donderdag 4 maart 2010

Het conventioneel brugpensioen: voorwaarden en bijdrageregeling

In dit artikel frissen we voor u de voorwaarden op, herhalen de bijdrageregeling en proberen u ook al een beeld te geven van wat de toekomst zal brengen. In 2010 wordt de bijdrageregeling veranderd en hoewel er nog geen officiële teksten zijn, willen wij u toch al de hoofdlijnen meegeven.

De algemene reglementering betreffende het conventioneel brugpensioen
Het conventioneel brugpensioen werd ingevoerd door de CAO nr. 17. Het biedt een werknemer die de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft én ontslagen werd, de mogelijkheid om te genieten van een werkloosheidsuitkering en een aanvullende vergoeding. Deze vergoedingen ontvangt hij tot aan de leeftijd waarop hij op pensioen gaat. De aanvullende vergoeding, ook wel brugpensioenvergoeding genoemd, wordt betaald door de werkgever.

In principe is de werkgever verplicht om de bruggepensioneerde werknemer te vervangen.
Ook de werknemer moet een aantal voorwaarden vervullen om aanspraak te kunnen maken op het conventioneel brugpensioen:

1.Ontslag van de werknemer: de werknemer moet ontslagen worden, maar niet wegens dringende reden.
2.Er moet een CAO zijn: ofwel wordt gebruik gemaakt van CAO nr. 17, ofwel van een overeenkomst op sectoraal -of ondernemingsniveau, die de voorwaarden voor de toegang tot het brugpensioen bepaalt. Deze voorwaarden hebben betrekking op de leeftijd waarop brugpensioen mogelijk is, evenals op de vereiste loopbaanvoorwaarden.
3.Leeftijdsvoorwaarde en loopbaanvereiste: algemeen geldt de regel dat het brugpensioen pas mogelijk is vanaf 60 jaar. Veelal wordt hiervan afgeweken en wordt die leeftijd tot 58 jaar verminderd. Daarnaast dient de werknemer te voldoen aan een loopbaanvereiste op het moment van het ontslag. Momenteel moet een man een loopbaan van 30 jaar achter de rug hebben. Voor vrouwen bedraagt dit 26 jaar. De wil van de overheid bestaat erin om mensen zo lang mogelijk aan het werk te houden. Daarom is voorzien dat deze loopbaanvereisten de komende jaren gevoelig zullen stijgen. Uiteindelijk zullen mannen en vrouwen tot een loopbaanvereiste van 35 jaar moeten komen.

Op de leeftijdsgrens van 60 jaar bestaan echter een groot aantal afwijkingen. Deze hebben allen gemeen dat een werknemer slechts op een jongere leeftijd kan genieten van het conventioneel brugpensioen indien hij reeds een zeer lange loopbaan achter de rug heeft (33 tot 38 jaar). Dit is veelal het geval voor werknemers die een “zwaar” beroep of nachtwerk uitoefenen. In ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering kunnen werknemers onder bepaalde voorwaarden al vanaf 50 jaar genieten van brugpensioen.

Vervanging van de bruggepensioneerde in de onderneming
In principe is de werkgever verplicht om alle werknemers te vervangen die tot het conventioneel brugpensioenstelsel toetreden. De vervanger moet een nieuw aangeworven persoon zijn. Dergelijke vervangingsplicht geldt niet voor het brugpensioen vanaf 60 jaar.

Het inkomen van de bruggepensioneerde
Hoe ziet het inkomen van een bruggepensioneerde eruit? Het antwoord op deze vraag vinden we terug in CAO nr. 17. Deze CAO bepaalt dat de brugpensioenvergoeding enerzijds bestaat uit een werkloosheidsuitkering ten laste van de RVA en anderzijds uit een aanvullende brugpensioenvergoeding ten laste van de werkgever.



1.Alle bruggepensioneerden hebben recht op werkloosheidsuitkeringen tegen het constante percentage van 60% gedurende hun volledige brugpensioen. Dit percentage wordt berekend op het dagelijkse loon dat door de werknemer werd verdiend. Het loon wordt echter begrensd op 1921 euro per maand.
2.Naast deze werkloosheidsuitkering heeft de bruggepensioneerde recht op een aanvullende vergoeding die normaal betaald wordt door de werkgever. Deze vergoeding bedraagt de helft van het verschil tussen het begrensde nettoloon dat de persoon verdiende en de werkloosheidsuitkering.

De bruggepensioneerde heeft recht op beide vergoedingen tot de datum waarop hij de pensioenleeftijd bereikt heeft. De partijen, de sector of de onderneming kunnen daarenboven ook nog voorzien in een buitenwettelijke aanvulling van de brugpensioenvergoeding.

Het recht op de aanvullende vergoeding is ondergeschikt aan het voordeel van werkloosheidsuitkeringen. Dit houdt in dat het recht op de aanvullende brugpensioenvergoeding vervalt als de werkloosheidsuitkering wordt geschorst of opgegeven.

De huidige bijdrageregeling voor het conventioneel brugpensioen
Iemand wegwijs maken in het kluwen van deze bijdrageregeling is geen simpele opdracht.
Wie betaalt? Wat wordt betaald? En vooral, aan wie worden de bijdragen betaald? Het zijn vragen waarop velen vaak het antwoord schuldig moeten blijven.
Hierbij herhalen we kort de huidige bijdrageregeling en al snel wordt duidelijk waarom het voor werkgevers niet altijd even duidelijk is.

Tot op heden ziet de bijdrageregeling er als volgt uit:

Inhouding ten laste van de werknemer:
■Er wordt een inhouding van 3,5% gedaan door de schuldenaar van de aanvullende vergoeding. Deze inhouding is bestemd voor de RVP en wordt berekend op het totale inkomen van de bruggepensioneerde. Hoewel berekend op de totale vergoeding, wordt er enkel ingehouden op de aanvullende vergoeding door de werkgever. Als de aanvullende vergoeding door verschillende schuldenaren wordt betaald, moet diegene die het belangrijkste gedeelte ervan betaalt, de inhouding doen.
■Er wordt een inhouding van 3% gedaan door de RVA. Ook hier gebeurt de berekening dus op basis van de totale vergoeding, maar wordt de inhouding verricht door de RVA op het bedrag van de werkloosheidsuitkering.
Minimum brugpensioenvergoeding
De werkgever moet de inhouding van 3,5 procent niet doorvoeren indien de totale brugpensioenvergoeding onder de jaarlijkse vastgestelde minimumbedragen zou vallen bij toepassing van bovenvernoemde inhoudingen.

Is de vergoeding wel hoger dan het minimumbedrag, dan verricht de werkgever de inhouding. De RVA gaat dan op haar beurt na of zij de inhouding van 3 procent moet doen.

Bijdragen ten laste van de werkgever:
■Er is een forfaitaire bijzondere werkgeversbijdrage, bestemd voor de RVP. Het forfait wordt verminderd voor de ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering en voor bepaalde instellingen voor de non-profit.
■Er is een forfaitaire bijzondere werkgeversbijdrage, bestemd voor de RSZ. Deze werkgeversbijdrage is niet verschuldigd door bepaalde instellingen uit de non-profit. Maar zij moet wel betaald worden door de ondernemingen in moeilijkheden en voor de werknemers met een laag loon, in tegenstelling tot de bijzondere bijdrage ten voordele van de RVP.
■Er is een procentuele bijzondere compenserende werkgeversbijdrage, bestemd voor de RSZ
De wijzigingen van het conventioneel brugpensioen
De bijdrageregeling is ingewikkeld en moet dringend vereenvoudigd worden. Hoewel nog niet officieel, zal een nieuwe regeling van het brugpensioen, DECAVA genaamd, wellicht ingaan op 1 april 2010.
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :