woensdag 16 december 2009

Pensioenpiramide krijgt nieuw fundament

Het oudedagstelsel in Nederland is sterk aan het wijzigen. Daar zorgt niet alleen de financiële crisis voor, ook de politiek en de wetgever dragen hier aan bij. De pensioenpiramide krijgt een ander fundament.

Het oudedagstelsel is de laatste jaren onderhevig aan tal van wijzigingen en invloeden van buitenaf. Een niet uitputtende opsomming:
• de financiële crisis heeft littekens aangebracht en de verwachting is dat jaren van herstel nodig zullen zijn;
• de politiek heeft zich vastgebeten in het onderwerp en zal nu aanvullende (lees: ingrijpend gewijzigde) wetgeving moeten gaan voorbereiden;
• de sociale partners zijn voornemens in al deze discussies hun eigen rol te spelen;
• in navolging van de ‘woekerpolis-affaire’ wordt de ‘woekerpensioen-affaire’ voorbereid;
• de AFM heeft vanuit haar gedragstoezicht een instructie voor de pensioenbranche geschreven waaraan tenminste dient te worden voldaan wil sprake zijn van ‘goede pensioenadvisering’.

Het oudedagstelsel in Nederland kent drie pijlers: de AOW, het ‘werkgever/ werknemer-pensioen’ en een deel dat de belastingplichtige via zijn eigen privé financiële huishouding kan regelen voor de oudedag.

AOW: de eerste pijler
De eerste pijler als fundament. In Nederland prijzen we ons gelukkig dat de AOW maar een ‘beperkt’ onderdeel is van de piramide. Met name als we ons hierbij spiegelen aan sommige buurlanden. Geen sociale voorziening staat echter zo in de belangstelling als de AOW. Dat er iets gaat wijzigen is duidelijk. De discussie gaat inmiddels niet meer over de vraag óf de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 jaar dient te worden verschoven, maar alleen nog maar over de wijze waarop dat dient te gebeuren.

Los van de mogelijk nieuwe pensioendatum staat er een andere belangrijke wijziging binnen de AOW gereed: per 1 januari 2015 komt de partnertoeslag te vervallen. Dit betekent een sterke versobering van de uitkeringsrechten. Vanaf 2015 dient immers óók de partner de 65-jarige leeftijd te hebben bereikt, wil sprake zijn van een ‘dubbele gehuwden AOW-uitkering’. Tot dan bestaat ‘slechts’ recht op een ‘enkele gehuwden AOW-uitkering’. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft weliswaar een intensieve communicatiecampagne aangekondigd, tot op heden is de particulier belastingplichtige hierover nog nauwelijks geïnformeerd.

Zolang de politiek zich sterk blijft bemoeien met de AOW, is het fundament van ons oudedagstelsel bijzonder instabiel en dreigt de piramide te kantelen.

Pensioen: de tweede pijler
Het is geen wettelijke verplichting dat een werkgever een pensioenregeling opneemt in zijn arbeidsvoorwaardenpakket. De meeste werkgevers in Nederland zijn hiertoe echter wel overgegaan. Evenals de eerste pijler is de tweede pijler omgeven met onduidelijkheden en vragen, zonder concrete antwoorden. Dit heeft meerdere oorzaken.

Binnen het oudedagstelsel in Nederland wordt ervan uitgegaan dat het pensioen uit de eerste en tweede pijler tezamen 70% vormen van het salaris direct voorafgaande aan de pensionering op leeftijd 65. Het is inmiddels geen geheim meer dat voor veel belastingplichtigen (lees: bijna iedereen) deze ‘70%-norm’ niet wordt gehaald. Dit komt bijvoorbeeld door:
• gemis aan ‘AOW-pensioen’ vanwege een meerjarig verblijf in het buitenland, zonder dat daar compensatie van het ‘AOW-hiaat’ tegenover staat;
• een pensioenregeling met een lager ambitieniveau. De praktijk leert dat dit veelal het geval is. Motieven van de werkgever om kosten beheersbaar te houden liggen hieraan vaak ten grondslag;
• werknemers die pas op latere leeftijd starten met de opbouw van pensioen of opbouwjaren missen omdat een werkgever geen pensioenregeling heeft.

