Extralegale pensioenen zitten in de lift. Uit cijfers van SD Worx blijkt dat 78 procent van de bedienden aangesloten is op een collectief pensioenplan van de werkgever. En in bedrijven met meer dan 500 werknemers loopt dat percentage zelfs op tot 95 procent. Zo'n extralegaal pensioenkapitaal is mooi meegenomen. Maar verkijkt u zich niet op het bruto kapitaal dat u bij uw pensionering mee naar huis krijgt. De fiscus roomt er al meteen ongeveer een vijfde van af.
De bijdragen die werkgevers voor hun personeel storten voor een collectieve pensioenvoorziening, genieten van een fiscale gunstbehandeling. Ze zijn nauwelijks onderworpen aan belasting. Onder het motto 'voor wat, hoort wat' roomt de fiscus het opgebouwde kapitaal echter aan het einde van de rit gevoelig af. Bij de uitkering worden er maar liefst vier verschillende belastingen ingehouden: de Riziv-bijdrage, de solidariteitsbijdrage, de aanvullende personenbelasting en de gemeentelijke opcentiemen. Alles bij elkaar verliest u daarmee doorgaans ongeveer 20 procent van het bijeen gespaarde pensioenkapitaal.
Die belastingdruk gaat gevoelig omlaag als u tot uw 65ste te blijft werken. Het Generatiepact uit 2005 voorziet in een korting op de personenbelasting voor wie zijn kapitaal pas opneemt op de wettelijke pensioenleeftijd en ook effectief tot die leeftijd actief blijft. Die korting bedraagt 6,5 procent, waardoor de totale belastingdruk op het kapitaal terugvalt tot ongeveer 13,5 procent. Ook dat is evenwel nog maar een benaderend percentage, dat in de praktijk hoger of lager kan uitvallen. Laat ons even aan de hand van een voorbeeld bekijken hoeveel belasting er concreet ingehouden wordt van een aanvullend pensioenkapitaal (zie ook tabel).
We vertrekken van een aanvullend pensioenkapitaal van 137.000 euro, waarvan 100.000 euro wordt uitgekeerd als gewaarborgd eindkapitaal en 37.000 euro als winstdeelname. Die opsplitsing is van belang aangezien beide delen niet aan dezelfde belastingen onderworpen zijn.
Als eerste belasting passeert de zogenaamde 'Riziv-bijdrage' de revue. Die bedraagt 3,55 procent en wordt berekend op het volledige uitgekeerde kapitaal. Of in ons voorbeeld: via de Riziv-bijdrage verdwijnt er 4.863,50 (3,55 procent van 137.000 euro) in de kassa van de Rijksdienst voor de Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. De sociale zekerheid vaart er wel bij, maar voor de gepensioneerde uit het voorbeeld is dat een eerste kostenpost.
Na de Riziv-bijdrage volgt de zogenaamde 'solidariteitsbijdrage'. Die werd in 1995 in het leven geroepen om, zoals de naam van de belasting aangeeft, een grotere solidariteit tussen gepensioneerden de creëren. Deze bijdrage vloeit rechtstreeks naar de pensioenkassen en is bedoeld om extra zaad in het bakje te brengen voor de uitbetaling van de minimumpensioenen. Het percentage van deze belasting is afhankelijk van de grootte van het uitgekeerde kapitaal. De afhouding bedraagt 2procent voor kapitalen vanaf 24.789,35 euro, 1procent voor kapitalen tussen 2.478,94 en 24.789,35 euro en ze valt weg voor kleinere kapitalen. In ons voorbeeld bedraagt ze dus 2procent van 137.000 euro, hetzij 2.740 euro.
Belangrijk om te weten is dat de ingehouden solidariteitsbijdrage slechts een voorafbetaling is en dat ze later wordt herzien in functie van het volledige pensioen - dus inclusief het wettelijke pensioen (zie ook inzet).
Met deze twee belastingen is voor de winstdeelname de kous af.
Het gewaarborgde eindkapitaal moet daarna echter nog twee bijkomende belastingen ondergaan. De eerstvolgende is de zogenaamde 'aanvullende personenbelasting'. Het normale tarief bedraagt 16,5 procent, of in ons voorbeeld 15.584,25 euro. Daarop bestaan echter twee uitzonderingen.
Ten eerste heeft het Generatiepact een gunsttarief van 10 procent in het leven geroepen voor wie tot de wettelijke pensioenleeftijd aan de slag blijft en ook pas dan het kapitaal opneemt. In ons voorbeeld komt dat gunsttarief overeen met een belasting van 9.445 euro. Zowel werknemers als zelfstandigen kunnen daarvan genieten.
De tweede uitzondering staat los van het Generatiepact en heeft betrekking op pensioenkapitalen die geheel of gedeeltelijk werden opgebouwd met werknemersbijdragen. Daarvoor is eveneens een verlaagd tarief van 10 procent van toepassing.
In de praktijk is de belastingberekening in zo'n geval echter meestal zeer complex. Doorgaans gaat het dan immers om een gemengd systeem, waarbij zowel werkgevers- als werknemersbijdragen werden betaald, en moeten beide delen afzonderlijk tegen een apart tarief worden belast. Tel daarbij dat voor werknemersbijdragen die voor 1993 werden gestort, weer een ander fiscaal regime geldt en u begrijpt dat de belastingberekening een helse klus kan worden waar zonder het juiste computerprogramma niet aan te beginnen valt. Gemakkelijkheidshalve gaat ons voorbeeld uit van een pensioenkapitaal dat volledig gefinancierd is met werkgeversbijdragen.
Als laatste belasting zijn er ten slotte ook gemeentelijke opcentiemen verschuldigd. Die worden niet meegerekend in het bedrag van de ingehouden voorheffing en moeten later bijbetaald worden, nadat de eindafrekening is opgemaakt op basis van uw belastingaangifte.
Alles bij elkaar blijft er in ons voorbeeld van het totale kapitaal van 137.000 euro na inhouding van belastingen een nettobedrag over van 112.721,35 euro. De totale belastingdruk komt daarmee op pakweg 18 procent. Wie aan de slag blijft tot de wettelijke pensioenleeftijd, kom er evenwel goedkoper vanaf en houdt netto 119.290,35 euro over. De totale belastingdruk bedraagt dan slechts ongeveer 13 procent.
Bereken zelf hoe uw aanvullend pensioenkapitaal wordt belast