We zullen langer moeten werken om ons pensioenstelsel overeind te houden. Daarover lijkt nu zowat iedereen het eens te zijn. Maar dat betekent nog niet dat het straks nodig zal zijn om tot je zeventigste aan de slag te blijven, zoals sommige krantenkoppen vorige week suggereerden.
Bij CD&V schrokken ze ook even toen ze vorige donderdagochtend de weerslag van hun pensioenpersconferentie in een deel van de pers lazen. ‘Beginnen op 25 is werken tot 70’ en ‘Pas pensioen na 45 jaar werken’ waren enkele van de koppen waarmee populaire kranten het ontbijt of de treinrit van hun lezers opvrolijkten.
Toen ook de bevriende vakbond ACV het vuur opende, liet de partij snel weten dat ze het zo niet bedoeld had. Als journalist die de persconferentie bijwoonde, kan ik dat beamen. Maar de lichtjes ‘tsjeviaanse’ manier waarop voorzitster Marianne Thyssen en Kamerlid Sonja Becq hun boodschap brachten, droeg wel bij tot de verwarring. In wezen brachten de CD&V’ers een dubbele boodschap. Eén: niet de pensioenleeftijd, maar de loopbaan telt. Twee: wie een volledig pensioen wil, moet een loopbaan van 45 jaar kunnen voorleggen.
Sommigen noemden dat revolutionair. In werkelijkheid is het niet meer dan het bevestigen van enkele aloude basisprincipes van ons pensioensysteem. Die loopbaanduur van 45 jaar staat nu al in de wet. Voor mannen is dat sinds mensenheugenis zo. Vrouwen hadden tot in het midden van de jaren 90 genoeg aan 40 jaar.
Toen dat onderscheid onhoudbaar werd, is er even aan gedacht ook de mannen na 40 jaar te laten vertrekken. Maar dat idee is al snel verlaten. Onder Jean-Luc Dehaene werd ermee begonnen ook voor de vrouwen de loopbaanduur op te trekken tot 45 jaar. Dat proces is begin vorig jaar voltooid.
KLOOF
Met die 45 jaar volgen we de standaardnorm in Europa. Een aantal landen gunnen hun onderdanen al een volledig pensioen na 40 jaar. Dus daar ligt het probleem niet. Ons probleem is wel dat bijna nergens de kloof tussen de wettelijke en de feitelijke loopbaan zo groot is als hier. Slechts een op de drie 55-plussers in ons land is nog echt aan het werk. Daarvoor zijn er twee grote redenen: vervroegd uit de arbeidsmarkt stappen wordt te weinig ontmoedigd, en langer werken wordt te weinig aangemoedigd.
Het CD&V-voorstel heeft de verdienste dat het een aantal remedies aandraagt om daar iets aan te doen. Maar het vertoont ook hiaten. Belangrijk is vooral dat we voor ogen houden dat een strategie voor langer werken veel ruimer moet zijn dan alleen maar een pensioenstrategie. Feitelijk moet heel ons loopbaanmodel op de schop.
Dat blijkt al bij de eerste opgave: het sluiten van de achterpoortjes waarlangs mensen vervroegd vertrekken. CD&V zegt terecht dat brugpensioen iets moet worden dat enkel nog voor ‘noodsituaties’ geldt. Maar brugpensioen is lang niet het enige of zelfs belangrijkste vertrekkanaal. De Tijd wees er gisteren nog op dat er jaarlijks bijna evenveel mensen met een ‘vals’ of pseudobrugpensioen bijkomen als echte bruggepensioneerden.
Zo’n pseudobrugpensioen is een kopie van het origineel, maar zonder de spelregels te respecteren. Een werkgever ontslaat iemand of stuurt hem/haar met tijdskrediet en betaalt daarbovenop een supplement. Het Generatiepact wou die praktijk met forse heffingen en inhoudingen uitroeien. Maar dat lukt niet. De RVA registreert elk jaar een kleine 2.000 mensen extra voor wie die heffing zonder verpinken betaald wordt.
werkbaar werk
Die achterdeuren dichttimmeren levert ook weinig op als oudere werknemers dan gewoon in de werkloosheid belanden. We moeten dus naar een ander arbeidsmodel waarbij langer werken voor die werknemers haalbaar en voor hun werkgevers betaalbaar wordt.
Alle partijen - bedrijven, vakbonden en de overheid - hebben hier een rol te spelen. Zeker oudere bedienden dreigen door onze op leeftijd (nu door Europa verboden) of anciënniteit gebaseerde baremastelsels uit de markt gedreven te worden. Waarbij moet worden opgemerkt dat die barema’s veel minder bij arbeiders bestaan. Hun vervroegde uitstoot kan dus niet daaraan worden toegeschreven. De hoge lastendruk is een minstens zo belangrijke reden waarom oudere werknemers vaak als onbetaalbaar ervaren worden.
Tegelijk moeten de bedrijven werk maken van werkbaar werk. Dat geldt niet alleen voor de ouderen maar ook voor de middengroep tussen 25 en 45 jaar. Ons loopbaanmodel wordt nu wel eens vergeleken met een ‘citroenmodel’ waarbij een werknemer in die middenleeftijd zo veel moet geven dat hij als 50-plusser des te gehaaster is om de deur van de werkplek achter zich dicht te slaan.
In een utopische bui durven we te hopen dat de sociale partners hun onderhandelingen over een eenheidsstatuut voor alle werknemers aangrijpen om ook enkele stappen in die richting te doen. Ze kunnen dan in elk geval een vergissing rechtzetten uit het vorige interprofessioneel akkoord: een hervorming van de banenplannen, die oudere werknemers nog duurder zou maken.
GELIJKGESTELD
Twee andere oorzaken voor vervroegde uitstap zitten ingebakken in het pensioensysteem zelf. Het eerste pijnpunt zijn de gelijkgestelde periodes: jaren van inactiviteit die toch meetellen voor het pensioen. Volgens het Groenboek van minister van Pensioenen Michel Daerden (PS) waren die gelijkgestelde periodes in 2008 goed voor 27,3 procent van het pensioenbedrag voor mannen en 32,7 procent voor vrouwen.
CD&V heeft gelijk als het stelt dat we hier selectiever moeten worden. Maar het vastleggen van de concrete modaliteiten wordt geen gemakkelijke oefening. Zelf schuift de partij al meteen enkele taboes naar voren. Aan de gelijkschakelingen voor opleiding of kinderzorg mag niet worden geraakt. Maar moet de gemeenschap ook meebetalen voor iemand die zijn loopbaan onderbreekt om pakweg fenomenologische filosofie te gaan studeren? En is het verstandig vrouwen aan te moedigen hun loopbaan voor langere tijd volledig te onderbreken omwille van kinderzorg, als we weten dat dat vaak nefaste gevolgen heeft voor hun verdere carrière?
Nog delicater wordt het vastleggen van de spelregels voor werkloosheid of ziekte. Het kan inderdaad niet dat iemand na decennia van werkloosheid een pensioen krijgt dat groter is dan dat van wie gewerkt heeft. Maar wie decennia gewerkt en bijgedragen heeft, mag daar wel iets voor in ruil krijgen als hij toch de pech heeft in de werkloosheid of ziekte te belanden.
Daarnaast moet gesleuteld worden aan de spelregels voor vervroegd pensioen. Dat is nu in de meeste gevallen al mogelijk vanaf 60 jaar en na een loopbaan van 35 jaar. Voor werknemers in de privésector geldt een eenvoudige pensioenbreuk. Je krijgt na 40 jaar werken 40/45sten van je maximumpensioenbedrag. Voor zelfstandigen zijn de regels strenger. Vijf jaar eerder vertrekken, kost hun een kwart van hun pensioen. Ambtenaren hebben dan weer erg gulle regels. Zij kunnen vanaf hun 60ste vertrekken, mits ze maar vijf loopbaanjaren kunnen voorleggen.
BONUS/MALUS
Zeker ambtenaren en werknemers worden zo niet echt aangemoedigd om langer te werken. Wat ze minder ontvangen aan pensioenbedrag wordt ruimschoots gecompenseerd door de jaren extra dat ze pensioen ontvangen. Al in het Generatiepact was er sprake van de malusregeling van de zelfstandigen tot andere groepen uit te breiden. Maar op dit moment lijkt het eerder de andere kant uit te gaan.
Tegenover de stok moet ook de wortel staan. Nu al bestaat een pensioenbonus die mensen beloont die na hun 62ste of hun 42ste loopbaanjaar doorwerken. CD&V was niet de eerste om vast te stellen dat die bonus niet werkt, omdat de meeste mensen dan al gestopt zijn met werken.
Het idee om de pensioenbonus al na 40 jaar werken toe te kennen en dan progressief te laten toenemen, is het overwegen waard. Maar alles hangt natuurlijk af van de omvang van het bedrag. De budgettaire context maakt dat we ons beter niet te veel illusies maken. De stok zal belangrijker zijn dan de wortel.
Het voorgaande herinnert er ons ook nog eens aan hoe groot de verschillen tussen de pensioenstelsels in ons land wel zijn. Dat is meteen het grote taboe in de meeste hervormingsvoorstellen. Het gemiddelde pensioen van een zelfstandige bedroeg eind vorig jaar 730 euro. Voor een werknemer was dat 929 euro. Een ambtenaar zit al snel aan het dubbele.
CD&V stelt dat alle pensioenstelsels mee het bad in moeten. Maar daarmee worden de onderlinge verschillen nog niet kleiner. Blijkbaar durft geen enkele grote partij in dit land echt het debat te openen over de vraag in welke mate die verschillen nog verantwoord zijn.
BUFFER
Maar hoe zit het nu met de persoon die tot zijn 25ste gestudeerd heeft? Moet die zich er inderdaad op voorbereiden tot zijn of haar zeventigste verjaardag aan de slag te blijven?
Er is reden om aan te nemen dat de soep niet zo heet gegeten zal worden. De kloof tussen de wettelijke en de feitelijke loopbaanduur moet kleiner worden, maar ze zal nooit helemaal verdwijnen. Wie langer doorstudeert, komt minder in de werkloosheid terecht. Hij of zij heeft ook meer kansen om een stevige tweede en derde pensioenpijler op te bouwen en een eigen woonst te verwerven. Kortom: zelfs met strengere pensioenregels zal die groep nog wel een buffer overhouden om enkele jaren eerder te kunnen vertrekken.
Die belofte geldt wel niet voor de eeuwigheid. De vertrekleeftijd hangt uiteindelijk af van de levensverwachting. Als we er ooit in slagen gemiddeld 100 jaar te worden, zal zelfs werken tot onze zeventigste verjaardag niet volstaan.