‘Het generatiepact bevat echt wel sterke financiële en fiscale stimulansen om de mensen langer aan het werk te houden’, zegt pensioenspecialist Chantal Hendrickx, advocaat bij Vandendijk & Partners Advocaten en auteur van het boek “Pensioen en Fiscus”. ‘Alleen hebben die voorlopig niet zoveel impact op de grote groep arbeiders die vervroegd uit het arbeidscircuit stappen.’ Ze vindt wel dat het nu nog te vroeg is om een oordeel te vellen over het generatiepact.
Het generatiepact werkt niet, klinkt het nogal eens in werkgeverskringen. Het VBO drong in de aanloop naar de nieuwe beleidsverklaring van de regering-Van Rompuy I dan ook aan op een nieuw generatiepact. De gemiddelde leeftijd waarop een Belg uit het arbeidscircuit stapt, is nog altijd 59 jaar.
‘Ik vind het nog te vroeg om het generatiepact te beoordelen’, zegt Chantal Hendrickx. ‘De baby-boomers zullen de komende jaren moeten beslissen of ze vervroegd uitstappen of aan de slag blijven tot hun 65ste. Dan pas zullen we weten of het generatiepact zoden aan de dijk brengt.’
De eye-catcher om deze generatie langer aan de slag te houden is de gunstige belasting van het aanvullende pensioen voor wie tot zijn 65 blijft werken. ‘Wie werkt tot zijn 65ste betaalt op zijn aanvullend pensioen slechts tien procent belasting (plus gemeentebelasting). Voor wie vroeger stopt is dat 16,5 procent (plus gemeentebelasting).’
‘Maar ook wie onvrijwillig werkloos wordt voor zijn 65 jaar kan nog van die 10 procent genieten als hij wacht tot zijn 65 jaar vooraleer hij zijn pensioenkapitaal opneemt. Voorwaarde is wel dat de werknemer beschikbaar blijft voor de arbeidsmarkt en bijvoorbeeld niet voor brugpensioen kiest’ Chantal Hendrickx moet wel toegeven dat de controle daarop eerder beperkt is. ‘De verzekeringsmaatschappij gaat alleen kijken of de werknemer in kwestie 65 is op het ogenblik dat hij zijn pensioenkapitaal opvraagt. Hij moet dat kapitaal dan in zijn belastingaangifte vermelden, maar daarmee is de kous dan ook meestal af.’
‘Wat we ook regelmatig zien is dat de ontslagen werknemer als zelfstandige aan de slag gaat. Hij doet dat best via een ‘gewone commanditaire vennootschap’ (GCV) . Dat is een zeer soepele vennootschapsvorm en biedt de mogelijkheid van inkomensplanning zonder nadelige gevolgen op de uitkering van het wettelijk pensioen.
Chantal Hendrickx wijst er op dat die lage heffing op het aanvullende pensioen in de vorm van een kapitaal, wat op zichzelf ook al afwijkend is, echt uniek is. ‘Geen enkele lidstaat in de Europese Unie doet ons dat na. Vroeger volstond het om de woonplaats in België te hebben om van de tien procent te kunnen genieten. In al onze dubbelbelastingverdragen was immers bepaald dat de woonstaat heffingsbevoegd is voor pensioenen. Maar in de recentste verdragen gaat de bronstaat steeds meer een stuk van de koek opeisen. Dat is bijvoorbeeld als zo in de verdragen met Nederland en het Verenigd-Koninkrijk (via Protocol). Dat vermijdt uiteraard het pensioenshoppen. Het Oeso-modelverdrag gaat nog altijd uit van heffingsbevoegdheid voor de woonstaat, maar erkent wel de trend naar (gedeeltelijke) heffingsbevoegdheid voor de bronstaat.’
Maar die stimulans uit het generatiepact speelt natuurlijk alleen wanneer de werknemer in kwestie een behoorlijk aanvullende pensioen heeft. De meeste kaderleden en heel wat bedienden beschikken meestal over een fatsoenlijk aanvullende pensioen. Maar de arbeiders, een groep die erg vatbaar is voor brugpensioen, heeft dat dikwijls niet. En dit ondanks de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP) die sinds 1 januari 2004 is voege is getreden.
‘Een van de grote doelen van de WAP was de democratisering van het aanvullende pensioen. Stilaan is nu toch al duidelijk geworden dat de eerste pijler, het wettelijk pensioen, voor de meesten niet zal volstaan om hun huidige levensstandaard te handhaven. Daarom is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen hun wettelijk pensioen aanvullen’.
‘Een van de middelen om die democratisering te bereiken was de introductie van sectorpensioenen. Het aantal sectorpensioenen is de laatste jaren sterk gestegen, maar wat opvalt, is dat de bijdragen die erin gestort worden tot op vandaag zeer beperkt blijven. De arbeiders hebben bij CAO-onderhandelingen altijd ‘boter bij de vis’ gewild. Misschien dat daar de komende jaren verandering in komt nu de gevoeligheid voor het pensioen is toegenomen.’
Chantal Hendrickx wijst er ook op dat een onderneming sinds het WAP verplicht is om een pensioenplan voor alle werknemers te hebben vooraleer iemand een individuele pensioentoezegging kan krijgen. ‘Dat werkt de democratisering ook in de hand. Zo’n individuele pensioentoezegging is tegenwoordig trouwens aan zeer strikte voorwaarden gebonden. Als die niet nageleefd zijn loop je het risico dat de premies niet aftrekbaar zijn.’
Het optrekken van de pensioenleeftijd, tot bijvoorbeeld 67 jaar zoals Nederland onlangs gedaan heeft, vindt Chantal Hendrickx niet meteen nuttig. ‘De leeftijd gaat theoretisch omhoog, maar leidt dat ertoe dat mensen in de praktijk langer aan de slag zullen blijven? We moeten er in eerste instantie proberen voor zorgen dat de werknemers in België al tot hun 65 jaar blijven werken. En of dat lukt met het huidige generatiepact is nog afwachten.’