Pensioenfondsen hebben bezittingen en verplichtingen. De bezittingen zijn de vermogens die zijn opgebouwd door premiestortingen en beleggingsresultaten. De verplichtingen zijn de pensioenen die nu, maar ook nog over veertig jaar aan deelnemers moeten worden uitbetaald.
De waarde van de bezittingen is over het algemeen vrij goed vast te stellen. Van de meeste aandelen en obligaties in portefeuille staan de koersen dagelijks in de krant. Van andere beleggingen, zoals onroerend goed, zijn geen dagprijzen beschikbaar, maar moeten periodiek waarderingen worden vastgesteld.
De waarde van de verplichtingen is veel minder eenduidig vast te stellen. Om over veertig jaar bijvoorbeeld € 24.000 aan pensioen aan een deelnemer uit te keren, hoeft die € 24.000 niet nu al in kas te zijn. Een bedrag van € 5.000 is als reservering nu voldoende, mits die € 5.000 met een jaarlijks rendement van 4% kan worden belegd. Met rente op rente kom je dan na veertig jaar op € 24.000 uit. Als aandelenrendementen van gemiddeld 8% worden gehaald, is een reservering van € 1.100 zelfs al voldoende.
De hierboven genoemde conservatieve 4% werd als rekenrente decennialang door pensioenfondsen gehanteerd om hun verplichtingen te bepalen, en iedereen was gelukkig. Totdat een aantal jaren geleden de toezichthouder, De Nederlandsche Bank (DNB), bedacht dat de toekomstige verplichtingen niet tegen een vaste rekenrente, maar tegen actuele marktrentes contant moesten worden gemaakt. Voor ieder jaar aan verplichtingen moest de rente met de betreffende looptijd worden gehanteerd. Dus: verplichtingen over 10 jaar moesten contant worden gemaakt met de 10-jaarsrente. De gedachte was dat fondsen alle jaargangen aan verplichtingen aan de rechterkant van de balans in beginsel konden matchen met overeenkomstige vastrentende beleggingen aan de linkerkant. Dat klonk goed.
Alleen, marktrentes gaan omhoog en omlaag en met het loslaten van de vaste rekenrente gingen de contant gemaakte verplichtingen ook bewegen. Immers, als de rentes stijgen, daalt de contante waarde van de verplichtingen – en omgekeerd. Dankzij de nieuwe boekhoudregels van DNB ging de financiële thermometer van de pensioenfondsen ineens fors op en neer. Als de rentestanden hoog waren, waren ze kerngezond. Bij lage rentes waren ze plotseling doodziek.
Nu komt het bizarre: om de crisis te bestrijden hebben centrale banken hun rentetarieven tot extreem lage waarden verlaagd. De marktrentes zijn navenant gedaald, in Nederland naar de laagste niveaus sinds in ieder geval Napoleon. Dus: de centrale banken, waarvan DNB er één is, verlagen zelf eerst de rente en vervolgens constateert DNB als toezichthouder dat de pensioenfondsen er vanwege de historisch ongekend lage rentestanden niet goed voorstaan.
Na alle kritiek rond Icesave meent DNB zijn tanden te moeten laten zien, maar wel op een manier die slecht is voor zowel de gemoedstoestand van (aanstaande) gepensioneerden als voor onze economie. Als fondsen minder uitkeren betekent dat minder koopkracht, als pensioenpremies omhoog moeten, blijft er minder loonruimte over. Bovendien dwingt het DNB-toezicht fondsen tot minder risicovolle en dus lager renderende beleggingen, wat weer ten koste gaat van de fondsvermogens op lange termijn. Welk een schade een boekhoudregel al niet kan aanrichten.
Jaap van Duijn is onafhankelijk beleggingsdekundige.