Ten opzichte van de vorige enquête uit 2004 blijft het aantal begunstigden van bedrijfspensioenen toenemen, vooral onder arbeiders. De dekkingsgraad bedraagt nu tussen 50 en 60% van de werknemers. De opgebouwde reserves in deze tweede pensioenpijler volgen echter niet hetzelfde groeiritme. Terwijl steeds meer werkgevers de volledige financieringslast van de aanvullende pensioenen dragen, stagneert het totaalvolume aan bijdragen. De studie stelt ook een afname vast van de geboden voordelen op pensioenleeftijd. Die evolutie is grotendeels te verklaren door de omzetting van oude pensioenplannen in nieuwe, minder dure plannen. Zo heeft sinds 2004 een derde van de bevraagde bedrijven zijn pensioenplan gewijzigd. Een andere opmerkelijke trend is de verandering in het type van aanvullende pensioenplannen. In 1996 – het jaar waarin Aon Consulting begon met zijn onderzoeken – was nog 70% van de pensioenplannen van het type ‘te bereiken doel’ (gericht op het bekomen van een bepaald pensioenbedrag, bijvoorbeeld uitgedrukt als percentage van het laatst verdiende loon).
Nu is dit soort pensioenplannen nog slechts goed voor 33% van het totaal; 65% zijn plannen met ‘vaste bijdragen’ waarin de werkgever periodiek een vast bedrag voor het pensioen van zijn werknemer stort, maar waarvan het uiteindelijke voordeel op het eind van de carrière niet vaststaat. Aon Consulting maakt ook nog een jaarlijkse Europese pensioenbarometer op waarin het de Europese landen rangschikt naar de kwaliteit van het totale pensioenplaatje. Hieruit blijkt dat België in Europees verband iets beter scoort dankzij de aanvullende pensioenen, maar dat ons land nog steeds achteraan bengelt door de lage participatiegraad van 55-plussers en het lage wettelijk pensioen.
Het VBO is en blijft voorstander van de verdere uitbouw van aanvullende pensioenen voor werknemers. Ik trek drie lessen uit deze Aon-enquête 2007. De eerste les is dat de overheid dringend de wetgeving op de aanvullende pensioenen moet verduidelijken en vereenvoudigen. Duidelijkheid en rechtszekerheid zijn immers de beste voedingsbodem voor langetermijnverbintenissen zoals pensioenplannen. De tweede les richt zich tot de werknemers en hun vertegenwoordigers: kies tussen onmiddellijke loonopslag en extra pensioen later; de twee tegelijk gaat niet. Ten derde: werkgevers doen reeds een aardige duit in de pensioenzak van de werknemer en ze kunnen nog meer als de eerste twee lessen gehoor vinden. Bovendien moet de overheid het individueel pensioensparen nog verder aanmoedigen.