Grijs is ook een kleur, daar is niets mis mee. En een ouder wordende bevolking is op zichzelf ook geen probleem, zelfs niet op het vlak van de algemene gezondheidstoestand. De laatste jaren zijn enkele studies verschenen die lieten uitschijnen dat het met de catastrofale stijging van de uitgaven voor de gezondheidszorgen voor senioren wel meevalt: onze burgers worden wel gestaag ouder, maar blijven langer fit waardoor niet zozeer de hoge kosten voor een aangepaste gezondheidszorg over een langere periode worden uitgesmeerd, maar wel opgeschoven worden naar hogere leeftijdscategorieën. De kostprijs van de gezondheidzorg hoeft dus niet per definitie de pan uit te rijzen wanneer de begunstigden ouder worden.
Alle hens aan dek
Tot dusver het goede nieuws, al hetgeen hieronder volgt leidt tot huilen met de pet op. Wat is het probleem dan wel? We vatten dit samen in één enkel grafiekje.
Hierin worden alle uitkeringstrekkers op één hoop gegooid: gepensioneerden, mensen die genieten van een werkloosheidsvergoeding, gehandicapten, langdurig zieken, slachtoffers van een ernstig arbeidsongeval of een levensbedreigende beroepsziekte. Deze groep wordt vergeleken met het aantal personen dat RSZ-bijdragen betaalt, met andere woorden: dat in het kader van een betaalde beroepsuitoefening ons sociale-zekerheidssysteem spijzigt. De verhouding tussen de uitgavenkant en de inkomstenkant is sinds de zeventiger jaren van vorige eeuw geëscaleerd op een beangstigende wijze. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de overheid steeds meer moet bijspringen met belastinggeld om de sociale zekerheid boven water te houden: in 1998 ging het om een “alternatieve financiering” van 3.000 Mio euro, in 2003 was die al opgelopen tot 4.500 Mio euro, en in 2008 zaten we aan 12.000 Mio euro. En dat terwijl de sociale uitgaven m.b.t. de vergrijzing (o.m. pensioenen) in 2008 23,2% van het BBP bedroegen en in 2060 zullen oplopen tot 31,3% van het BBP (het bruto binnenlands product).
De verhouding uitkeringstrekkers versus inleggers in het systeem is dus nu welhaast een één-op-één-relatie geworden, en de komende jaren zal dat alleen maar verergeren. Tenminste: als het beleid niet wordt gewijzigd. En daar wringt nu precies het schoentje. In weerwil van de snel verslechterende cijfers hebben de drie “sociale” ministerposten (sociale zekerheid, werk en pensioenen) in de vorige federale regering Leterme II, die werden toebedeeld aan PS en CDH geen enkel initiatief genomen om de situatie bij te sturen, wel integendeel (een alom gesmaakt optreden van Minister Daerden in de Senaat over het groenboek is zowat het enige wapenfeit).
Specifiek over de pensioenen nog dit:
Alle landen van de E.U. komen in de problemen op het vlak van de betaalbaarheid van hun pensioenstelsels.
Alle omliggende landen hebben in dit verband dan ook reeds ingrijpende maatregelen genomen. Alleen in ons land zijn maatregelen achterwege gebleven.
De meest performante landen die de norm uitmaken voor een sociaal evenwichtig pensioenstelsel (de Scandinavische landen, en in mindere mate Nederland) hebben hun stelsels volledig “gere-engineerd”: daar heeft men met andere woorden structurele aanpassingen doorgevoerd.
“Schlüsseln am Symptom” zal ons Belgisch pensioenstelsel er niet bovenop helpen. Een versterking van het Zilverfonds: vergeet het! Dit Fonds heeft in zijn portefeuille iets meer zitten dan 16 miljard euro “hetzij nauwelijks de helft van het begrotingsbedrag dat in 2009 aan de pensioenstelsels werd toegekend” (staat er in het Groenboek van gewezen minister Daerden). In verstaanbare taal wil dit zeggen: het Zilverfonds heeft slechts voldoende middelen om alle pensioenen gedurende zes maanden uit te betalen, dan is de pot op. Indien de regering het Zilverfonds, na meerdere jaren van absolute verwaarlozing, terug wil spijzigen zal er heel veel geld nodig zijn. Dit lijkt, zeker in de naslaap van de economische laagconjunctuur, onmogelijk. Eenzelfde verhaal betreft de suggestie om in ons repartitiestelsel (waarop onze huidige pensioenregeling gestoeld is) een verplicht kapitalisatiegedeelte in te voeren. Hier blijft dezelfde vraag: waar gaat ons land met zijn gigantische overheidsschuld het nodige kapitaal halen voor een dergelijke belangrijke financiële injectie?
