donderdag 25 februari 2010

De hervorming van de pensioenen: een noodzaak - Krachtlijnen van het VBO standpunt

De vergrijzing van de bevolking impliceert een verhoging van het aantal gepensioneerden in verhouding met het aantal bijdragebetalers, enerzijds, en van de uitbetalingsduur van de pensioenen, anderzijds. Ze versterkt de noodzaak om de pensioenregelingen te hervormen om de volgende redenen:

1.De financiële duurzaamheid van de pensioenen is niet gewaarborgd. Voor het ogenblik wordt de factuur afgewenteld op de toekomstige generaties (geen toereikend Zilverfonds, sterke uitgavendynamiek).
2.De nadruk leggen op het lage peil van de pensioenen is te simplistisch en wordt een mythe1. De welvaartsaanpassing van de pensioenen in uitbetaling, is onhoudbaar omdat ze enkel met een theoretische context van projecties op lange termijn rekening houdt en niet met de reële macro-economische context.
3.De wettelijke pensioenen van de werknemers vereisen een zware solidariteitsinspanning:
‐doordat er geen ontradende factoren zijn naargelang van de datum waarop men definitief de arbeidsmarkt verlaat;
‐via de begrenzing van de uitkering als tegenprestatie voor de betaling van onbegrensde bijdragen;
‐via de opening van ‘gratis’ rechten: tegenover een derde van de pensioenrechten staat geen tegenprestatie in betaalde sociale bijdragen.
Het VBO verdedigt een op drie pijlers gebaseerd pensioenbeleid omdat men zo het best kan inspelen op de problemen inzake de financiële houdbaarheid, de adequaatheid van de pensioenen, de billijkheid tussen generaties en de instemming van de verschillende groepen van de samenleving met een zeer ruime solidariteit. De eerste pensioenpijler moet stevig blijven en een toereikend inkomen verschaffen, maar zal niet aan iedereen een pensioen in verhouding met zijn levensstandaard kunnen geven wegens de budgettaire lasten die een dergelijk beleid zou inhouden. De tweede pijler maakt het mogelijk de vervangingsratio of de verhouding tussen pensioen en laatste loon op te trekken en moet worden veralgemeend. De derde pijler is noodzakelijk als element van een evenwichtig pensioenbeleid wat zijn verplichtingen en verantwoordelijkheden (individueel – collectief) betreft.

1.Bij de hervormingen van het wettelijk pensioen dient een pensioen van een toereikend niveau behouden te worden, maar moet de effectieve pensioenleeftijd worden opgetrokken. Dit is natuurlijk de eerste stap die moet worden gezet alvorens, in een tweede fase, een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd te programmeren. Een geleidelijke verhoging van de normale pensioenleeftijd van 65 jaar is inderdaad te verkiezen boven een verhoging van de bijdragen (die al erg hoog en onbegrensd zijn) en/of een daling van de pensioenen (te waarborgen minimumniveau). Bovendien zal dit een sterk signaal zijn naar het optrekken van de “effectieve” pensioensleeftijd.
Om een verhoging van de effectieve pensioenleeftijd te stimuleren, pleit het VBO voor de invoering van een gedifferentieerde weging van de loopbaanjaren. Zo zou men aan de arbeidsperioden na 60 jaar een waarde van 115% kunnen toekennen, terwijl de perioden van brugpensioen, tijdskrediet of werkloosheid zouden worden gevaloriseerd tegen 100%, of zelfs minder, naarmate ze vroeg worden genomen (tussen 50 jaar en 58 jaar, bijvoorbeeld). Aldus wordt een grotere actuariële billijkheid ingevoerd, wat de eerste stap is om rekening te houden met de stijging van de levensverwachting. De directe opname van deze laatste in de berekening van het pensioen valt in een tweede fase niet uit te sluiten. Wat de valorisatie van de lopende pensioenen, bovenop de index, betreft: deze zal moeten gebeuren volgens een indexcijfer dat rekening houdt met zowel de evolutie van de tewerkstelling als de evolutie van de reële lonen in de economie. Dit voorstel tot welvaartsaanpassing vereist dat de Generatiepactwet wordt herzien.
2.Het aanvullend pensioen of tweede pijler is een noodzaak om de levensstandaard te behouden. Om het te veralgemenen, stelt het VBO voor dat de keuze tussen een cash loon of van een uitgesteld loon centraal zou staan in het loononderhandelingsdebat. Daartoe moet de toekenning van aanvullende pensioenen berekend kunnen worden in de loonnorm (wijziging van de wet van 1996 betreffende het concurrentievermogen en de wet van 2003 betreffende de aanvullende pensioenen).
Bovendien kan de veralgemening van de aanvullende pensioenen gerealiseerd worden via de invoering van een vrij aanvullend werknemerspensioen. Iedere werkgever zou, zonder verplichting, kunnen voorzien in een eenvoudige structuur die de werknemer die dat wenst de mogelijkheid zou bieden om te investeren in zijn aanvullend pensioen. Tevens zou in de onderneming die al een pensioenplan aanbiedt, de werknemer de mogelijkheid kunnen krijgen om te investeren in zijn aanvullend pensioen bovenop datgene waarin het collectief plan voorziet.
Ten slotte moet, om de toetreding van de werknemers tot de aanvullende pensioenen te bevorderen, meer transparantie gecreëerd worden; in dit verband moet ieder jaar aan de werknemers duidelijke, in een voor iedereen begrijpelijke taal opgestelde informatie worden verstrekt.
3.Wat de derde pijler betreft, dient het vertrouwen in de overeenkomst die werd gesloten tussen de spaarders en de overheid te worden behouden. Daartoe vindt het VBO dat de belastingverminderingen die worden gebruikt om de mensen ertoe aan te moedigen tot de dag van de pensionering en dus gedurende zeer lange perioden te sparen, niet op de helling mogen worden gezet.

4.De ambtenarenpensioenen moeten aangepast worden, in het bijzonder bepaalde mechanismen die niet erg billijk zijn ten opzichte van de andere bedrijfsstelsels (automatische perequatie, preferentiële tantièmes, …). De ambtenarenpensioenen moeten zich dus richten naar de principes van de andere bedrijfsstelsels. De levensverwachting en dus de uitbetalingsduur van het pensioen stijgt ook voor de ambtenaren. De overheid moet maatregelen nemen om de effectieve pensioenleeftijd, die de jongste jaren sterk daalt, weer te verhogen.
5.Om een verhoging van de effectieve pensioenleeftijd in de hand te werken, moeten alle vormen van vroegtijdige pensionering met een zeer kritisch oog worden onderzocht. Van werken en niet werken, moet werken meer opleveren voor zijn pensioen. De houdbaarheid van de pensioen houdt inderdaad rechtstreeks verband met een verhoogde werkgelegenheidsgraad, in het bijzonder bij de groep 50-65 jarigen.

***

De pensioenhervormingen en het loopbaaneinde zullen zorgvuldig geprogrammeerd moeten worden; alle ons omringende landen hebben al programmeringen van de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd en/of bijsturingen, voor sommigen meer fundamentele hervormingen van hun pensioenregelingen ondernomen. België kan zich niet veroorloven achter te blijven, te meer daar het pensioenprobleem niet het enige is.

Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :