Lynx pakt uit met gratis laptop: Open een rekening en start met handelen
In het Belgische pensioenfondslandschap hebben de circa 250 pensioenfondsen zich na het bijzonder moeilijk jaar 2008 relatief goed hersteld. U herinnert zich ongetwijfeld dat het gemiddelde Belgische pensioenfonds, volgens de cijfers van de Belgische Vereniging voor Pensioeninstellingen, in 2008 een negatief resultaat had opgetekend van 17.7 %. Voor 2009 en de eerste jaarhelft van 2010 waren de financiële resultaten, met respectievelijk +15,70% en +3,20%, goed.
De dekkingsgraad die de verhouding bepaalt tussen de activa en de technische voorzieningen, verhoogd met de vereiste solvabiliteitsmarge, evolueerde ook gunstig. Deze dekkingsgraad wordt berekend ten opzichte van de langetermijnvoorzieningen (LTV) en de kortetermijnvoorzieningen (KTV). De gemiddelde dekkingsgraad voor 2009 kan ingeschat worden op 136% ten opzichte van de kortetermijnverplichtingen en 115% ten opzichte van de langetermijnvoorzieningen. Nochtans waren de cijfers eind 2008 niet rooskleurig. Van de 250 bestaande pensioenfondsen vertoonden circa 115 fondsen een tekort. Deze fondsen dienden bij de CBFA een herstelplan in. De dekkingsgraden van deze pensioenfondsen waren voor 2008 respectievelijk 103 en 87% ten opzichte van hun KTV en LTV. De markt van de Belgische pensioenfondsen stond er globaal iets beter voor met dekkingsgraden van 117% (KTV) en 101% (LTV).
Het overgrote deel van de pensioenfondsen is inmiddels hersteld of heeft een voorsprong ten opzichte van het ingediende herstelschema. Dit wordt onder meer verklaard door de gunstige evolutie van de financiële markten en bijstortingen door sponsors. Ongeveer 40% van de pensioenfondsen heeft ook, als gevolg van de financiële crisis, zijn asset allocatie aangepast.
Anders dan in Nederland
De cijfers van Belgische pensioenfondsen zo maar naast die van het gemiddelde Nederlandse pensioenfonds leggen en hieruit conclusies trekken, zou te rechtlijnig zijn. Het kader en de methodologie van berekening voor de technische voorzieningen, en dus ook de dekkingsgraden, verschillen. Bovendien gebeuren uitkeringen door Belgische pensioenfondsen hoofdzakelijk in kapitaal, waardoor onder meer de problematiek ’langlevenrisico’ en waardevastheid van pensioenkapitalen zich op een andere wijze stelt.
Lynx pakt uit met gratis laptop: Open een rekening en start met handelen
In België wordt het kader voor berekeningen van de technische voorziening omschreven in het Koninklijk Besluit van 12 januari 2007. Het belangrijkste uitgangspunt is dat de regelgever een belangrijke verantwoordelijkheid voor het bepalen van noodzakelijk voorzieningen bij de inrichter van het pensioenplan legt. Deze bepaalt de rekenrente op basis van prudent principe, uiteraard in samenspraak met actuaris en onder de controle van de CBFA, de Belgische regelgever. Vrij vertaald betekent dit, dat het regelgevend kader de rentevoet die moet worden gehanteerd voor de berekening van de voorzieningen niet stringent beperkt. Het Belgisch kader stelt onder meer dat de maximale rentevoeten voor berekening van de technische voorzieningen rekening moeten houden met de marktrendementen van kwalitatief hoogstaande, vastrentende activa, en met het rendement op de dekkingswaarden en de toekomstige beleggingsopbrengsten.
De Belgische pensioenfondsen zitten dus voor de bepaling van hun dekkingsgraad in een kader waarbij de activa altijd gewaardeerd worden aan marktwaarden. Dit gebeurt volgens de toepasselijke wetgeving. De berekening van de verplichtingen geschiedt volgens een prudent, maar stabiel kader. Het Belgische pensioenfonds is voor de berekening van zijn dekkingsgraad dus niet direct onderworpen aan de evolutie van de markten voor vastrentende activa. Hier verschilt het wezenlijk met het Nederlandse kader. Toch vinden we in België een aantal hybride vormen die voor de berekening van de technische voorzieningen een marktrentecurve toepassen voor een deel van de verplichtingen (bijvoorbeeld de eerste ‘n jaar). Zij werken ook met een rekenrente, gebaseerd op een prudent bepaald verwacht rendement van de activa, voor actualisatie van verplichtingen op meer dan ‘n’ jaar.
Lynx pakt uit met gratis laptop: Open een rekening en start met handelen
Zorgpunten
Het contrasterend effect waarbij de dekkingsgraden dalen ondanks een significante toename van de activa, is een kader dat aan de Belgische pensioenfondsen bijgevolg in grote mate voorbijgaat. We kunnen ons ook openlijk de vraag stellen of uitsluitend een welbepaalde rentecurve hanteren ten goede komt aan de langetermijnvisie van een pensioenfonds. Bovendien is de vorm van huidige rentecurve niet alleen bepaald door macro-economische omgevingsfactoren, maar ze is thans hoofdzakelijk het rechtstreeks gevolg van een monetaire politiek van de Europese Centrale Bank.
Wij kunnen ons afvragen of er een rechtstreeks verband moet bestaan tussen een expansief monetair beleid van een monetaire overheid en de actualisering van verplichtingen van een pensioeninstelling die in going concern verkeert. De vraag hier zo stellen is ze onbewust bijna volledig beantwoorden.
Uiteraard is er vandaag ook geen indicatie om te veronderstellen dat de huidige lage rente zich binnen afzienbare tijd op een hoger niveau bevindt. Net zoals er geen indicatie is dat de rente naar een ’Japans niveau’ zal tenderen. Toch zou het ietwat bevreemdend overkomen om een rentecurve te hanteren die zich bijvoorbeeld onder het verwachte dividendrendement van Europese aandelen bevindt. Het negeren van de verwachte opbrengst èn – en dat is nog meer bizar – de samenstelling van de beleggingsportefeuille van het pensioenplan, zijn heikele zorgpunten. Bovendien kunnen we het effect dat een wijziging van de actuele waarde van pensioenplanverplichtingen door een wijziging van de rentecurve heeft, niet noodzakelijk binnen hetzelfde tijdsbestek goedmaken met de resultaten van de, niet-vastrentende, activa die zich in de portefeuille van een pensioenfonds bevinden.
Delicaat
Welk kader we ook voor een pensioenplan aanhouden, de principes van prudent beleid en transparantie moeten dominant in het debat aanwezig zijn. Een gefundeerde prudente keuze tussen een marktrentecurve of een verwacht rendement – of een variante of combinatie van beide – als berekeningsbasis voor de berekening van de technische voorzieningen, is in overeenstemming met de langetermijndoelstellingen van een pensioenplan. Een volatiele marktrentecurve die bovendien een invloed ondervindt van een welbepaald monetair beleid is dat minder. In het verlengde van de vraagstelling, moeten we ook aandacht besteden aan de volatiliteit van de dekkingsgraad van een pensioenplan als beleidsinstrument.
Het debat is belangrijk en delicaat. De pensioenproblematiek is door de diverse stakeholders om sociale en financieel-economische redenen terecht hoog op de agenda geplaatst. We moeten er ons ook rekenschap van geven dat de gezondheid van een pensioenstelsel een impact kan hebben op de macro-economische omgeving van een land, onder meer via de invloed op het consumentenvertrouwen.