De OESO ging na welke maatregelen de voorbije vijf jaar (2004-2009) genomen zijn om de betaalbaarheid en de efficiëntie van de stelsels te garanderen.
België komt niet verder dan het Generatiepact, een verhoging van de minimumpensioenen en het welvaartsvast maken van een aantal uitkeringen. Die welvaartsvastheid weegt budgettair zwaar door, maar was noodzakelijk omdat de Belgische pensioenen al tot de laagste van Europa behoren. Ook andere landen (Frankrijk, Spanje, Finland) hebben stappen gedaan in de richting van hogere minimumpensioenen. Maar ze hebben er ook maatregelen aan gekoppeld om mensen langer aan het werk te houden. In België zijn die zo goed als uitgebleven.
Finland en Portugal hebben de levensverwachting ingecalculeerd voor de berekening van de pensioenleeftijd en de hoogte van de pensioenen.
Bovendien werden de stelsels van vervroegde uittreding in tal van OESO-landen verstrengd. Vervroegde pensionering kan meestal pas van 62 jaar. België slaat hier een bleek figuur met een verhoging van de leeftijd voor brugpensioen van 58 tot 60 jaar.
Een aantal OESO-landen deinst er niet voor terug om een van de grootste taboes aan te pakken: de hoge ambtenarenpensioenen. Zelfs Frankrijk, waar de publieke sector zowat heilig is, neemt maatregelen en daar worden de ambtenarenpensioenen alleen nog aangepast aan de stijging van de inflatie en niet aan de toename van de lonen. In IJsland zullen de ambtenaren die met pensioen gaan een lager pensioen ontvangen dan ze aanvankelijk hadden gehoopt. Ierland heeft dan weer de sociale bijdragen van de ambtenaren verhoogd. Bij ons blijft het daarover opvallend stil.