CD&V wil de pensioenleeftijd van 65 jaar laten uitdoven en de loopbaan, de ‘gewerkte jaren' dus, laten domineren in de pensioenberekening. Een loopbaan van 45 jaar zal vereist zijn om een volledig pensioen te krijgen.
Hoeveel mensen halen dat vandaag? Navraag bij de Rijksdienst voor Pensioenen leert dat 247.000 van de 614.000 mannelijke werknemers die in 2008 op pensioen gingen, vier op de tien dus, officieel een loopbaan van 45 jaar achter de rug hadden. Dat is verrassend veel.
Daarnaast haalden nog eens 100.000 mannen een loopbaan tussen 40 en 44 jaar (16 procent).
Voor vrouwen is een en ander veel moeilijker te berekenen, omdat de overgangsperiode voor de verhoging van de pensioenleeftijd van 60 naar 65 jaar en de overeenkomstige loopbaanverlenging van 40 tot 45 jaar, pas in 2009 voltooid was.
De werkelijkheid is echter veel minder rooskleurig dan de cijfers van de Rijksdienst voor Pensioenen suggereren. In werkelijkheid hebben amper enkele procenten van de mannelijke werknemers effectief 45 jaar gewerkt. De cijfers zijn vertekend door de ‘gelijkgestelde periodes'.
De jaren waarin iemand onvrijwillig werkloos was of op brugpensioen, of ziek of invalide, zijn voor de pensioendienst ‘gelijkgestelde jaren' die verrekend worden als ‘gewerkte jaren'. De RVP kan moeilijk uit zijn databanken halen hoeveel loopbaanjaren effectief gewerkte jaren zijn. Ramingen suggereren dat een gemiddelde van 35 à 37 ‘echt gewerkte' jaren, een behoorlijk gemiddelde is.
Wie op brugpensioen is, of werkloos of invalide is, mag trouwens pas op z'n 65ste op pensioen. Het merendeel van zij die officieel een loopbaan hebben van 45 jaar, zijn daarom wellicht bruggepensioneerden en werklozen.
Uit de grafiek hiernaast blijkt overigens dat van de landgenoten die in 2007 op pensioen gingen, er maar vier op de tien effectief werkten de dag voor hun pensionering (34 procent als werknemer, 7 procent als zelfstandige). 26 procent leefde voor zijn pensionering van een uitkering van de RVA (was werkloos, op brugpensioen of in tijdskrediet) of van het OCMW (leefloon). 33 procent kreeg een andere vorm van uitkering of was helemaal niet actief.
Bij de mannen kwam nog ongeveer 50 procent van de gepensioneerden rechtstreeks uit een werksituatie (40 procent werknemer, 10 procent zelfstandige), bij de vrouwen maar 32 procent.
Bij de ambtenaren bereiken veel minder mensen een loopbaan van 45 jaar. Volgens een beperkte steekproef van de Pensioendienst van de Openbare Sector, PDOS, haalde maar 1,1 procent van de in 2008 gepensioneerden de 45 jaar. 13 procent haalde 40 à 44 jaar.
Dit alles betekent dat de discussie over de loopbaan van 45 jaar, vooral een discussie wordt over de ‘gelijkgestelde periodes' en de vraag of die al dan niet of maar ten dele meegerekend worden.