Het is dan ook op zijn minst vreemd dat én door de wetgever én door veel pensioenadviseurs nog altijd wordt uitgegaan van deze ‘70%-norm’. Waarom vast blijven houden aan deze norm nu binnen afzienbare tijd aangesloten dient te worden bij pensioenleeftijd 67 in plaats van 65? Het is immers de verwachting dat met het verschuiven van de ‘AOW-leeftijd’ de pensioenleeftijd binnen pensioenregelingen eveneens opschuift. Met name de pensioenadviesbranche dient vanuit het klantprofiel van haar clientèle aansluiting te zoeken bij het gewenste besteedbare inkomen vanaf het moment van stoppen met werken.

Als gevolg van de financiële crisis hebben pensioenuitvoerders aangegeven voorlopig geen toeslagen te zullen toepassen. Ondanks een relatief lage inflatie blijft de koopkracht van het pensioen niet op peil. Verder schrijft de Pensioenwet voor dat waardeoverdracht van pensioenkapitaal ‘on hold’ dient te worden gezet zolang (één van) de bij deze overdracht betrokken pensioenuitvoerders een te lage dekkingsgraad (heeft) hebben. Inmiddels staan veel van zulke verzoeken ‘on hold’. Ook hierdoor dreigen pensioengerechtigden het overzicht kwijt te raken.

Tot slot dreigt een mogelijke ‘woekerpensioen-affaire’. De pensioenbranche maakt zich op voor een landelijke norm en bijbehorende compensatieregeling. Reserveringen worden inmiddels gevormd. Maar hoe komt deze norm eruit te zien? En op welke wijze en in welk tempo wordt er vervolgens gecompenseerd? Tv-programma’s als ‘Radar’ en ‘Kassa’ zijn voorlopig weer verzekerd van content.

Alhoewel minder politiek gevoelig, kan níet gesteld worden dat de tweede pijler wél een solide fundament is van het oudedagstelsel in Nederland.

De privé financiële huishouding: de derde pijler
Via de derde pijler dient het oudedagsinkomen op niveau te worden gebracht. Niet alleen wat betreft hoogte, maar óók om een belastingplichtige de mogelijkheid te bieden om zelf een moment van stoppen met werken te kiezen.

De belastingplichtige heeft tal van mogelijkheden om te sparen voor later. Deze mogelijkheden kunnen worden gecategoriseerd in methoden met hogere dan wel lagere risicoprofielen, met meer dan wel minder garantie, meer dan wel minder traditioneel. Er zijn meerdere spaarinstrumenten en -methoden:
• aanvullende oudedagsvoorziening in de lijfrentesfeer;
• opbouw van extra oudedagsinkomen via de levensloopregeling;
• vormen van een effectenportefeuille;
• sparen via een bank- en/of beleggingsrekening in box 3;
• vertrouwen op de overwaarde in de woning;
• rekening houden met een erfenis op termijn.

Trend: van verzekering naar rekening
Ook binnen de derde pijler spelen de politiek en de wetgever een belangrijke rol. Maar dan vanuit een meer positieve invalshoek.

Bij het sparen voor de oudedag wordt meestal direct de link gelegd met levensverzekeringen, meer concreet lijfrenteverzekeringen. Het zijn juist dit soort verzekeringen waarvan is geconstateerd dat veelal sprake is van te hoge kosten en onvoldoende ‘kostentransparantie’. In een reactie hierop is sinds 1 januari 2008 in de wet de mogelijkheid van een lijfrenterekening (ook bekend als ‘banksparen’) opgenomen. De wetgever heeft hiermee beoogd de belastingplichtige een extra mogelijkheid te bieden om op fiscaal gefaciliteerde wijze, tegen lagere kosten en een grotere mate van kostentransparantie, extra oudedagsinkomen op te bouwen. Een prima uitgangspunt, maar de vraag is of de wetgever in zijn opzet is geslaagd. De mogelijkheid van meer keuzes kan positief worden uitgelegd, maar kan óók leiden tot onnodig extra complexe beslismomenten.

De lijfrenterekening en de lijfrenteverzekering lijken op elkaar, maar er zijn ook kenmerkende inhoudelijke verschillen te constateren, wat betreft de fiscaliteit, het overlijdensrisco, de gewenste ingangsdatum van de uitkeringen en de gewenste uitkeringsduur. Met als gevolg dat de belastingplichtige in zijn specifieke situatie alsnog beter kan kiezen voor een ‘ouderwetse, duurdere’ lijfrenteverzekering die beter aansluit op zijn wensen en doelstellingen.

Daar komt nog bij dat momenteel veel onzekerheid bestaat of de lijfrenterekening ten opzichte van de lijfrenteverzekering inderdaad een lagere ‘kostenloading’ kent en meer kostentransparantie biedt. De financiële branche heeft tot op heden nagelaten aan deze onzekerheid een einde te maken. De discussie tussen verzekeraars enerzijds en banken anderzijds blijft steken op het niveau van de inhoud van het product en de vraag in welke situatie het product het beste geadviseerd kan worden. Is het vraagstuk echt te complex of hebben financiële instellingen, veelal instellingen met een bank- én een verzekeringstak, geen belang bij een juiste beantwoording?

Levensloopregeling
Ook de levensloopregeling is een relatief eenvoudige regeling waarbij op fiscaal vriendelijke wijze kan worden gespaard voor onder meer eerder stoppen met werken of verbeterd met pensioen gaan. Ook hier geldt de keuzemogelijkheid ‘verzekering of rekening’ en ook hier is de financiële branche er niet in geslaagd om voor iedereen herkenbare kostentransparantie te bieden.

Helaas heeft de politiek zich vanaf de introductie van de regeling per 1 januari 2006 nooit uitgesproken over de continuïteit van de regeling. Ook de levensloopregeling is hiermee een politiek instabiel instrument geworden. In 2010 wordt de regeling door de politiek geëvalueerd. Tot die tijd is het afwachten of we met een serieuze, duurzame regeling te maken hebben of juist niet. Dit leidt tot terughoudendheid bij de particulier belastingplichtige.

Stamrechtrekening
Tijdens Prinsjesdag 2009 is tevens een vooraankondiging gedaan van de stamrechtrekening, als tegenhanger van de stamrechtverzekering. Het zou mij niet verbazen als de discussie over onvoldoende kostentransparantie óók voor dit nieuwe product opgeld zal doen.

Op de langere termijn zal de rekening ongetwijfeld terrein gaan winnen op de verzekering. Voor het zover is, is er nog veel te verhelderen. Hierdoor is het voor de belastingplichtige vooralsnog niet eenvoudig om tot afgewogen keuzes te komen. De derde pijler lijkt stabieler, maar is helaas ook gelardeerd met vragen en onduidelijkheden.

Oudedagstelsel nieuwe stijl
Uit de bij De Nederlandsche Bank gedeponeerde jaarcijfers blijkt dat de levensverzekeraars over 2008 historische verliezen hebben geleden en dat deze verliezen met name zijn toe te schrijven aan teruggelopen omzet uit individuele beleggingsverzekeringen. DNB wijt de zware tijden aan de te hoge kosten van de levensverzekeraars, de ‘woekerpolis-affaire’ en de introductie van het banksparen. DNB oordeelt verder dat vanwege de complexiteit van de producten de kosten in Europees perspectief te hoog zijn.

De bouwstenen van de oudedagspiramide worden anders gestapeld. Het is aan de wetgever én de financiële branche (uitvoerders plus adviseurs) om het fundament verder te verstevigen. Met name omdat de particulier belastingplichtige meer eigen verantwoordelijkheid krijgt toebedeeld om tot een eigen invulling van de oudedag te komen. Elke belastingplichtige dient in de gelegenheid te zijn een eigen ‘financiële planning’ op te zetten. De introductie van het nieuwe sparen naast ¬– of in de plaats van ¬– het ‘ouderwetse’ verzekeren mag niet tot meer complexiteit leiden.

Gezien de wijze waarop invulling is gegeven aan het oudedagstelsel in Nederland is deskundige ondersteuning onmisbaar voor de belastingplichtige. Hopelijk zullen de advieskosten die hiermee gepaard gaan het beoogde financiële voordeel van banksparen niet teniet


BRV_-_Pensioenpiramide_krijgt_nieuw_fundament[1]
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :