Iets meer dan een kwart van de alleenstaande vrouwen (27 procent) die kunnen rekenen op een overlevingspensioen, leven onder de armoedegrens. Als we de overlevingspensioenen buiten beschouwing laten stijgt dit percentage voor alleenstaande vrouwen tot 49 procent. Dat blijkt uit een studie door het Centrum voor Sociologisch Onderzoek van de K.U.Leuven.
In 2006 was 35 procent van de gepensioneerden alleenstaand, waarvan de overgrote meerderheid vrouwen. Vrouwen die met een partner samenleven ontvangen als rustpensioen voor werknemers gemiddeld 536 euro per maand, alleenstaande vrouwen 964 euro. Terwijl 72 procent van de vrouwen met partner op basis van het eigen pensioen onder de armoedegrens valt daalt dit cijfer tot 31 procent als ook het inkomen van de partner wordt meegerekend.
Een mogelijke afschaffing of vermindering van het overlevingspensioen moet volgens KUL-socioloog Jos Berghman met grote voorzichtigheid gebeuren, vanwege het belang ervan voor de pensioenbescherming van alleenstaande vrouwen. Terwijl het "eerstepijlerpensioen" de minimumbescherming moet garanderen, dient de tweede pensioenpijler verbreed en verdiept worden om het behoud van de levensstandaard te verzekeren.