De toekomst van onze pensioenen staat weer centraal in het politieke debat. Een hele resem pensioenenplannen passeerden de revue. Zo lanceerde CD&V vorige week het idee om voortaan niet meer uit te gaan van een pensioenleeftijd, maar om te rekenen in gewerkte jaren (wat eigenlijk voor een deel nu al het geval is). 45 jaar moet iemand gewerkt hebben om recht te hebben op een volwaardig pensioen. In een land waar de huidige reële arbeidsduur 37 jaar is, is dat een waarlijk revolutionair pleidooi. Langer werken is de constante in nagenoeg alle pensioenplannen. Meestal wordt dat beargumenteerd door te wijzen op de intergenerationele rechtvaardigheid: van de kleine groep op actieve leeftijd kan niet verwacht worden dat ze de volledige last van een steeds ouder wordende bevolking moeten dragen, daarom moet iedereen langer aan de slag blijven. Dit blogstuk argumenteert echter dat sommige argumenten over intergenerationale rechtvaardigheid politiek misbruikt worden. Allereerst wordt gesteld dat jongeren geen belang hebben in een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd in België. Daarnaast wordt ingegaan op enkele veel gehoorde voorstellen die zogezegd in het voordeel zijn van jongeren: 1) vervang het repartitiestelsel deels door een kapitalisatiestelsel; 2) bouw vooral de 2e en 3e pensioenpijler uit om zo eventuele ‘tekorten’ in de wettelijke pensioenen aan te vullen.
Beginnen doen we met de eerste vraag: is een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd (hoger dan 65 jaar) in het belang van de jongere generatie? Veelal wordt ons voorgehouden dat hoe vroeger de ouderen nu op pensioen gaan, hoe kleiner het deel van de koek zal zijn voor de jongere generaties. Een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd is dan ook in het voordeel van de jongere generaties. Er zijn echter ook andere manieren om hier naar te kijken. Op dit moment beginnen in België de zogenaamde ‘babyboomers’ op pensioen te gaan. Heel wat ‘babyboomers’ zullen dus al op pensioen zijn eer een verhoging van de pensioenleeftijd van kracht wordt. Daarnaast zullen ook de jongere generaties langer moeten werken (wat velen van hen over het hoofd zien). Zulke initiatieven zijn dus in de eerste plaats in het nadeel van de jongere generaties.
Een andere stelling is dat jongeren belang hebben bij een andere organisatie van de pensioenen. Aangezien de werkenden nu betalen voor de gepensioneerden van nu, betekent dat een ‘ondragelijke’ last voor de komende generaties werkenden. Het stelsel is nu gebaseerd op ‘repartitie’: de werkenden betalen voor de niet-meer actieven. Sommigen stellen dan ook voor om voortaan meer te werken met zogenaamde ‘kapitalisatie’: iedereen die werkt, spaart extra om zijn wettelijk pensioen aan te vullen. Op die manier zouden dergelijke intergenerationele scheeftrekkingen vermeden worden. Veelal worden dergelijke voorstellen gelinkt aan een groter gewicht voor de 2e en 3e pensioenpijlers (respectievelijk de bedrijfspensioenen en de private pensioenen), die de facto werken volgens het principe van kapitalisatie. Ondanks de bovenstaande populaire opvattingen is er niets meer onrechtvaardig voor de jongere generaties. Enerzijds wordt van hen verwacht dat ze de huidige pensioenen betalen (via hun RSZ-bijdragen), anderzijds wordt impliciet de boodschap gegeven dat ze toch best zelf sparen voor hun pensioen. Op die manier creëer je feitelijk een dubbele belasting voor de jongere generaties. Want vergis je niet: ook de tweede pijler wordt onrechtstreeks door de werknemer betaald, aangezien het vaak deel uitmaakt van zijn loon. Frank Vandenbroucke stelde zo onlangs dat werknemers in de toekomst zullen moeten kiezen voor of meer loon of voor een beter aanvullend pensioen. Het repartitiestelsel met nadruk op goede wettelijke pensioenen moet dus centraal blijven.
Waar we in feite nood aan hebben is een soort ‘intergenerationeel pact’, waarbij we aan de jongere generaties vragen om solidair te zijn met de ouderen nu maar waarbij we hen ook een degelijk pensioen kunnen garanderen (zonder daarbij tot hun 70 te moeten werken). Het is hierbij niet de bedoeling om te hervallen in een soort ‘vergrijzingsnegationisme’. De vergrijzing van de bevolking kost geld (naar schatting zeker 3% van het BNP tegen 2030), alleen is een verhoging van wettelijke pensioenleeftijd hiervoor geen rechtvaardige oplossing. Een oplossing voor de vergrijzingproblematiek kan (mogelijk) gezocht worden in een combinatie van: alternatieve financieringsbronnen voor de sociale zekerheid aanboren (inkomsten uit vermogen, die vaak eerder bij de ouderen zitten, zwaarder belasten; alsook hogere indirecte belastingen op luxeproducten), oudere werknemers aan geschikt en passend werk helpen, de rationalisering van kosten (zoals herziening van de financiering van ziekenhuizen, alsook de afschaffing van de fiscale aftrek van het private pensioensparen), een (verstandige) stimulering van de arbeidsmigratie[vi] en het aanleggen van de nodige budgettaire reserves (eens de crisis voorbij moet er gestreefd worden naar een overschot op de begroting).
Olivier Pintelon is wetenschappelijk medewerker bij het Centrum voor Sociaal Beleid (Universiteit Antwerpen).