Doorgaan naar hoofdcontent

Koopkracht na pensioen

Het is een hype om vandaag over dalende koopkracht te spreken. Het inflatiespook doolt voor het eerst sinds lange tijd opnieuw door onze contreien, de financiële markten peilen naar hun diepste bodem en de olieprijs staat, in dollarkoers, op een ongeziene hoogte. Ook vanuit een micro-economisch perspectief hoor je de mensen steen en been klagen over de toegenomen levensduurte zowel bij de aankoop van gebruiksgoederen als van de dagelijkse verbruiksgoederen. Vooral gepensioneerden zouden extra kwetsbaar zijn door de forse toename van de levensduurte.

Het gezinsbudgetonderzoek van de FODEconomie laat reeds enkele jaren zien dat vooral de jong gepensioneerden ontsparen. Dit betekent dat ze dienen in te teren op het opgebouwde vermogen. Op zich is dit een logische waarneming. Eerst en vooral is er het wettelijk pensioen. Door de trage reactie van de wettelijke uitkeringen op de toename van de inflatie moet men al sneller zijn reserves aanspreken, als je de levensstandaard intact wil houden. Daarnaast heeft het opgebouwde vermogen op de pensioenleeftijd als doel de consumptiebehoeften na pensioen te dekken. Dus zal er een snellere afbouw van die reserves plaatsvinden. Bovendien wordt de onmiddellijke periode na pensioen gekenmerkt door inhaalconsumptie (reizen, aanpassen woning, heraanleg tuin,...) wat de reserves bijkomend aantast. Als die reserves dan ook nog eens te risicovol belegd zijn en de gepensioneerde, om in zijn consumptie te voorzien, de beleggingsverliezen moet nemen, zitten we in een neergaande spiraal. De snelheid van dit ontsparen en de toename van de verwachte levensduur zou kunnen leiden tot een vervroegd deficit. Maar dit zou betekenen dat de waargenomen ontsparing continu doorzet. En dat is een vaak gemaakte denkfout.

Diverse budgetonderzoeken zowel in België als in de VS tonen aan dat in de latere fase van pensionering (vaak is 75jaar een scharnierpunt) de balans weer doorslaat van ontsparen naar sparen. Amerikaans budgetonderzoek stelt deze tendens al meer dan 20jaar vast, het heeft dus weinig met generatieverschillen te maken. Met andere woorden: het is bijzonder interessant om met iemand een adequate pensioenplanningsstrategie door te praten die rekening houdt met de echte behoeften in de diverse fasen van de postpensioneringsperiode.

Vanuit deze genuanceerde behoeftenanalyse kan dan de juiste conclusie getrokken worden inzake drie cruciale domeinen: beleggingsstrategie, fiscale planning en successieplanning. Een beleggingsbeleid dat ervan uitgaat dat de eerste tien jaar een grotere inflatiegecorrigeerde opname uit vermogen behoeft en vervolgens gekenmerkt wordt door een discontinue of zelfs afnemende opnamevereiste, zal hoe dan ook veel meer op maat van de realiteit gebouwd zijn en soepeler aanvoelen. Hierdoor kunnen paniekverkopen vermeden worden. Als blijkt dat de eerste jaren van pensionering de liquiditeitsbehoeften dermate groot zijn, kan er tevens gezocht worden naar een strategie van fiscaal geoptimaliseerd inkomen uit (occasionele) professionele prestaties. En ten slotte zal de successiestrategie zonder enige twijfel een functie zijn van een correcte inschatting van de variabele consumptiebehoeften. Het doorschuiven naar een volgende generatie van 'overtollige' middelen zal op deze wijze vaak veel later gebeuren. Dit sluit niet uit dat er al een planning uitgewerkt kan worden waarbij een deel van het (roerend) vermogen kan worden geschonken aan een volgende generatie met een inkomstenrestrictie.

Jo Stremersch is vennoot bij Stremersch, Van Broekhoven& Partners.

Populaire posts van deze blog

Kosten vergrijzing wegen almaar zwaarder door: toekomstige regering wacht lastige taak om oplossing te vinden

Waar uitkeringen, gezondheidszorg of pensioenen vandaag ruim een vierde van onze gezamenlijk geproduceerde welvaart opeisen, zal dat tegen 2070 al een derde zijn. En dat is voor het overgrote deel te wijten aan de vergrijzing van onze bevolking. Dat blijkt uit het nieuwe jaarrapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. En zo weten de regeringsonderhandelaars nog eens duidelijk wat hen te doen staat. Vervolg VRT Rapport Studiecommissie voor de Vergrijzing

Is het waar dat de jonge leraars 400 à 600 euro per maand minder pensioen zullen krijgen? - DeWereldMorgen.be

Steeds verder gaat de federale regering in de afbraak van het wettelijk pensioen, zowel voor de werknemers uit de privé als voor de ambtenaren. De uitstapleeftijd neemt toe en het pensioenbedrag neemt af. Ook de sector onderwijs deelt in de klappen. “Weinig sectoren zijn zo zwaar getroffen door de pensioenhervormingen als het onderwijs. Leerkrachten die aan het begin van hun loopbaan staan, zullen vijf tot acht jaar langer moeten werken en als alle geplande maatregelen uitgevoerd worden, zullen ze maar liefst 400 à 600 euro netto per maand minder pensioen krijgen”. Dat schrijven 25 delegees van zes Vlaamse en Franstalige onderwijsvakbonden in een Opinie/Carte Blanche die o.a. verscheen in “Le Vif” (4 december 2017) en op “De Wereld Morgen” (14 december). Zo begint ook een Petitie tegen de afbraak van het onderwijspensioen. Stemmen de hallucinante cijfers die in de Opinie en in de Petitie vermeld worden, met de werkelijkheid overeen? Is het waar dat de jonge leraars 400 à 600 eu...