BELGIE IS UITKERINGSSTAAT, NOG GEEN INVESTERINGSSTAAT
Frank Vandenbroucke is kritisch over de sociaaleconomische toestand van het land, maar nog meer over de capaciteit om goede beslissingen te nemen. Terwijl we voor de grootste saneringsoperatie in veertig jaar staan.
Op de vraag van het Centrum voor Sociaal Beleid (Universiteit Antwerpen) welke in de komende jaren de grote lijnen van hun onderzoeksbeleid moeten zijn, antwoordde oud-minister Frank Vandenbroucke met een ‘wetenschappelijke' nota van dertig pagina's. Die trekt de aandacht, omdat ze erg kritisch is over de sociaaleconomische en budgettaire toestand van het land. Zulke analyses maakte Vandenbroucke in 2004 en 2006 ook al, als minister. Nu voegt hij terloops ook analyses toe over de wijze van beslissen in België.
‘We sluiten alleen veilige compromissen, geen diepe', zo luidt het. Vandenbroucke bedoelt geen compromissen die ingrijpend zijn en de zaak oplossen, wel compromissen die aan de oppervlakte blijven en de beslissers en hun achterban geen pijn doen. Verder wijst hij erop dat we niet goed zijn in het maken van ‘strategische keuzes' en nog minder in het consequent doorvoeren ervan.
Neem bijvoorbeeld de betaalbaarheid van de pensioenen. De problemen rond de vergrijzing zouden vooral worden opgelost via de sanering van de overheidsfinanciën. Er is een tijd matig gesaneerd, maar door de crisis zijn we nu opnieuw beland op het niveau van de jaren negentig. Bovendien zouden we met zachte hand werken aan de activering van werklozen. De werkzaamheidsgraad in België ligt vandaag echter voor bijna alle groepen véél lager dan het EU-gemiddelde (zie tabel).
Vandenbroucke waarschuwt dat Europa ons (terecht) verplicht om in vijf jaar 5procent van het bbp uit te sparen. Dat is ontzettend veel, schrijft hij: een derde meer dan de als ‘heel erg' ervaren ingrepen van begin de jaren tachtig en het dubbele van de besparingen die in de jaren negentig gebeurden voor ‘de normen van Maastricht'.
Hoewel ‘de actieve welvaartsstaat' het motto was van vorige regeringen, is België een passieve welvaartsstaat of uitkeringsstaat gebleven. Ons land ‘heeft de overgang naar de nieuwe welvaartsstaat niet echt gemaakt'. In 2000 gaven we evenveel uit aan sociale uitkeringen als het Europese gemiddelde, 26,5procent van het bbp, vandaag zitten we aan 30procent, terwijl de rest van Europa stabiel is gebleven.
Voor het alternatief, ‘investeren in mensen', onderwijs en kinderopvang, zal er de komende jaren geen geld zijn, als men doet wat de Hoge Raad voor Financiën ten einde raad aanraadt: alle groei van de overheidsinkomsten die niet naar de staatsschuld gaan, kanaliseren naar de pensioenen en de gezondheidszorg om de vergrijzing op te vangen.
De nieuwe Vlaamse regering vertoont dan ook nog eens de neiging om uitkeringen in te stellen —de aanvullende kinderbijslag, hospitalisatieverzekering— terwijl ze voluit in kindercrèches en opleiding moet investeren, redeneert Vandenbroucke verder. De oud-minister is pessimistisch en brengt slecht nieuws voor de middenklasse. Er kan wellicht geld worden gevonden om de allerlaagste pensioenen boven de armoedegrens op te tillen, maar niet om de andere pensioenen —die van de gemiddelde verdieners— op te trekken. De dienstencheques die veel banen gaven aan laaggeschoolden en geapprecieerd worden door de tweeverdieners, moeten duurder worden. Als rechtvaardigheidstegengewicht moeten ook de allerhoogste inkomens inleveren.