woensdag 28 november 2007

Keuze tussen meer en minder risico

Aandelen renderen in principe beter dan obligaties, als je er tenminste lang
genoeg in belegt. Na je zestigste wordt pensioensparen rendabeler dan ooit,
echt het neusje van de zalm.


Het is een klassieker geworden, zoals het autosalon voor de rijdende mens, Batibouw dat de baksteen in onze maag moet helpen verteren en de koopjesperiode die ons gezinsbudget in evenwicht moet houden. Daarom ook dit jaar weer een themanummer
van DS-fondsen over Pensioensparen, naar onze smaak nog steeds een van de meest rendabele en eenvoudigste beleggingen die je als particulier kan doen.
Maar verzekert het pensioensparen je ook van een zorgeloze oude dag?
De waardevermindering van geld is een van de meest onderschatte factoren bij het beheer van een gezinsbudget.
Zeker als je met een langetermijnhorizon werkt. In een periode van hoge inflatie is de geldsluier, zoals economen het bedrieglijke van de nominale geldwaarde
omschrijven, allicht doorzichtiger dan tijdens jaren van aanhoudend verwaarloosbare inflatiepercentages, wanneer niemand zich kan inbeelden dat de prijzen in enkele jaren tijd verdubbelen en de koopkracht bijgevolg gehalveerd wordt.
Iemand die begin de jaren zeventig begon af te dragen voor een extra pensioen van omgerekend 150 euro per maand, had toen het vooruitzicht op een verhoging
met ongeveer 50 procent van het wettelijk gegarandeerd minimumpensioen.
Sindsdien incasseerden we een inflatie van gemiddeld 3,35 procent per jaar.
Voor hetzelfde boodschappenmandje moet je nu bijna tweeënhalve keer zoveel betalen. De koopkracht van die 150 euro is bijgevolg teruggevallen tot ongeveer dertig procent van het verhoopte.

Geen leuk vooruitzicht aan de vooravond van je pensioen. Wacht jonge mensen, die nu aan het begin staan van hun carrière, niet eenzelfde koude douche als zij binnen dik 35 jaar een punt zetten achter hun loopbaan? Zullen zij moeten vaststellen dat een extra pensioen van bijvoorbeeld 350 euro per maand in het jaar 2045 niets meer voorstelt, omdat een brood tegen dan 6 euro kost, een bescheiden appartement gehuurd
wordt tegen 1.500 euro per maand en voor een middenklasseauto ruim 50.000 euro moet worden neergeteld?

Alles hangt uiteraard af van de evolutie van de inflatie tijdens die
komende 35 jaar. En omdat niemand dat over zo’n lange periode zelfs maar bij benadering kan voorzien, is voorzichtigheid geboden. Als vuistregel mag je rustig aannemen dat het vooral oppassen geblazen is met contracten waarin een vast bedrag wordt vooropgesteld.

Een dertigjarige die nu een contract aangaat dat hem binnen 35 jaar een kapitaal garandeert van 250.000 euro denkt misschien dat hij daarmee een aardige appel voor de dorst kweekt, maar wat als een of twee inflatiegolven de appel herleiden tot een uitgedroogd prakje appelmoes? Als de gemiddelde inflatie tijdens de komende 35 jaar op hetzelfde peil ligt als tijdens de voorbije 35 jaar, vertegenwoordigt die 125.000 euro in 2035 nog de koopkracht van dik 30.000 euro (1,25 miljoen frank) nu.
De positieve kant van het verhaal is uiteraard dat ook de gestorte premies constant blijven, zodat de reële last van het sparen met de jaren vermindert en eventueel een groter deel van het gezinsinkomen op een andere manier kan worden gespaard.

Bij pensioensparen wordt het bedrag dat je maximaal kunt storten aangepast aan de index. Jaarlijks wordt het bedrag aangepast aan de evolutie van de index. Bij de start in 1987 mocht per meerderjarige belastingplichtige 500 euro per jaar worden gestort. Enkele jaren later werd dat bedrag opgetrokken tot 540 euro. Door het samenspel van een politieke beslissing en de indexering is het bedrag dit jaar geklommen tot 810 euro.

Je kunt als pensioenspaarder kiezen uit twee formules. De eerste is een pensioenspaarrekening en komt neer op investeren in een beleggingsfonds
dat aan meer beperkingen is onderworpen, de tweede — de pensioenspaarverzekering — is een speciale versie van een levensverzekering.

Zo’n verzekering biedt meestal hetzelfde rendement als een klassieke levensverzekering. Bij de meeste maatschappijen is dat tegenwoordig 3,25 tot 3,75 procent per jaar. Daarbovenop komt een winstdeelneming, afhankelijk van de resultaten van de verzekeraar.

De premies zijn aftrekbaar van de belastingen tegen de bijzondere gemiddelde aanslagvoet (30 tot 40 procent, afhankelijk van het inkomen), verhoogd met de gemeentelijke opcentiemen en de crisisbelasting.

De fiscale aftrek geldt voor iedere belastingplichtige die ouder is dan achttien jaar. Bij een — al dan niet gehuwd — paar mogen dus beide partners voor 810 euro aan pensioensparen doen en aftrekken van hun belastingen. Pas wel op als een van beide partners een heel laag, of geen inkomen heeft.

