Tot de normale pensioenleeftijd (65) werken, brengt maar enkele procentjes meer wettelijk pensioen op dan tot 60 werken.
De regering moedigt langer werken aan. Met woorden doet ze dat. Maar niet in de feiten. Dat leren berekeningen van een van de grootste pensioenadviseurs in de wereld, AON-Hewitt. De cijfers gelden voor werknemers, voor zelfstandigen en ambtenaren is de toestand niet erg verschillend.
De tabel toont dat wie op 60 jaar met pensioen gaat, een wettelijk pensioen krijgt dat hooguit enkele procentjes (van het vroegere loon) minder bedraagt dan wie tot 65 doorwerkt. Dat geldt voor alle inkomensgroepen.
Die tabel bevestigt ook dat het wettelijk pensioen niet in staat is het behoud van de levensstandaard te garanderen, behalve voor de lage lonen. 35 procent van de werknemers die nu met pensioen zijn, hebben een aanvullend bedrijfs- of sectorpensioen. Van degenen die nog werken, bouwt 60 à 70 procent al zo'n aanvulling op en dat zal nog toenemen.
Wie zo'n aanvullend pensioen heeft, zo leren de AON-Hewitt-cijfers, wordt wel aangemoedigd om langer te werken. Wie op 60 stopt, verliest ongeveer een derde van de pensioenuitkering. In de meeste landen geldt dit ook voor wettelijke pensioenen.
Een uitgebreid steekproefonderzoek leerde ook dat als er zo'n pensioenplan is, voor een arbeider gemiddeld een premie van 1,35 procent van het loon betaald wordt, voor een bediende 4,05 procent (3,20 werkgever en 0,85 werknemer) en voor een kaderlid 7,40 procent (5,85 werkgever, 1,55 werknemer). Als zulke bijdragen betaald worden, een hele loopbaan, bereiken ze ongeveer 80 procent van het laatst verdiende loon. Een arbeider krijgt dan op 65 gemiddeld 9 procent van zijn laatst verdiende loon bij, een bediende 24 procent en een kaderlid 41 procent.
