De kanteling is gemaakt. Sinds april is het vervroegd brugpensioen oninteressant voor werkgever en werknemer.
Uit verklaringen van Luc Cortebeeck, topman van het ACV en een aantal medewerkers, is af te leiden dat voor de brugpensioenen ‘een kanteling heeft plaats gehad'.
Sinds 1 april moeten werkgevers hogere bijdragen betalen als ze iemand op vervroegd brugpensioen sturen. Dat is nu erg duur geworden voor hen.
En mede daardoor wordt het ook minder en minder interessant voor de werknemers. Door de crisistijd krimpen immers de ‘sociale enveloppes' die bedrijven opzij zetten bij herstructureringen.
Dat heeft tot gevolg dat de toeslagen op de gewone brugpensioenuitkering die bedrijven vroeger betaalden, kleiner worden of zelfs wegvallen. De bijkomende bijdrage die bedrijven moeten betalen sinds 1 april, versterkt die tendens nog.
Werknemers die minder dan 38 jaren dienst hebben of jonger zijn dan 58 moeten ook een half jaar de tewerkstellingscel volgen, vóór ze op brugpensioen mogen; en tot hun 58ste (of tot hun 38ste dienstjaar), moeten ze ‘beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt'.
‘Daarom kiezen velen er nu voor te blijven werken, als dit enigszins mogelijk is', zegt Chris Serroyen van de ACV-studiedienst. ‘Maar dan moeten de jobs ook werkbaar zijn. En men moet weten dat er een aantal zijn op 58 helemaal óp zijn en hoe dan ook willen stoppen', aldus Serroyen.
ACV-voorzitter Luc Cortebeeck zegt dat het Generatiepact ‘waarvan sommigen zeggen dat het “niets” inhield', wel degelijk iets veranderd heeft. Het aantal mensen ónder de 60 dat op brugpensioen is, is sinds 2005 bijna gehalveerd, zegt hij. Afslankingen worden niet meer in de eerste plaats op ouderen afgewenteld.