Het merendeel van de pensioenfondsen heeft stappen genomen om de ‘principes voor goed pensioenfondsbestuur’ (PFG) te implementeren en heeft de maatregelen die daarbij horen ingevoerd. Met name kleine pensioenfondsen worstelen echter met de zware uitvoeringslast van het PFG-bestel en voldoen nog niet aan alle PFG-principes. Dit concludeert het onderzoek ‘Inventarisatie Principes voor goed pensioenfondsbestuur’, dat de SER op maandag 30 maart 2009 heeft gepubliceerd.
Bij het onderzoek stuitte de SER op enkele onrechtmatigheden. “Een enkel fonds verricht zelf nevenactiviteiten. Dat is op grond van de Pensioenwet niet toegestaan. Verder is in een enkel geval sprake van, volgens de Principes en het Referentiekader, verboden personele unies op directieniveau tussen het fonds en de afgescheiden rechtspersoon,” stellen de onderzoekers.
Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer 90 procent van de fondsen een klachten- en/of geschillenprocedure heeft. Bijna 80 procent van de fondsen geeft inzicht in de besluitvormingsprocedure. Verder hebben vrijwel alle fondsen eisen en procedures in het leven geroepen voor de deskundigheid van het bestuur en het beoordelen van het functioneren van bestuur en bestuursleden.
Ruim 80 procent van de pensioenfondsen, samen goed voor zo’n 70 procent van de actieve deelnemers en pensioengerechtigden, heeft een verantwoordingsorgaan ingesteld.
Ongeveer 80 procent van de fondsen verwacht positieve effecten van de Principes. De overige 20 procent verwacht geen effect.
Het vinden van voldoende geschikte kandidaten voor de verschillende organen van het fonds blijkt voor veel fondsen een probleem. Ook worden met name de kosten van het intern toezicht als bezwaar ervaren. Daarnaast is de toegenomen bureaucratie problematisch.
Uit het onderzoek valt op te maken dat de Principes het nodige vergen van kleine fondsen qua organisatie en qua kosten, zo stellen de onderzoekers. “Nader bezien zou moeten worden of, en zo ja hoe, het doel van de Principes te bereiken is met een lagere uitvoeringslast, voor met name de kleinere fondsen. Ten slotte blijkt het naast elkaar bestaan van deelnemersraad en verantwoordingsorgaan, mede gelet op de overlap in taken, tot onduidelijkheid te leiden.”