vrijdag 27 augustus 2010

De harde waarheid over zachte pensioenen in Nederland

De pensioenonrust is een mooie aanleiding om de hoogst noodzakelijke discussie te starten over de verdeling van de kosten en risico’s van het pensioenstelsel.

Het is bijna een platitude in dit door crises geteisterde tijdsgewricht, maar vooruit nog één keer: De huidige pensioencrisis biedt ook een kans. De kans om de discussie op gang te brengen over de verdeling van de nog altijd zwaar onderschatte kosten en risico’s van ons pensioenstelsel. Want de huidige onrust betreft slechts het tipje van de ijsberg. Laten we het vooral hebben over het veel grotere probleem dat nog onderwater ligt.

Schokkende rapporten
Jarenlang hebben politici en de in het pensioenbestuur verenigde werkgevers en vakbonden de Nederlanders een rotsvast vertrouwen in hun waardevaste pensioen aangepraat. Dat vertrouwen hield stand toen, als gevolg van de ICT-crash en de stijgende levensverwachting, de dekkingsgraad tussen 1999 en 2005 daalde van 200 procent naar 120 procent. Maar na de laatste financiële crash vertrouwde begin 2009 minder dan de helft van de pensioendeelnemers zijn pensioenfonds. Het percentage dat ‘geen tot weinig’ vertrouwen heeft in zijn pensioenfonds verdubbelde. Let wel: dit zijn cijfers van voor de recent aangekondigde kortingen.

Het probleem is het afgelopen jaar in kaart gebracht door drie commissies. Het leverde drie schokkende rapporten op, die overigens weinig beroering losmaakten. Wellicht naast de algemene desinteresse in pensioenen ook een gevolg van het zalvende taalgebruik. Ingrijpende hervormingsvoorstellen gaan schuil achter polderformuleringen met een bijna taoïstische schoonheid als ‘onzekere zekerheid’ en ‘van welvaartsvast naar waardevast’.

Het rapport van de commissie Frijns was nog de minst verontrustende van het stel. Deze concludeerde slechts dat pensioenfondsen nodeloos 20 miljard euro te veel verloren tijdens de crisis. Klein bier vergeleken bij de conclusie van een deel van de commissie Don over de te verwachten rendementen van de pensioenbeleggingen. De commissie Goudswaard concludeerde tot slot dat het huidige systeem ‘onvoldoende toekomstbestendig’ is.

Deze rapporten verdienen het alsnog de volle aandacht te krijgen. Al lijken de pensioenbestuurders daar anders over te denken. Sinds de onrust over de dreigende pensioenkortingen putten zij zich uit in sussende woorden en halve waarheden. De huidige dekkingsproblemen zouden slechts het gevolg zijn van een boekhoudkundige rariteit.

Rijk rekenen
De pensioenbestuurders hebben gelijk dat de rente recentelijk sterk gedaald is. En dat dit door de nieuwe boekhoudregels direct doorwerkt in een (te) lage dekkingsgraad. De rente zou echter weleens langdurig laag kunnen blijven. Zo is het einde van de economische crisis nog niet in zicht. Na de vorige wereldwijde crash duurde het 15 jaar en een wereldoorlog voordat de economie weer aantrok. En dat zonder de dempende werking van een vergrijzende bevolking op de economische dynamiek. Ook de commissie Goudswaard spreekt van een ‘structurele daling van de rente’.

Wat de pensioenfondsbestuurders ook niet melden is dat ze nog altijd rekenen met een rendement op hun aandelenbeleggingen dat aanzienlijk hoger is dan wat de experts van het Centraal Planbureau, de Nederlandse Bank en commissievoorzitter Don realistisch achten. De integratie van financiële markten en ICT-revolutie stuwden de laatste decennia de rendementen omhoog. Die bonus zal er de komende jaren niet meer zijn en daarom kan maar beter rekening worden gehouden met structureel lagere rendementen.

Maar is de Nederlandse werknemer daarmee tweemaal zo gelukkig?De vakbondsbestuurders hielden een verlaging van de maximaal te hanteren rendementen tegen door te stellen dat resultaten uit het verleden nog altijd de beste garantie zijn voor de toekomst.

Generatiestrijd
Het is ondoenlijk om -voor de komende decennia- met enige zekerheid iets te zeggen over de rente en het aandelenrendement. Daarmee is de prijs van een goed pensioen met grote onzekerheden omgeven. Een spijkerhard pensioen is vooral een heel duur pensioen. De vraag is nu of we doorgaan met financieel scherp voor de wind te zeilen? Of dat we gaan rekenen met (structureel) lagere rente en rendementen? De keuze die we maken heeft direct gevolgen voor de verdeling van de pensioenkosten tussen generaties. Blijken we achteraf te zuinig, dan betalen de huidige ouderen de rekening. Zijn we te optimistisch, dan betalen de jongeren de prijs.

Deze keuze kunnen we nog wel een tijdje blijven uitstellen. Een onvoldoende pensioenopbouw blijft onopgemerkt zolang maar genoeg jongeren instromen. En jongeren stromen wel in, daar zijn ze immers toe verplicht. De vraag is wat zij nog in de pensioenpot vinden. De Amsterdamse professor Van Praag spreekt van ‘een soort pyramidesysteem, waarbij de jongste generatie de pineut wordt.’

Als bestuurslid van de organisatie van gepensioneerden wijst deze zelfde van Praag (Volkskrant opiniepagina 24-8) erop dat de gepensioneerden van nu eerder gingen werken, en korter zullen leven, dan de jeugd van tegenwoordig. Hij stelt daarom voor de premies te verhogen. Hier verzetten de jongeren bij monde van Bakker en Pikaart zich een dag later op dezelfde opiniepagina tegen. Ook de commissie Goudswaard wijst premiestijgingen van de hand. Deze zijn al sterk opgelopen. Goudswaard c.s. zoeken het eerder in het bijstellen van de ‘pensioenambitie’.

Dat is een duur woord voor langer werken voor minder pensioen. Dat kan ook, omdat we langer leven en de inkomenspositie van ouderen stevig is. Sterker, volgens Goudswaard kunnen ouderen weleens ‘de meest kapitaalkrachtige bevolkingsgroep van ons land’ gaan vormen. Nu al ligt het vermogen van ouderen met meer dan 200 duizend euro per huishouden een derde hoger dan gemiddeld.

Noodzakelijke discussie
Hoe langer we wachten met herverdelen, des te scherper de tegenstelling tussen actieven en gepensioneerden. Een nieuwe redelijke verdeling van lusten en lasten is geen kwestie van simpelweg optellen, aftrekken en vervolgens eerlijk delen. De discussie moet niet blijven steken in sommetjes over verdisconteerde euro’s. Een vergelijking tussen generaties vereist een breder welvaartsperspectief. Nu staat de moeilijkheid van het vergelijken van een euro nu met een euro over een paar jaar centraal. Maar hoe die euro’s zelf te waarderen? Ruwweg elke 25-30 jaar verdubbelt onze economie in omvang.

Maar is de Nederlandse werknemer daarmee tweemaal zo gelukkig? Dat is aantoonbaar niet het geval. En hoe betrekken we het milieutekort dat de babyboomgeneratie nalaat in de berekening, de klimaatcrisis en grondstoffentekorten? En het achterstallig onderhoud in het onderwijs als gevolg van de in de jaren ’80 ingezette bezuinigingen?
Het is een even ingewikkelde als hoogst noodzakelijke discussie. Daarbij helpt het niet als de sociale partners alle touwtjes in handen houden. Naast de gepensioneerden verdienen ook de jongeren, de actieve beroepsbevolking waarvan het overgrote deel niet is aangesloten bij een vakbond, een plek aan tafel. Alleen door deze discussie te voeren met alle betrokkenen kan het hevig geschade vertrouwen in het pensioenstelsel weer op peil gebracht worden. En deze daarmee behouden

Rens van Tilburg (Amsterdam, 1974) is publicist en adviseur van de overheid. Hij studeerde economie in Maastricht en werkte voor GroenLinks in Brussel en Den Haag. Sinds 2004 is hij in dienst van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) en werkte hij geregeld voor het Innovatieplatform. Tijdens het financiële crisisjaar 2008-2009 deed hij vanuit Washington en Londen onderzoek naar de betekenis van de financiële sector voor het innoverende bedrijfsleven
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :