maandag 4 augustus 2008

Koopkracht na pensioen

Het is een hype om vandaag over dalende koopkracht te spreken. Het inflatiespook doolt voor het eerst sinds lange tijd opnieuw door onze contreien, de financiële markten peilen naar hun diepste bodem en de olieprijs staat, in dollarkoers, op een ongeziene hoogte. Ook vanuit een micro-economisch perspectief hoor je de mensen steen en been klagen over de toegenomen levensduurte zowel bij de aankoop van gebruiksgoederen als van de dagelijkse verbruiksgoederen. Vooral gepensioneerden zouden extra kwetsbaar zijn door de forse toename van de levensduurte.

Het gezinsbudgetonderzoek van de FODEconomie laat reeds enkele jaren zien dat vooral de jong gepensioneerden ontsparen. Dit betekent dat ze dienen in te teren op het opgebouwde vermogen. Op zich is dit een logische waarneming. Eerst en vooral is er het wettelijk pensioen. Door de trage reactie van de wettelijke uitkeringen op de toename van de inflatie moet men al sneller zijn reserves aanspreken, als je de levensstandaard intact wil houden. Daarnaast heeft het opgebouwde vermogen op de pensioenleeftijd als doel de consumptiebehoeften na pensioen te dekken. Dus zal er een snellere afbouw van die reserves plaatsvinden. Bovendien wordt de onmiddellijke periode na pensioen gekenmerkt door inhaalconsumptie (reizen, aanpassen woning, heraanleg tuin,...) wat de reserves bijkomend aantast. Als die reserves dan ook nog eens te risicovol belegd zijn en de gepensioneerde, om in zijn consumptie te voorzien, de beleggingsverliezen moet nemen, zitten we in een neergaande spiraal. De snelheid van dit ontsparen en de toename van de verwachte levensduur zou kunnen leiden tot een vervroegd deficit. Maar dit zou betekenen dat de waargenomen ontsparing continu doorzet. En dat is een vaak gemaakte denkfout.

Diverse budgetonderzoeken zowel in België als in de VS tonen aan dat in de latere fase van pensionering (vaak is 75jaar een scharnierpunt) de balans weer doorslaat van ontsparen naar sparen. Amerikaans budgetonderzoek stelt deze tendens al meer dan 20jaar vast, het heeft dus weinig met generatieverschillen te maken. Met andere woorden: het is bijzonder interessant om met iemand een adequate pensioenplanningsstrategie door te praten die rekening houdt met de echte behoeften in de diverse fasen van de postpensioneringsperiode.

Vanuit deze genuanceerde behoeftenanalyse kan dan de juiste conclusie getrokken worden inzake drie cruciale domeinen: beleggingsstrategie, fiscale planning en successieplanning. Een beleggingsbeleid dat ervan uitgaat dat de eerste tien jaar een grotere inflatiegecorrigeerde opname uit vermogen behoeft en vervolgens gekenmerkt wordt door een discontinue of zelfs afnemende opnamevereiste, zal hoe dan ook veel meer op maat van de realiteit gebouwd zijn en soepeler aanvoelen. Hierdoor kunnen paniekverkopen vermeden worden. Als blijkt dat de eerste jaren van pensionering de liquiditeitsbehoeften dermate groot zijn, kan er tevens gezocht worden naar een strategie van fiscaal geoptimaliseerd inkomen uit (occasionele) professionele prestaties. En ten slotte zal de successiestrategie zonder enige twijfel een functie zijn van een correcte inschatting van de variabele consumptiebehoeften. Het doorschuiven naar een volgende generatie van 'overtollige' middelen zal op deze wijze vaak veel later gebeuren. Dit sluit niet uit dat er al een planning uitgewerkt kan worden waarbij een deel van het (roerend) vermogen kan worden geschonken aan een volgende generatie met een inkomstenrestrictie.

Jo Stremersch is vennoot bij Stremersch, Van Broekhoven& Partners.
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :