De mensen langer doen werken, daar gaat de regering uiteraard flink wat geld voor vrijmaken in de vorm van bonussen en stimuli. Geld dat alvast niet zal gaan naar een broodnodige verhoging van de huidige pensioenen.
De cijfers zijn ondertussen al genoegzaam bekend, maar ze blijven schandalig. Een op de vier Belgische gepensioneerden leeft onder de armoedegrens. De Belgische pensioenen behoren tot de allerlaagste van heel Europa. Waar blijft de verontwaardiging van onze ministers hierover?
In Daerdens groenboek staan enkele verontrustende pistes om ouderen — senioren worden ze zelfs genoemd — langer te doen werken. Zo wordt de vraag gesteld of werkgevers niet moeten worden aangemoedigd (lees: vermindering van patronale bijdragen krijgen) om senioren aan te werven. En of de beroepsactiviteit van senioren niet op fiscale wijze kan worden aangemoedigd... De activering van ouderen mag dus wat kosten, maar de verhoging van de pensioenen lijkt niet meteen een prioriteit.
Als er niet ingegrepen wordt, zullen de pensioenen nog verder achterop geraken ten opzichte van de lonen, en zullen nog meer gepensioneerden in de armoede sukkelen. Kan de regering als oplossing echt niets beters verzinnen dan mensen langer te laten werken, en hen zelfs daarna nog te doen bijklussen, om aan een deftig pensioen te geraken?
Neen, dan liever het voorstel van het ABVV. De socialistische vakbond stelt voor om de pensioenen op te trekken tot 60 % van het gemiddelde loon. Voor alleenstaanden tot 75 %. Dat zou 2,4 miljard euro kosten. Veel geld? Ja, maar slechts een peulschil in vergelijking met de bijna 10 miljard euro aan vermindering van patronale bijdragen die de werkgevers jaarlijks opstrijken. En zeker in vergelijking met de ruim 20 miljard euro die uitgetrokken werd voor de redding van de banken. Wordt het niet eens tijd dat er ook geïnvesteerd wordt in onze ouderen?
Groenboek pensioenen : Snoeien in de gelijkgestelde periodes
Een paar maanden werkloos geweest? Of enkele jaren deeltijds gewerkt om voor de kinderen te zorgen? Als het van Leterme afhangt, tellen die periodes niet meer volledig mee in uw pensioenberekening.
Om nu een volledig pensioen te bekomen moet je 65 jaar zijn, en een loopbaan van 45 jaar achter de rug hebben. Minder dan 45 jaar gewerkt, betekent geen volledig pensioen. Als u bijvoorbeeld 40 jaar gewerkt hebt, dan hebt u slechts recht op 40/45sten van uw volledig pensioen.
Een volledige loopbaan bestaat uit de som van het aantal gewerkte jaren en de gelijkgestelde periodes. Dit zijn periodes waarin een sociaal verzekerde geen bijdragen betaalt, maar toch socialezekerheidsrechten opbouwt. Ze worden in de pensioenregeling onder meer toegekend bij werkloosheid met uitkering, bij arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval of beroepsziekte, bij stakingsdagen, bevallingsrust of bij loopbaanonderbreking. Een arbeider die bijvoorbeeld op zijn 20e is beginnen werken, twee jaar loopbaanonderbreking heeft genomen, in totaal een jaar ziek is geweest en op zijn 62e met brugpensioen gaat, zal op zijn 65e een volledige loopbaan van 45 jaar hebben, alhoewel hij er maar 39 jaar effectief van heeft gewerkt.
Nu gaan er stemmen op om flink te snoeien in deze gelijkgestelde periodes. Bijvoorbeeld om periodes van werkloosheid (of van brugpensioen) nog maar voor 80 % te laten meetellen, of om een bovengrens te stellen aan het aantal gelijkgestelde periodes. Daardoor zou de arbeider uit het voorbeeld hierboven een à twee jaar loopbaan kunnen verliezen.
Groenboek pensioenen : Aanval op het brugpensioen
De mensen leven langer, dus moeten ze ook maar langer werken om de pensioenen betaalbaar te houden. Een simpele redenering, die echter geen steek houdt.
Alle partijen lieten de afgelopen weken ballonnetjes op over hun visie over waar het naartoe moet met de pensioenen. De manier waarop dat moet gebeuren verschilde wel lichtjes, maar ze waren het er unaniem over eens dat de mensen langer aan de slag moeten blijven. Ook minister Daerden is die mening toegedaan. Op de persconferentie waarop hij zijn groenboek voorstelde, bevestigde de minister dat elke Belg in de toekomst “drie jaar langer” zal moeten werken waardoor de effectieve uitstapleeftijd — vandaag gemiddeld 59 jaar — zou verhogen. “Het is een piste die onze voorkeur heeft,” benadrukte hij.
Elke Belg gemiddeld drie jaar langer werken? Aangezien zieken en werklozen daar al niet mee voor kunnen zorgen, betekent dit dat oudere actieven dat deel moeten overnemen en zelf dus 7 à 8 jaar langer zullen moet werken...
“Voor heel wat mensen is een paar jaar extra werken gemiddeld best doenbaar,” vond premier Leterme afgelopen zondag in De zevende dag. Ofwel heeft deze man weinig realiteitsbesef, ofwel is hij knettergek geworden. De Belgische werknemers zijn de op twee na meest productieve werknemers ter wereld. Dat heeft zo zijn gevolgen. Belgen hebben meer last van stress dan hun Europese buren. Belgen zijn ook de absolute koplopers op het vlak van kalmeermiddelen en antidepressiva slikken. Heel veel werknemers tussen 55 en 65 jaar hebben zwaar last van hun gezondheid... Hoezo, langer werken is best doenbaar?
In het moeras
Voor deze mensen is het brugpensioen een welgekomen manier om een zware loopbaan af te ronden. Zelfs al gaat dit gepaard met aanzienlijk loonverlies. Maar premier Leterme gunt hen zelfs dat niet meer. “Er moet meer selectief omgesprongen worden met de toekenning van brugpensioenen,” sprak hij.
Maar hoe gaan we in godsnaam jongeren aan het werk krijgen als we oudere werknemers langer doen werken? Onze politici verwijzen graag naar het Scandinavische model om ons ervan te overtuigen dat een hogere activiteit bij oudere werknemers geen negatieve gevolgen hoeft te hebben voor de jongerenwerkloosheid. In die landen is het inderdaad zo dat lange carrières samengaan met een lage jeugdwerkloosheid, maar wat onze politici er niet bij vertellen is dat ginds de rol van de staat en van de non-profit bij de creatie van jobs veel groter is... En dat is bij ons bijlange niet het geval. In de grafiek hieronder, over de activiteitsgraad per leeftijdsgroep in ons land, is duidelijk te zien dat hoe meer ouderen er aan het werk zijn, hoe minder jongeren een job hebben. Het is dan ook pure waanzin dat de regering een beleid uitstippelt dat enerzijds ouderen aan het werk houdt, maar anderzijds jongeren in het moeras van de werkloosheid duwt.
“We moeten de tweede pensioenpijler ‘democratiseren’,” zegt minister Daerden. Klinkt nobel, maar in de praktijk ondermijnt dit het solidariteitsprincipe van de pensioenen en zet het de deur open voor de privatisering van de sociale zekerheid.
In de plannen van Daerden is een belangrijke rol weggelegd voor de tweede pensioenpijler (een aanvullend pensioen dat via de werkgever wordt uitgebouwd. Het is een vorm van uitgesteld loon, dat op de dag van de pensionering uitbetaald wordt via een maandelijkse rente of in één keer in de vorm van kapitaal). De redenering hierachter is dat als de mensen zelf voor een aanvullend pensioen zorgen, de overheid zelf minder moet investeren in het wettelijk pensioen (de eerste pijler). Maar een gevolg hiervan is wel dat als de aanvullende pensioenen gangbaarder worden, men ook verder aan het wettelijke pensioen kan knabbelen.
Aanvullende pensioenen zijn ook vervelend in de zin dat je alleen pensioen opbouwt als je werkt. Wie werkloos is, of een loopbaanonderbreking neemt, bouwt geen aanvullend pensioen op, en valt terug op wat hij opbouwt via de eerste pijler, het wettelijke pensioen. En dat is net de pijler die de overheid wil afbouwen.
Zekerheid bleek een mythe
De crisis heeft bovendien blootgelegd dat de aanvullende pensioenstelsels, die gebaseerd zijn op kapitalisatie (het zijn eigenlijk beleggingsfondsen), heel erg onbetrouwbaar zijn. Zowat alle aanvullende pensioenfondsen investeerden in risicovolle en soms ronduit dubieuze beleggingsproducten. Met desastreuze gevolgen. De ontwikkeling van de aanvullende pensioenen wisselt sociale fondsen om in risicokapitaal. Maar dat kan natuurlijk devalueren. De pensioenfondsen verloren gemiddeld 20 % in de financiële crisis. De dekkingsgraad ervan is teruggevallen van 143 % in 2006 tot 104 % in 2008. De zekerheid waarvoor de aanvullende pensioenen zouden zorgen, is een mythe gebleken. Dat beseft ook Daerden zelf. In zijn groenboek schrijft hij letterlijk: “Op korte termijn toont een economische crisis van deze omvang aan dat de repartitiepensioenstelsels (herverdelende stelsels, zoals het wettelijk pensioen, n.v.d.r.) beter standhouden dan de kapitalisatiepensioenstelsels.” En even verder: “In sommige landen maakt de crisis de pensioenfondsen ook kwetsbaarder en moeten zij de steun krijgen van de overheid om hun verbintenissen ... te kunnen nakomen.”
Enkel een sterk uitgebouwde eerste pijler biedt voldoende zekerheid dat iedereen een volwaardig pensioen ontvangt. De eerste pijler is trouwens ook de enige waar het solidariteitsprincipe in zit omvat: de actieve bevolking betaalt de pensioenen van de bevolking op rust. Bij de tweede (en de derde) pijler betaalt de actieve bevolking om later zelf een aanvulling op het wettelijke pensioen te incasseren.