De bijzondere gemiddelde aanslagvoet van 30 procent zal van toepassing zijn, maar het bedrag dat je terugkrijgt, kan niet groter zijn dan wat je in het totaal aan belastingen hebt betaald. Let zeker op als je inkomen vooral bestaat uit pensioenen of andere vervangingsinkomens en je dus nagenoeg geen belastingen betaalt.

Dezelfde aftrek geldt voor de pensioenspaarrekeningen. Maar hier is de opbrengst onzeker. Ze is afhankelijk van het rendement dat het beleggingsfonds haalt. Over
een voldoend lange periode — ten minste tien jaar, liefst meer — ligt dat rendement in princiep hoger, maar zeker ben je nooit.

Als je van pakweg je 25ste tot je 65ste jaarlijks gemiddeld 800 euro
stort in een pensioenspaarfonds kun je daar ruim 250 euro van terugkrijgen langs de fiscus.Op het einde van de rit krijg je dan een kapitaal op je rekening van zowat 100.000 euro. Om de vergelijking gemakkelijk te maken, hebben we van het bijeen gespaarde bedrag de inflatie al afgetrokken. De 100.000 euro van over veertig jaar hebben dus dezelfde koopkracht als nu.

We hebben rekening gehouden met 3 procent instapkosten en we zijn uitgegaan van een nettorendement van 5 procent. We veronderstelden een inflatie van 3,25 procent, wat ons doet uitkomen op een brutorendement van 8,25 procent, het rendement van een gemiddeld pensioenspaarfonds tijdens de voorbije 21 jaar. Rekening houdend met die inflati ezullen we nominaal 244.000 euro ontvangen. Daar gaat nog 9.300 euro belastingen af. De fiscus komt aan dat bedrag door de premies te kapitaliseren tegen 4,75 procent (93.000 euro in dit voorbeeld) en op het zo gevormde kapitaal een eenmalige belasting te heffen van 10 procent. Voor stortingen van voor 1993 wordt
gewerkt met een kapitalisatie tegen 6,25 procent en een eenmalige heffing van 16,5 procent.

Bij de pensioenspaarverzekeringen heft de fiscus 10 procent op het verzekerde kapitaal. De winstdeelnemingen zijn volledig belastingvrij. Hier wordt dus het gegarandeerde rendement belast.

De eindheffing gebeurt in beide gevallen op je zestigste verjaardag, tenzij je pas na je 55ste met pensioensparen bent begonnen. In dat geval wordt het kapitaal belast
op de tiende verjaardag van de eerste storting. Iemand die tijdig met pensioensparen is begonnen, heeft er alle belang bij om ook na zijn zestigste verjaardag nog premies te storten. Zij zijn dan tot en met het jaar waarin je 64 jaar wordt aftrekbaar van de belastingen, net als voorheen.

Maar op de verdere kapitaalaangroei wordt geen belasting meer geheven. Let er ook op dat je de (premie)storting in het jaar dat je zestig wordt, pas doet na je verjaardag. Anders wordt die premie nog bij het te belasten kapitaal geteld.
Vanaf de dag na je verjaardag ontsnapt de premie aan de fiscus.

Maar al die fiscale voordelen geniet je maar als je aan een paar voorwaarden voldoet. Om te beginnen moet het contract met de verzekeraar een looptijd
hebben van ten minste tien jaar.

Als je kiest voor een pensioenfonds moet je er voor ten minste tien jaar instappen. Vraag je je pensioenkapitaal toch vroeger op, dan verlies je de fiscale aftrek van de premies niet, maar bij de uitkering word je meteen belast tegen 33 procent. Ben je
bovendien nog niet ouder dan zestig, dan komen daar nog eens gemeentelijke opcentiemen bij. Ook als je minder dan vijf stortingen doet, word je belast tegen 33 procent, verhoogd met de opcentiemen.

Bij de eerste storting moet je tussen 18 en 64 jaar oud zijn. Je mag meerdere pensioenspaarfondsen aanhouden, maar er slechts één van inbrengen op je belastingformulier. De stortingen in dat fonds of in het kader van dat contract,
mogen niet meer bedragen dan 580 euro per jaar, wat door indexering later eventueel meer kan worden.

Een jaar dat je aan pensioensparen doet en daar de fiscale voordelen wilt van plukken, kun je geen aankoop inbrengen van aandelen of deelbewijzen van de onderneming waar je werkt. Die aankoop is overigens enkel aftrekbaar als
hij is gebeurd bij de oprichting van de vennootschap of in het kader
van een kapitaalverhoging. Je moet die aandelen bovendien ten
vijf jaar bijhouden.

Er is natuurlijk niets of niemand die je verplicht om de volle 810 euro per kop te beleggen. Je kan er ook voor kiezen om een jaartje (heel) wat minder of zelfs helemaal niets te storten.

Zolang je op het einde van de rit maar aan vijf stortingen komt die elk tien jaar belegd zijn gebleven, behoud je je recht op fiscale aftrek en geniet je van het fiscale voorkeurregime.

Als je voor je zestigste overlijdt wordt het kapitaal belast alsof je die leeftijd wel had bereikt, waarna het bijeen gespaarde geld naar je erfgenamen gaat. Die moeten er wel de gebruikelijk successierechten op betalen.
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :