bijdrage stellen we zulke boordtabel voor, en schetsen we tevens de realisaties voor 2006-2007.

De boordtabel brengt de voornaamste drijfkrachten achter onze strategische doelstelling – het verhogen van de werkzaamheid bij de vijftigplussers – in kaart. Tevens wordt de verwachte relatie tussen drijfkracht en strategisch doel met een (+) of een (-) geïndiceerd. De boordtabel geeft aan dat op drie clusters van drijfkrachten moet worden ingewerkt: instroom, doorstroom en uitstroom. Het is immers pas wanneer de voortijdige uitstroom van oudere werknemers afgeremd wordt en/of de instroom van oudere kandidaten verhoogd wordt, dat de werkzaamheidsgraad zijn eigen autonome groeiritme kan overstijgen. Die instroom- en uitstroomevoluties worden op hun beurt beïnvloed door enkele drijfkrachten die we hier onder de noemer ‘doorstroom’ vatten: investeringen in loopbaan- en competentieontwikkeling (vermijden van scholingsconcentratie), de graad van arbeidsmobiliteit (vermijden van ervaringsconcentratie) en de werkbaarheid van jobs (verhoging van plezier in het werk, vermijden van stressrisico’s).

In dit dossier bespreken we eerst de globale evolutie in de werkzaamheidsgraad. Vervolgens nemen we de maat van elk van de in de boordtabel vermelde drijfkrachten. Waar mogelijk worden cijfers van 2007 gebruikt, waar het niet anders kan voor 2006. Om uitspraken te kunnen doen in termen van voor- of achteruitgang kijken we ook terug in de tijd, waar mogelijk tot aan de millenniumwissel.
Lees het volledige rapport hier.

vrijdag 7 december 2007

Grijswerkers gezocht.

Op 1 februari 2008 organiseert het Steunpunt WSE i.s.m. het expertise-centrum Leeftijd en Werk haar eerste conferentie: Grijswerkers gezocht. Oplossingen voor een arbeidsmarkt onder demografische druk.

Deelname aan deze studiedag is gratis. Gelieve in te schrijven vóór 25 januari 2008.

Op het programma:

9u30 Onthaal en koffie

10u00 Vegard Skirbekk (International Institute for Applied Systems Analysis) Over leeftijden en productiviteitsverschillen

11u00 Joop Schippers (Universiteit Utrecht) Over de oudere werknemer, bekeken door de lens van de werkgever

12u00 Broodjes en koffie

13u15 Luc Sels Over groene, oranje en rode lichten in het eindeloopbaanbeleid

13u45 Stellingen als brandstof voor het debat
* van Stephanie Devisscher over zin en onzin van intermezzo’s
* van Ans De Vos over kansen en risico’s van leeftijdsbewust HRM
* van Ludo Struyven over wat werkt en niet werkt in activeringsbeleid
* van Geert Van Hootegem over de (on)werkbaarheid van langer werken

14u45 Het (hopelijk vurig) debat

15u45 Receptie, op de gezondheid van het Steunpunt WSE


Meer info en inschrijvingen
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :