Posts tonen met het label parlementaire vraag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label parlementaire vraag. Alle posts tonen

dinsdag 20 maart 2012

Meer dan 150.000 Belgen krijgen buitenlandse pensioen

Het aantal pensioengerechtigde Belgen met een buitenlands pensioen is in de periode 2005-2011 gestegen van 149.213 tot 151.696. Het gaat voor het overgrote merendeel over grensarbeiders, zo blijkt uit het antwoord van minister van pensioenen Vincent Van Quickenborne (Open VLD) op een schriftelijke vraag van kamerlid Peter Logghe (Vlaams Belang).

Frankrijk (55.069) betaalt de meeste van deze pensioenen, gevolgd door Nederland (45.559), Duitsland (34.513) en Luxemburg (7.860).

Vervolg

Twitter mee over de pensioenhervormingen #bpension

donderdag 2 februari 2012

Overzicht mondelinge vragen aan de Minister van Pensioenen

Op 31 januari ll werden diverse vragen gesteld aan de Minister van Pensioenen :

01 Samengevoegde vragen van
- mevrouw Sonja Becq aan de vice-eersteminister en minister van Pensioenen over "de buitenlandse pensioenen" (nr. 8178)
- de heer Wouter De Vriendt aan de vice-eersteminister en minister van Pensioenen over "het Duitse oorlogspensioen" (nr. 9046)

02 Vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van Pensioenen over "overgangsmaatregelen met betrekking tot het vervroegd rustpensioen" (nr. 8467)


03 Vraag van mevrouw Karolien Grosemans aan de vice-eersteminister en minister van Pensioenen over "de nieuwe betalingsregels voor gepensioneerden die in een EER-lidstaat wonen" (nr. 8531)

maandag 12 september 2011

Kapitalisatiestelsel werknemerspensioenen – niet uitbetaalde onderdomsrenten

De oude stelsels van kapitalisatie van de pensioenbijdragen legden de storting van verplichte bijdragen op met het oog op de vestiging van ouderdoms- en weduwenrenten. Aan deze stelsels werd een einde gemaakt met de invoering van het repartitiestelsel. De afgelopen jaren werd regelmatig gesleuteld aan de uitbetalingsvoorwaarden. Zo is sinds het koninklijk besluit van 13 september 1971 de ouderdomsrente slechts betaalbaar voor zover het werknemerspensioen daadwerkelijk is ingegaan en effectief wordt uitbetaald. De renten die worden uitbetaald vanaf 1 januari 2001 worden slechts eenmaal uitbetaald in kapitaal. Dat impliceert dat wie zijn jaren als werknemer ziet verdwijnen door het toepassen van het principe van eenheid, de ouderdomsrente niet uitbetaald krijgt.

Maggie De Block (open vld) stelde hieromtrent volgende parlementaire vragen :

1. Hoeveel ouderdoms- of weduwenrenten uit het kapitalisatiestelsel voor werknemerspensioenen werden niet uitbetaald in 2007, 2008, 2009 en 2010, opgesplitst in ouderdomsrenten en weduwenrenten? 2. Hoeveel bedraagt de som aan niet-uitbetaalde ouderdoms- en weduwenrenten in de voormelde jaren? 3. Waar vloeien de niet-uitbetaalde ouderdoms- en weduwenrenten naartoe?

Antwoord van de Minister van Pensioenen

donderdag 21 april 2011

Aanvullende pensioenen – slapende leden

De overheid voert sinds enkele jaren een stimulerend beleid ten opzichte van het aanvullend pensioen, zowel wat betreft de tweede pijler als wat betreft de derde pijler. Doordat mensen van werk veranderen blijft elk pensioenfonds of groepsverzekering achter met een aantal slapende leden. Maggie De Block (Open VLD) stelde hieromtrent een parlementaire vraag.

1. Hoeveel slapende leden waren er bij de aanvullende pensioenregelingen in de tweede pijler in de jaren 2007, 2008 en 2009 ingedeeld per leeftijdscategorie, opgesplitst per groepsverzekering of pensioenfonds en met opgave van de verhouding mannen en vrouwen? 2. Hoeveel was het totaal aan gestort kapitaal van slapende leden bij de aanvullende pensioenregelingen in de tweede pensioenpijler? 3. Hoeveel mensen die een aanvullend pensioen in opbouw hadden maakten bij het verlaten van het bedrijf de keuze voor de opvangstructuur van de Rijksdienst voor pensioenen (RVP) (koninklijk besluit van 3 november 1969)?

Antwoord

53K0015-115-117 Aanvullende pensioenen – slapende leden



vrijdag 1 april 2011

Vrijstellingen van verzekeringstaks voor Fondsen voor Bestaanszekerheid

De minister van Financiën antwoordt op vraag van mevrouw de volksvertegenwoordiger Meryame Kitir dat sectorale pensioenplannen die ingericht worden door een Fonds voor Bestaanszekerheid genieten van een vrijstelling van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen van 4,40%.

De Fondsen voor Bestaanszekerheid worden immers beschouwd als openbare instellingen die op basis van het Wetboek diverse rechten en taksen (artikel 176/2, 6°) zijn vrijgesteld van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen.

53K0023-Vrijstellingen van verzekeringstaks voor FBZ

woensdag 30 maart 2011

Trage toekenning minimumpensioenen

In januari werd Wouter De Vriendt (Groen!) gevraagd om commentaar te geven bij een item over de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO) in het Radio 1 programma Peeters en Pichal. Daaruit bleek dat er bij de toekenning van de IGO nog heel wat fout loopt en dat velen niet weten dat er zoiets als een IGO bestaat. Wouter De Vriendt stelde hierover enkele parlementaire vragen aan Minister van Pensioenen Michel Daerden.

Vervolg

woensdag 16 maart 2011

Regularisatie van studieperiodes in het werknemers- en zelfstandigenstelsel

Mevrouw de volksvertegenwoordiger Sonja Becq stelt vast dat weinig geweten is omtrent de mogelijkheid tot gelijkstelling van de studiejaren voor de berekening van het pensioen voor werknemers/zelfstandigen.

De minister van Pensioenen antwoordt dat in 2009 er 264 aanvragen waren en ongeveer 225 effectieve betalingen (stelsel werknemers). In het werknemersstelsel kunnen studieperioden geregulariseerd worden binnen de tien jaar na het beëndigen van de studies. In de pensioenregeling van de zelfstandigen geldt deze tijdslimiet niet.


Vervolg

dinsdag 15 februari 2011

Bijdragevoeten publieke ziekenhuizen aan RSZ-PPO

De betaalbaarheid van de ambtenarenpensioenen van ondergeschikte besturen via pool 1 en 2 staat zwaar onder druk. Jaarlijks dienen de bijdragepercentages ten laste van de openbar besturen te worden verhoogd en moet zwaar worden ingeteerd op de reserves.

 
Ook voor 2011 heeft dit scenario zich herhaald. Het bijdragepercentage voor pool 1 en 2 werd verhoogd tot respectievelijk 38,5% en 40%.

 
De betaalbaarheid voor de ondergeschikte besturen wordt meer en meer problematisch, ook voor de openbare ziekenhuizen die hieraan onderworpen zijn.

zondag 30 januari 2011

Wouter De Vriendt vraagt naar stand van zaken Zilverfonds en maatregelen om financiering pensioenen veilig te stellen

In tijden van communautaire impasse, is het goed om de aandacht te trekken op een problematiek waarmee de meer dan 2,2 miljoen gepensioneerden in ons land elke dag worden geconfronteerd. De pensioenen. Deze zijn in ons land bij de laagste van Europa. Eén op de vier senioren is kansarm. En ook de financiering van de pensioenen staat op losse schroeven.


Een van de redmiddelen om de kosten van de vergrijzing op te vangen, moest het Zilverfonds zijn. Nochtans vergeleek eind vorig jaar Mark Boeykens, de voorzitter van het Zilverfonds, het Belgische pensioensysteem met de Titanic. We stevenen af op een ramp. Nu we begin 2011 zijn leek het mij interessant om de precieze rekeningstand van het Zilverfonds te kennen en ook de evolutie na te gaan sinds 1 januari 2010. Wellicht zijn er immers interesten bijgekomen. Minister Daerden preciseerde dat het Zilverfonds eind december 2010 17,6 miljard euro bevatte.

donderdag 27 januari 2011

Pensioenreserves ondergeschikte ambtenaren slinken

De financiering van de pensioenen van vastbenoemde ambtenaren van gemeente, provincies, openbare ziekenhuizen en intercommunales komt in het gedrang. Dit wisten we reeds omdat steeds meer middelen uit reserves moeten worden geput.

Uit het antwoord van minister van pensioenen Daerden op een schriftelijke vraag van Maggie De Block zien we dat het verschil tussen de geraamde pensioenontvangsten en de geraamde pensioenverplichtingen zowel in pool 1 en pool 2 steeds groter worden. De kloof neemt toe van 313 miljoen euro tekort in 2010 tot 400,79 miljoen euro in 2011.



donderdag 20 januari 2011

Geen premietaksen bij een sectoraal pensioenplan

Op antwoord van mevrouw de volksvertegenwoordiger Meryame Kitir bevestigt de minister van Pensioenen de stelling dat een Fonds voor Bestaanszekerheid is erkend als een openbare instelling.

Op basis van die erkenning zijn er geen taksen van 4,4% op de bijdragen verschuldigd als het sectoraal pensioenplan wordt ingericht door het Fonds voor Bestaanszekerheid, en dit ongeacht of er een solidariteitsluik is voorzien.

Voor het bepalen van een standpunt ter zake en de te ondernemen stappen om een correcte toepassing van deze sociale stimuleringsmaatregel te garanderen, wordt verwezen naar de minister van Financiën.

Geen premietaksen bij een sectoraal pensioenplan

maandag 15 februari 2010

Groenboek pensioenen

Het lang verwachte groenboek over de toekomst van onze pensioenen is een feit. Reden voor Maggie om de minister erover te ondervragen in plenaire vergadering van 11 februari.

Maggie De Blcck (Open VLD) wilde ondernemen vernemen welke concrete maatregelen het boek bevat en vooral wanneer de miniser zijn plannen zal toelichten in het Parlement.

GroenboekPens-Plen-11-02-2010-Antw-Min[1]


maandag 25 januari 2010

Vraag van de heer volksvertegenwoordiger Peter Logghe aan de minister van Pensioenen en Grote Steden (nr. 13) over sociaal statuut en pensioenen van grensarbeiders

Vraag van de heer volksvertegenwoordiger Peter Logghe aan de minister van Pensioenen en Grote Steden (nr. 13) over sociaal statuut en pensioenen van grensarbeiders

Vraag :
Dubbelbelastingverdragen en allerlei andere sociale regelingen tussen allerlei Europese landen moesten het sociaal en fiscaal stelsel van grensarbeiders een stuk draaglijker maken. Nochtans blijken nog heel wat afwijkingen te bestaan, die voor teleurstelling zorgen bij - vooral gepensioneerde - grensarbeiders. 1. Hoeveel Belgische grensarbeiders hebben in de afgelopen jaren (2004 tot en met 2008) de pensioengerechtigde leeftijd bereikt? 2. Hoeveel van die Belgische grensarbeiders hebben hun pensioenrechten als grensarbeider verloren omdat zij één werkdag buiten de Franse (of Duitse, of Nederlandse, enz.) grenszone gewerkt hebben? 3. Hoeveel van de grensarbeiders, die in Frankrijk werken, hebben op hun 60ste een Frans pensioen aangevraagd (waar zij recht op hebben)? 4. a) Hoeveel van die naar Franse normen pensioengerechtigde grensarbeiders hebben na hun 60ste nog verder gewerkt, maar dan in België? b) Wat gebeurde er met hun (Franse) pensioenrechten? 5. a) Werden deze grensarbeiders van het feit op de hoogte gebracht, dat zij bij één dag werken in België, hun statuut als grensarbeider zouden verliezen? b) Werden zij ervan op de hoogte gebracht dat zij vanaf hun 60ste recht hadden op een Frans pensioen?

Antwoord :
Een grenswerknemer werkt in een land grenzend aan België. In beginsel keert hij iedere dag naar zijn verblijfplaats in België terug. Een seizoenwerknemer verricht seizoenarbeid in het buitenland gedurende een periode van minder dan één jaar voor rekening van een werkgever van dat land. Hij behoudt zijn verblijfplaats in België en zijn familie blijft hier wonen. Iemand die tijdens zijn of haar loopbaan grens- of seizoenwerknemer in het buitenland is geweest, was in de regel tijdens zijn of haar tewerkstelling onderworpen aan de pensioenwetgeving van het land van tewerkstelling. Voor die tewerkstelling heeft betrokken meestal recht op een buitenlands pensioen. De Belgische wetgeving waarborgt trouwens voor die tewerkstelling een pensioenbedrag alsof die activiteit in België werd uitgeoefend. Bij het buitenlands pensioen kan dus een Belgische aanvulling worden verleend. Het Belgisch pensioenstelsel laat zijn grenswerknemers dus niet in de kou staan. Het is een misvatting dat grenswerknemers hun pensioenrechten verliezen omdat zij één werkdag buiten de grenszone zouden hebben gewerkt. Uiteraard wordt de berekening van de aanvulling beperkt tot de perioden van grens- of seizoenwerknemer. De Rijksdienst voor pensioenen heeft zeer goede contacten met de Franse, Nederlandse en Duitse pensioeninstellingen en er zijn verschillende gezamenlijke zitdagen. Wat specifiek Frankrijk betreft zijn er maandelijks verschillende gemeenschappelijke zitdagen. Bijkomend worden alle in België wonende 55-jarigen die in Frankrijk gewerkt hebben als grens- of seizoenwerknemer door de Franse pensioenkas uitgenodigd op informatiesessies waar na afloop persoonlijke afspraken kunnen worden gemaakt. Betrokkene ontvangt dan tevens een raming van zijn Belgische en Franse pensioenrechten. Ik kan u geen cijfers geven over hoeveel gewezen grenswerknemers hun Frans pensioen op hun 60ste verjaardag daadwerkelijk opnemen. Alles hangt uiteraard af van de persoonlijke situatie van betrokkene: voldoet hij of zij aan de voorwaarden om een Frans pensioen te verkrijgen, is betrokkene in het genot van een Belgisch brugpensioen, geniet betrokkene ziekte- of werkloosheidsuitkeringen, ...? Tot slot kan ik u melden dat de RVP enkel het aantal gepensioneerde grenswerknemers kan geven die een aanvulling uitbetaald worden. Op 1 januari 2008 waren er dit 53.710.

woensdag 26 augustus 2009

B : Vraag van de heer volksvertegenwoordiger Luc Goutry aan de Minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid: Meewerkende echtgenoten - Uitbreiding pensioenloopbaan met extra jaar tegen betaling

Vraag van de heer volksvertegenwoordiger Luc Goutry:Meewerkende echtgenoten kunnen vóór 2010 en tegen betaling hun pensioenloopbaan uitbreiden met extra jaren. Het gaat dan om jaren gelegen vóór de inwerkingtreding van het maxistatuut, dus om jaren vóór 1 januari 2003.Dank zij deze maatregel kunnen vooral vrouwen (50-plussers) die jarenlang hun ....

Vraag
Ik verwijs naar uw antwoord op mijn vraag nr. 94 van 16 april 2009 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2008-2009, nr. 63, blz. 274.) U heeft zich voorstander getoond van een verruiming van de mogelijkheid tot inkoop van ontbrekende pensioenjaren voor de meewerkende echtgenoot. Volgens u kunnen ook personen die ondertussen uit de echt gescheiden zijn en die vroeger hun zelfstandige echtgenoot geholpen hebben, in de door artikel 36 Pensioenreglement zelfstandigen gestelde voorwaarden, gebruik kunnen maken van het inkooprecht. Bij nader inzien denk ik dat een en ander in de praktijk moeilijk te rijmen valt. Zo stelt de regeling waarnaar u in uw antwoord verwijst (te weten artikel 36, § 7 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen (ARP)) op expliciete wijze dat de geglobaliseerde inkomsten van de echtgenoten in het jaar van de aanvraag tot inkoop een bepaald bedrag niet mogen overschrijden (thans 15.000 euro). Dit betekent concreet bijvoorbeeld dat een in 2004 uit de echt gescheiden vrouw, die anno 2009 een aanvraag tot inkoop doet, pas haar aanvraag ingewilligd zal zien wanneer de som van haar actuele inkomen 2009 plus het inkomen 2009 van haar ex, niet hoger ligt dan 15.000 euro. 1. Mijn vraag is of het eigenlijk niet de bedoeling was dat het referte-inkomen voor de inkoop, het gezamenlijke inkomen moet zijn van de beide echtgenoten in het jaar dat men wil inkopen, in plaats van het inkomen in het jaar van de aanvraag? 2. Heeft men trouwens voor een inkoopaanvraag anno 2009 al zicht op zelfstandige inkomsten 2009 waarvan men aanneemt dat ze doorgaans pas na drie jaar (rond 2011-2012) definitief bekend zijn? 3. Neemt het RSVZ in zulk geval dan voorlopige beslissingen? 4. Geeft de tekst van het koninklijk besluit wel de oorspronkelijke bedoeling weer? 5. In de rand van dit probleem zou men zich trouwens ook de vraag kunnen stellen of men in het kader van de privacywet, rechtstreeks of onrechtstreeks, zomaar inkomstengegevens mag bekend maken van een ex, inkomsten die betrekking hebben op een periode van na de echtscheiding, wetende dat zulks zeer delicaat kan zijn bij alimentatiekwesties? Dit aspect op zich laat me inderdaad veronderstellen dat het de bedoeling moet geweest zijn als referte-inkomen enkel het inkomen te nemen met betrekking tot het in te kopen jaar. 6. De geciteerde onkomstenvereiste van artikel 36, § 7 ARP is naar mijn mening ook moeilijk verzoenbaar met uw visie dat er ook een mogelijkheid tot inkoop is voor wie vroeger meehielp als meewerkende echtgenoot, maar die ondertussen bijvoorbeeld werkneemster geworden is in de onderneming en die dus juridisch beschouwd geen meewerkende echtgenoot meer is. In dat geval zou u dus de inkomsten van de zelfstandige voor het jaar van de aanvraag (netto) samenvoegen met de inkomsten als werkneemster (bruto). Wat is uw mening hieromtrent?


Antwoord
1. Een van de voorwaarden om een gelijkstelling met een periode van bezigheid te bekomen (voor de meewerkende echtgenoten die hun pensioenloopbaan willen uitbreiden met extra jaren) is een inkomensvoorwaarde, die bepaald wordt in artikel 36, § 7 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. Samengevat komt het erop neer dat de gelijkstellingen enkel kunnen worden toegekend wanneer de referte-inkomsten van zowel de geholpen zelfstandige als de meewerkende echtgenoot niet meer dan 15.000 EUR (aan te passen volgens de schommelingen van het indexcijfer aan de consumptieprijzen) samen bedragen. Men dient dus niet de inkomsten van het jaar van de aanvraag zelf in aanmerking te nemen, maar wel de inkomsten die als basis dienen voor de berekening van de sociale bijdragen voor het jaar van de aanvraag, zijnde in principe de inkomsten van 3 jaar terug. Wanneer iemand bijvoorbeeld in 2009 dergelijke aanvraag indient dan moet er rekening gehouden worden met de inkomsten van 2006 van zowel de geholpen zelfstandige als van de meewerkende echtgenoot en niet met de inkomsten van 2009. 2-3. Zoals hierboven reeds gesteld, dient voor een aanvraag in 2009 gekeken te worden naar de inkomsten van het jaar 2006 (de beroepsinkomsten die als basis dienen voor de berekening van de sociale bijdragen voor het jaar gedurende hetwelk de aanvraag tot gelijkstelling wordt ingediend). De inkomsten van 2006 zijn reeds gekend zodat er geen voorlopige beslissingen moeten worden genomen. 4-5-6 Artikel 36, § 7 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, zoals het in zijn huidige vorm voorligt, kan inderdaad aanleiding geven tot toepassingsproblemen, waarbij u er een aantal citeert in uw vraag. Ik vraag mijn administratie te analyseren of het opportuun is in dergelijke gevallen te verwijzen naar de inkomsten van het jaar waarvoor de gelijkstelling wordt gevraagd.

vrijdag 10 juli 2009

Gepensioneerden – beroepsactiviteit na 65 jaar

Gepensioneerden die na een volledige beroepsloopbaan en na hun pensionering op 65-jarige leeftijd, een inkomen uit toegelaten arbeid genieten, dienen nog verder pensioenbijdragen te betalen. 1. Hoeveel gepensioneerden (opgesplitst naargelang het om zelfstandigen, dan wel om loontrekkenden ging) oefenden op 1 januari 2008 na hun pensioenleeftijd nog een beroepsactiviteit uit? 2. Hoeveel daarvan deden dit terwijl zij over een pensioen beschikten na een volledige loopbaan ? 3. Hoeveel pensioenbijdragen heeft deze laatste groep betaald gedurende de voormelde jaren? 4. In hoeveel gevallen werd in voormelde jaren de toegelaten inkomensgrenzen overschreden met minstens 15% en met minder dan 15%?


Klik hier voor het antwoord.

donderdag 11 juni 2009

Toelichting bij aanvullende pensioenen voor contractanten

In de Kamer antwoordt Minister Arena op een vraag van de heer Stefaan Vercamer over de verschillende initiatieven op het vlak van aanvullende pensioenen voor contractanten.

De Minister benadrukt dat de RSZPPO nog geen definitieve beslissing heeft genomen om een aanvullend pensioen voor de contractanten te organiseren. De geciteerde bijdrage van 2% zal bovendien onvoldoende zijn om het wettelijk pensioen voor statutairen en contractanten gelijk te stellen.

De Minister herhaalt dat een wetgevend initiatief zal genomen worden tijdens de eerste maanden van 2009. Zowel verzekeraars als pensioenfondsen zullen een rol kunnen spelen als pensioeninstelling.

Document pagina 305

donderdag 21 mei 2009

Parlementaire vragen - Pensioenen voor EU-commissarissen

SCHRIFTELIJKE VRAAG van Dan Jørgensen (PSE) aan de Commissie


Deze week vernam ik via diverse media dat de onafhankelijke Britse denktank Open Europe een schatting heeft gemaakt van het pensioen van „de gemiddelde EU-commissaris”. Volgens Open Europe kan dit pensioen oplopen tot ongeveer 9 miljoen Deense kronen vóór belastingen.

De pensioenberekening van Open Europe is gebaseerd op de aanname dat een commissaris die het ambt gedurende in totaal vijf jaar heeft vervuld 80 jaar oud wordt. Aangezien de uitbetaling van het pensioen begint in het jaar waarin de commissaris 65 wordt, betekent dit dat het jaarlijkse pensioenbedrag van 380000 kronen vijftien keer wordt uitbetaald. Daarbij zijn in de berekeningen van Open Europe ook het zogenaamde overgangsbedrag van 2,6 miljoen kronen en een extra maandelijks basissalaris van 148000 kronen meegenomen.

Op basis van deze informatie zou ik de Commissie een aantal vragen willen stellen in verband met de mogelijkheid voor burgers om zich een beeld te vormen van wat er goed of fout is aan de hoogte van de pensioenen van commissarissen. Deze vragen moeten daarom worden gezien in het licht van het algemene democratische debat over de transparantie van het EU-systeem en de vaak gehoorde kritiek van EU-tegenstanders dat de EU een project is dat uitsluitend bedoeld is voor de politieke elite. Ik verzoek de Commissie daarom de volgende vragen te beantwoorden: 1. Hoe en door wie zijn de pensioenregels vastgesteld? Waar kunnen Europese burgers zelf inzicht krijgen in de pensioenstelsels van de EU en de hoogte van de verschillende pensioenen?

2. Is het juist wat Open Europe en diverse Europese media schrijven, namelijk dat een commissaris die het ambt gedurende een termijn van vijf jaar heeft vervuld een totaal pensioenbedrag van 9 miljoen kronen tegemoet kan zien?

3. Indien het antwoord op bovenstaande vragen niet bevestigend is, hoe hoog is het totale pensioenbedrag voor een commissaris die het ambt gedurende vijf jaar heeft vervuld?

4. Hoe lang moet een commissaris het ambt hebben vervuld om recht te hebben op een volledig pensioen?

woensdag 29 april 2009

Pensioenfondsen. - Problemen

Parlementaire vraag van Peter Logghe, VB aan Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen

Opnieuw toch een vrij alarmerend bericht uit de financiële wereld. Voor de eerste keer ooit leden de Belgische pensioenfondsen in 2008 enorm verlies, niet minder dan 20 %. De Commissie voor het Bank- Financie- en Assurantie-wezen vraagt aan de fondsen in problemen om tegen het eind van februari 2009 met een dekkingsgraad beneden de 100 % een volledig en duidelijk herstelplan voor te leggen.
1. Hoeveel pensioenfondsen zijn er momenteel in België lopend?
2. Hoeveel verzekerden tellen die fondsen?
3. Hoeveel van die pensioenfondsen hadden eind 2008 een dekkingsgraad minder dan 100 %?
4. a) Hoeveel van de fondsen, van àlle pensioenfondsen en van die fondsen met een dekkingsgraad lager dan 100 %, moeten in 2009 beginnen de beloofde pensioenen uit te betalen?
b) Hoeveel in 2010?
c) Hoeveel in 2011?
5. a) Hoeveel verzekerden van die fondsen gaan in 2009 met pensioen?
b) Hoeveel in 2010?
c) Hoeveel in 2011?
6. a) Welke bedragen zullen de werkgevers in 2009 zelf moeten bijpassen om het gegarandeerd percentage van het loon aan de gepensioneerden uit te betalen?
b) Hoeveel in 2010 volgens de schattingen?
c) Hoeveel in 2011?


Antwoord: PDF nog niet beschikbaar

Duidelijkheidshalve dient te worden vermeld dat het hieronder gegeven antwoord betrekking heeft op de situatie van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBP's) naar Belgisch recht die hoofdzakelijk aanvullende pensioenregelingen voor werknemers beheren, als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid (WAP). In een beperkt aantal gevallen beheren deze instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening wettelijke pensioenregelingen voor het statutair personeel van publiekrechtelijke entiteiten of rechtspersonen of pensioenregelingen voor zelfstandigen, als bedoeld in de programmawet van 24 december 2002. De onderstaande antwoorden gelden dus niet voor pensioen- of spaarformules die ten persoonlijke titel worden onderschreven buiten dienstverband.
1. Op dit ogenblik zijn er in België 250 instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening actief.
2. Deze instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening tellen op 31 december 2007 620.300 aangeslotenen, waarvan 430.251 actieve aangeslotenen, 136.872 aangeslotenen met uitgestelde rechten en 53.177 renteniers.
3. Bij het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening gaat de CBFA onder meer uit van de rekeningen en andere financiële documenten die de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening haar jaarlijks moeten bezorgen met toepassing van artikel 98, eerste lid, van de Wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Voor het boekjaar 2008 zullen er dus maar volledige gegevens over de volledige sector kunnen worden verstrekt rond half 2009. Gezien de uitzonderlijke situatie van de laatste maanden heeft de CBFA echter verschillende maatregelen genomen. Via haar mededeling CBFA_2008_23 van 9 december 2008 heeft de CBFA de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening gevraagd een proactieve houding aan te nemen. Wanneer zij een financieringstekort vaststellen of menen dat het boekjaar 2008 afgesloten zal worden met een dergelijk tekort, moeten zij aan de CBFA een herstelpan voorleggen vóór 28 februari 2009. De CBFA heeft ook contact opgenomen met de betrokken instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Sommige van de gecontacteerde instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening hebben onmiddellijk de passende maatregelen genomen om het tekort aan te vullen. Andere instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening werden verzocht een herstelplan voor te leggen aan de CBFA. Nog andere hebben aangekondigd dat zij tot invereffeningstelling zullen overgaan, of dat zij voor dit tekort reeds een herstelpan hebben opgesteld. De dekkingsgraad van alle instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening samen bedroeg eind 2006 143 % en eind 2007 130 %. Zoals we hierboven hebben vermeld, zullen de gegevens voor het boekjaar 2008 maar gekend zijn rond half 2009. Op basis van de resultaten van een enquête verwacht de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen (BVPI) voor 2008 een negatief rendement van ongeveer 20 %, waardoor de gemiddelde dekkingsgraad rond de 110 % zal komen te liggen. Er is sprake van een dalende tendens, en de verklaring hiervoor ligt in het feit dat de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening veel in aandelen beleggen. Er is overigens een tamelijk duidelijke correlatie waar te nemen tussen de economische cycli en het resultaat van de beleggingen van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening langetermijnverbintenissen beheren. De activa die deze verbintenissen dekken worden dus op lange termijn belegd, wat betekent dat het vooruitzicht van een beursheropleving het huidige tekort kan verminderen of zelfs volledig kan wegwerken. Dankzij deze lange termijn hebben de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening doorgaans geen liquiditeitsproblemen en zijn ze niet verplicht hun activa te verkopen. Veel instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zijn zelfs nog altijd netto-investeerders.
4. De overgrote meerderheid van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening keert vandaag al prestaties uit en zal dit ook verder blijven doen in 2009 en daarna. De CBFA beschikt niet over gegevens met betrekking tot de exacte tijdstippen waarop de prestaties verschuldigd worden.
5. Zoals gezegd beschikt de CBFA niet over gegevens met betrekking tot de exacte tijdstippen waarop de prestaties verschuldigd worden.
6. In principe worden er geen rechtstreekse betalingen door de werkgevers aan de gepensioneerden gedaan. De IBP neemt zelf het volledige bedrag dat verschuldigd is op basis van het pensioenreglement ten laste. Dit is ook zo indien de dekkingsgraad minder dan 100% zou bedragen. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de meeste instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening op dit ogenblik netto-investeerders zijn, waardoor de kans dat zij in de periode 2009-2011 niet zouden kunnen voldoen aan hun verplichting tot uitbetaling van lopende of nieuw ingaande pensioenen, zeer beperkt is. Zo er zich op dat vlak een probleem zou voordoen zijn de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening ertoe gehouden om de CBFA daarvan onmiddellijk op de hoogte te brengen. Op heden heeft de CBFA geen signalen in die zin ontvangen.
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :