Leve het Belgisch pensioenstelsel! Er zijn te weinig werkenden en te veel uitkeringstrekkers. Wie moet de vergrijzing betalen? Michel Daerden (PS) lijkt als minister van Pensioenen meer op een clown dan op een kundig leidsman. Terwijl de werkenden zich afvragen of er straks nog wat geld overblijft, leeft een groot deel van de gepensioneerden er intussen vrolijk op los. Ze vliegen van hot naar her om hun leven invulling te geven. Een cruise hier, een safari daar. Onverzadigbaar zijn ze. Voltijds hedonisten. Het enige wat ze willen, is van het leven genieten. Hebben ze dan helemaal geen maatschappelijke idealen?
De gepensioneerden lachen de bezorgdheid van hun kroost weg. Geniet dan toch een beetje van het moment, is hun boodschap aan de kinderen. Maar hun levens staat vooral in het teken van werken om de hypotheek af te betalen en de kinderen te kunnen laten studeren. En, als er nog iets overblijft, te sparen voor de oude dag.
Met de pensionering komt er plots een zee van tijd. En die tijd moet liefst zinvol worden ingevuld. Uit een onlangs gepubliceerde Nederlandse gezondheidsstudie blijkt dat gepensioneerden ten ondergaan aan stress.
Al zijn er verschillen tussen de hoog- en laagopgeleiden. Wie een fysieke baan achter de rug heeft, ervaart het pensioen eerder als een verlossing en beloning. Het zijn vooral de hoogopgeleiden die kampen met problemen na hun pensionering. Het probleem is zingeving. Waarom zetten ze zich met al hun kennis en tijd niet in voor een betere wereld?
In het boek Spoedcursus Verlichting van spiritueel leraar Tijn Touber lees ik een in dit verband hoopgevende passage. Hij voorspelt dat er volgend jaar een maatschappelijke omwenteling zal plaatsvinden. Een spectaculaire aardverschuiving. In 2011 bereiken namelijk de eerste babyboomers de pensioengerechtigde leeftijd. De babyboomers - tussen 1946 en 1965 geboren - waren volgens de schrijver de love and peace-generatie die de wereld in de jaren zestig een ander aanzien wilde geven - en dat ook hebben gedaan. 'Zij waren het die demonstreerden tegen kernwapens, die baas in eigen buik wilden zijn, die opriepen tot een menselijker kapitalisme, die biologische groenten gingen verbouwen en vegetarisch gingen eten. Zij maakten een einde aan de oorlog in Vietnam, bestreden de corruptie (Watergate) en de kleinburgerlijkheid (Woodstock). Ze stonden op de bres voor het feminisme (Dolle Mina) en tegen het racisme (Black Panthers). Zij brachten een nieuw soort leiders voort (John F. Kennedy en Vaclav Havel), rekenden af met het cynisme en brachten hoop op een betere toekomst.
Dat veel van die idealen niet zijn uitgekomen, komt volgens Touber doordat de babyboomers de afgelopen decennia hun handen vol hadden aan carrière maken, de hypotheek afbetalen, en kinderen krijgen. Maar vanaf volgend jaar gaan de eerste babyboomers dus massaal met pensioen en hebben ze alle tijd, geld en energie om hun idealen alsnog in de praktijk te brengen. Volgens de schrijver zegt drie kwart van de boomers na hun vijfenzestigste maatschappelijk actief te willen blijven en zich te willen overgeven aan dienstbaarheid en idealisme. Dat is pas positief denken! Het gaat volgens Touber om de grootste generatie uit de geschiedenis, twee keer groter dan de eraan voorafgaande generatie en anderhalf keer groter dan de hen opvolgende generatie.
Ook al bestonden er in hun jeugd geen veiligheidszitjes, autogordels en airbags, de babyboomers hebben het overleefd. Ze hadden geen valhelmpjes, geen hekjes boven aan de trap, hun speelgoed was beschilderd met giftig lood en cadmium, maar ze zijn op hun oude dag vitaler dan ooit. Ze hadden geen gsm's en computerspelletjes en televisie begon pas om zes uur. Ze speelden zonder toezicht van overbezorgde vaders en moeders alleen in het bos en het park. Ze werden niet door hun ouders naar school en pianoles gereden, ze moesten gewoon op de fiets. Die ouders waren niet hun beste vrienden, maar hadden autoriteit waar e zich tegen leerden afzetten. De babyboomers wilden zo snel mogelijk het huis uit en leerden daardoor zelfstandig te zijn. Ze hadden geen virtuele vrienden maar échte van vlees en bloed. Ze zijn een weerbare generatie die straks met grijze haren de maatschappij zal dienen. Dat is hard nodig, want de jongere generaties lijken vooral met zichzelf bezig. Ik heb het over de twintigers en dertigers. In de politiek hoor je ze opvallend weinig, demonstreren doen ze niet en met hun koptelefoontjes op lijken ze niet bijzonder geïnteresseerd in de maatschappij. Laat de gepensioneerde babyboomers de wereld maar redden.
Oscar van den Boogaard is schrijver. Zijn column verschijnt elke vrijdag in De Standaard.