Er zijn minstens twaalf ingrepen nodig om het pensioenbeleid te hervormen.
‘Over het algemeen zijn de prestaties van het Belgisch pensioensysteem eerder middelmatig te noemen.' ‘Het armoederisico onder bejaarden neemt overal toe, maar België hoort tot de kopgroep.' ‘Nochtans, als met alle vergrijzingskosten rekening wordt gehouden, zijn de kosten ervan in België het hoogst.' Dit staat niet in oppositieteksten, maar in het ‘Groenboek' van minister van Pensioenen Michel Daerden (PS). Het zijn niet de individueelste gedachten van deze lolbroek, maar de resultaten van de analyserende gesprekken onder de sociale partners en de regeringstop. Ze weten het dus allemaal wel.
Dat Groenboek lijst ook op wat andere landen al gedaan hebben. Veel was overigens al jaren aangereikt door de analyses van de officiële Vergrijzingscommissie die de opeenvolgende regeringen achteloos naast zich neerlegden.
De kern van de zaak is simpel. Er zijn maatregelen nodig om de vergrijzing (meer ouderen die ook almaar ouder worden) en de ontgroening (minder jongeren) op te vangen. De komende decennia neemt het aantal werkenden in ons land met een half miljoen af, terwijl het aantal gepensioneerden met ruim een miljoen toeneemt (zie grafiek).
Uit de officiële documenten en uit wat andere landen deden, zijn twaalf noodzakelijke maatregelen af te leiden. Afgelopen regeerperiode gebeurde er enkel iets aan de zevende.
De twee eerste maatregelen zijn algemene:
1. de openbare schuld saneren om adem te hebben om beleid en een pensioenbeleid te voeren
2. de kostengroei in de gezondheidszorg – die andere post die de vergrijzing sterk voelt – inperken tot 2,8 procent per jaar in plaats van het wereldrecord van 4,5 procent per jaar te handhaven.
Dan volgt een cluster van maatregelen voor het langer werken:
3. langer en meer werken en de activiteitsgraad optrekken tot minimum 70 procent (Vlaanderen nu 67, Wallonië en Brussel 55).
4. dit vergt onder meer de afschaffing van alle formules van vervroegde uittreding (er is nog altijd brugpensioen mogelijk vanaf 50 jaar!)
5. de arbeid van ouderen goedkoper maken (de federale regering wou de lastenverlaging voor ouderen evenwel afschaffen)
6. de officiële pensioenleeftijd verhogen, zeker voor wie later dan z'n twintigste begon te werken.
Binnen het pensioenberekeningsstelsel zijn zes reeksen maatregelen nodig om
7. de armoede onder bejaarden te beperken; dat vergt een verhoging van de laagste pensioenen (tot de Europese armoedegrens)
8. de pensioenberekening aanpassen zodat langer werken écht een hoger pensioen oplevert
9. en zodat korter werken een lager pensioen oplevert (dat principe werd destijds geschrapt uit de het pensioenstelsel en niemand durft het wederinvoeren)
10. het grote verschil tussen de pensioenen van ambtenaren en die van werknemers verkleinen
11. de opbouw van een aanvullend pensioen veralgemenen en het gespaarde bedrag optrekken
12. dat alles moet omgezet worden in een transparant berekeningssysteem dat, naar Zweeds voorbeeld, de werkende toelaat voortdurend te zien hoeveel pensioenrechten hij al opgebouwd heeft, en hoe hij die kan verhogen door langer of meer te werken en hoe dat verlaagd wordt door minder te werken of vroeger te stoppen.