In ons seniorenbeleid is de problematiek van de gelijkstellingen duidelijk één van de grote pijnpunten in onze pensioenreglementering. Een pensioenstelsel is niet alleen een onderdeel van de sociale zekerheid (in volume van uitbetalingen veruit het allerbelangrijkste onderdeel – in 2006 stond het borg voor 36,7 % van alle uitgaven in het kader van de sociale zekerheid), het is ook een “verzekering” in de pure zin van het woord. Het begrip “verzekering” impliceert niet alleen een belangrijke solidariteitsaspect, maar ook dat er een evenwicht moet nagestreefd worden tussen inkomsten (bijdragen dus) en uitgaven (uitkeringen dus). Dit evenwicht is evenwel in onze huidige manier van doen volledig zoek. Onze politici hebben, soms om evidente sociale redenen, soms ook vanuit een onbedwingbare neiging om Sinterklaas te spelen, steeds meer perioden zonder tewerkstelling (waarbinnen dus geen bijdragen werden betaald) gelijkgesteld met gewerkte perioden. Het lijstje van gelijkgestelde perioden is bijzonder lang, en hangt in grote mate af van het statuut (werknemer, ambtenaar of zelfstandige). Maar op deze wijze hebben we de fundamenten van ons pensioensysteem ondergraven.
En u zult het een N-VA-er niet kwalijk nemen: de regionale verschillen op het vlak van de sociaaleconomische parameters zijn in België het grootst van heel de E.U.-15. In het Groenboek wordt op talrijke plaatsen betoogde hoe sterk de verwevenheid is tussen het arbeidsmarktbeleid en het sociale-zekerheidsbeleid. De meeste wetenschapslui en alle Vlamingen zijn het erover eens dat dit eerste beleidsaspect (werkgelegenheidsbeleid) integraal thuishoort bij de gewesten, precies wegens die grote interregionale verschillen. Het is niet meer dan een logische consequentie dat belangrijke onderdelen van het sociale-zekerheidsstelsel dan best in één moeite mee worden gedefederaliseerd.
Wat doen we nu met deze wetenschap?
Een eerste voorwaarde voor de financiering van onze pensioenen is natuurlijk een strikte budgettaire orthodoxie. Wanneer we het wettelijk pensioen willen blijven zien als de basis voor het behoud van onze levensstandaard, moet er een sterker verband worden gelegd tussen de bijdragen en de uitkeringen. Dit houdt onder meer in dat bepaalde perioden waarop niet-betalend gewerkt wordt niet zonder meer kunnen gelijkgesteld worden.
Een tweede vooraarde is een hogere werkzaamheidsgraad. Belangrijker dan de leeftijd waarop iemand op pensioen kan gaan, is het definiëren van de periode waarin effectief gewerkt wordt en dus bijdragen worden betaald. De loopbaan moet dan een periode van 40 tot 45 jaar dekken, al dan niet opgenomen in een flexibel regime door middel van een tijdspaarrekening. Dit houdt gelijk in dat voor de toekomst het brugpensioen en andere systemen van vervroegde uittreding moeten uitdoven, zodat de kloof tussen de wettelijke en de gemiddelde effectieve pensioenleeftijd geleidelijk gedicht wordt.
Het overlevingspensioen zal geleidelijk moeten verdwijnen. Voor al wie een partner verliest, kan er evenwel voorzien worden in een overbruggingsuitkering.
En naarmate de inkomens van wie in de private en van wie in de publieke sector werken naar elkaar toegroeien, kunnen de verschillen tussen de werknemerspensioenen en deze van de ambtenarij opgeheven worden.