In zes afleveringen analyseert De Standaard de impact van de vergrijzing op de pensioenen, en wat u er zelf kunt aan doen.
Vandaag deel 1: waarom slaat de vergrijzing toe?
1 werkende, 1 gepensioneerde
De verwachting is dat België rond 2050 bijna één gepensioneerde per werkende zal tellen.
Dat we in 2050 bijna één gepensioneerde per werkende zullen tellen -en dat elke werkende dus ook een gepensioneerde zal moeten onderhouden- is geen zekerheid, maar een voorspelling.
Ze is af te leiden uit de berekeningen van Marie-Jeanne Festjens van het Planbureau. Ze houdt rekening met 'waarschijnlijke' evoluties: een bepaalde immigratiegraad, een matige verdere stijging van de levensverwachting en een verhoging van de activiteitsgraad van de bevolking.
Festjens veronderstelt (of hoopt) dat het aandeel van de 20- tot 65-jarigen dat werkt, flink toeneemt en dat het aantal werklozen, bruggepensioneerden en andere niet-werkenden krachtig daalt.
Dat leidt tot de verwachting dat het aantal werkenden -degenen die de rijkdom scheppen die nadien herverdeeld moet worden- toeneemt van 4,062 miljoen in 1999 tot 4,438 miljoen in 2010. Ze verwacht nadien nog een verdere lichte stijging van het aantal werkenden tot 4,581 miljoen in 2030 en vervolgens een daling tot 4,443 miljoen in 2050.
Het aantal gepensioneerden (65+) stijgt echter spectaculair. In het huidige decennium (1999-2010) is de stijging nog bescheiden, van 2,846 miljoen (gepensioneerden en afgeleide rechten) tot 2,968 miljoen.
Maar daarna gaan de cijfers sterk omhoog, tot 3,785 miljoen in 2030 en tot 4,061 miljoen in 2050. Dan is het aantal gepensioneerden bijna gelijk aan het aantal werkenden.
Met dank aan de pil
Is de doorbraak van de anticonceptiepil in de jaren 60 de oorzaak van het vergrijzingsonheil?
De oorsprong van alle vergrijzings- en ontgroeningsproblemen zit in twee evoluties. Er is de babyboom van vlak na de Tweede Wereldoorlog, die bruusk werd afgebroken bij de doorbraak van de pil midden de jaren zestig.
En er is het almaar gezonder worden van de mensen, waardoor ze langer leven. Elk jaar stijgt de levensverwachting met een seizoen of een kwartaal, zeggen demografen.
De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog is het geboortecijfer snel omhooggegaan. De grafiek hiernaast geeft dat weer via het vruchtbaarheidscijfer, dat het aantal kinderen per vrouw aangeeft. 'Babyboom' heet dat verschijnsel: jonge mensen huwden opnieuw en andere paren vonden de tijd rijp om hun in de oorlogsjaren uitgestelde kinderwens te vervullen.
De stijging ging door in de daaropvolgende periode van sterke economische groei na de donkere oorlogsjaren en de daaraan voorafgaande crisisjaren dertig.
Vrij plots is die trend gekeerd. De toegenomen welvaart deed de wens groeien naar kleinere gezinnen. Het woord 'gezinsplanning' dook op. En die planning werd gemakkelijker toen in 1963 de contraceptieve pil op de markt kwam.
Gevolg: vanaf 1965 duikt het vruchtbaarheidscijfer plots omlaag, tot het twintig jaar later stabiliseert rond 1,6kinderen per vrouw, ver onder het zogenaamde 'vervangingsniveau' -tussen 2,0 en 2,2kinderen per vrouw- dat nodig is om bevolking constant te houden. De jongste jaren schommelt het vruchtbaarheidscijfer tussen 1,4 en 1,6kinderen per vrouw. Tijdens de meest recente jaren steeg het tot1,7.
De tweede verklaring voor de vergrijzing is dat mensen gezonder en dus ook ouder worden. De ontwikkeling van de geneeskunde helpt daarbij, maar gezondere leefgewoonten zijn zeker zo belangrijk.
De gemiddelde levensverwachting bij de geboorte is voor mannen gestegen van 67,7 jaar (1960) via 70 jaar (1980) tot 75 jaar in 2000. Voor vrouwen steeg de levensverwachting van 73,5 jaar (1960) tot 76,8 jaar (1980) en 81,5 jaar in 2000. Dat is een stijging met 7 à 8 jaar in veertig jaar.
De demografen zijn het oneens over de vraag of die stijging onbeperkt doorgaat. De laatste jaren heeft de evolutie zich alleszins doorgezet. Vandaag schommelt de levensverwachting bij de geboorte rond 75 jaar voor mannen en 82,5 jaar voor vrouwen. Die gemiddelden verbergen grote regionale en sociale verschillen. Hoogopgeleiden leven tot vijf jaar langer dan laagopgeleiden.
Een euro op de drie naar sociale uitgaven
Sociaal is de vergrijzing uiteraard een winstpunt: mensen leven langer, ze zijn ook een langere periode met pensioen, ze zijn in die periode langer gezond en kunnen veel meer doen en beleven dan voordien.
Maar die evolutie heeft ook een kostprijs. Terwijl vandaag een op de vijf van de euro's die we met zijn allen verdienen naar sociale uitgaven gaat (goed 20procent van het bbp), zal door de vergrijzing in 2050 bijna een op de drie verdiende euro's afgeroomd moeten worden voor sociale uitgaven.
Dat is af te leiden uit berekeningen van de Studiecommissie voor de vergrijzing, een onderdeel van de Hoge Raad van Financiën. Die gebruikt onder meer cijfers van het Federaal Planbureau en in toenemende mate ook van de directie Beleidsondersteuning van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid (FOD SZ). Die stelde onder meer het pensioenkadaster op.
Nauwkeurige cijfers over de stijging van de vergrijzingskosten hebben we eigenlijk pas het laatste decennium opgebouwd. Andere landen waren niet alleen sneller met hun beleid, maar ook met hun statistieken.
De cijfers van die studiecommissie boren de alarmkreten uit de jaren negentig de grond in. De pensioenen zijn niet onbetaalbaar, zoals toen gezegd werd. Ze zijn betaalbaar, maar het zal wel erg veel kosten, en we weten nu hoeveel ongeveer.
Eind de jaren negentig omvatten de sociale uitgaven -de sociale zekerheid en de onmiddellijk verwante uitgaven- iets meer dan 20procent van het bbp. Dat is intussen opgelopen tot 22,9procent. De komende jaren stijgt dat cijfer maar matig (23,8procent in 2010) als de regering het sober houdt, maar dan gaat het flink omhoog: tot 27,3procent in 2030 en tot bijna 30procent (29,1) in 2050.
Deze cijfers worden vrij algemeen als correct aanvaard, maar iedereen zegt ook dat het 'een krappe raming' is en dat de werkelijke cijfers wellicht toch nog wat hoger zullen liggen.
De Studiecommissie maakt haar berekeningen al sinds 2002, en elk jaar verhoogde ze de aangroeipercentages. Onder meer omdat de vorige regeringen de huidige sociale uitgaven, zonder vergrijzing, sneller lieten stijgen dan gepland. Zo liet de aftredende regering-Verhofstadt de gezondheidsuitgaven jaarlijks stijgen met 4,5procent plus inflatie (samen pakweg 7procent), terwijl de Studiecommissie maar op 2,8procent plus inflatie per jaar gerekend had. Het is dan ook waarschijnlijk dat het eindcijfer van 2050 dichter bij 33 dan bij 29procent zal liggen.
Pensioenen en gezondheidszorg vormen de grote brokken in de sociale uitgaven. Vandaag vertegenwoordigen die samen 15,9procent van het bbp, in 2050 wordt dat geraamd op 23,9, maar het zal wellicht wat hoger liggen. Dat betekent: van een op de zes euro's naar een op de vier.
De Studiecommissie gaat ervan uit dat alle andere sociale uitgaven dalen. De vervangingsinkomens die uitgekeerd worden bij ziekte en invaliditeit, zouden in aantal en gewicht moeten dalen van 1,2 tot 1,0procent van het bbp. De kinderbijslaguitgaven zouden zakken van 1,6 tot 1,1procent bbp (de commissie verwacht geen echte optrekking van het bedrag van de kinderbijslag).
De uitgaven voor werkloosheid en brugpensioenen zouden moeten dalen van 2,5procent bbp tot 1,5procent. De resterende uitgaven, zoals het leefloon, zouden gelijk blijven op 1,6procent.
Deze berekeningen gaan uit van de alsnog erg gedurfde stelling dat 70procent van de Belgische bevolking op actieve leeftijd aan het werk zal zijn. Vandaag is dat 60procent: 65 in Vlaanderen, 50 in Brussel, 55 in Wallonië.
De bankverzekeraar ING België berekende het onlangs anders: de gemiddelde leeftijd waarop de Belgen stoppen met werken, moet stijgen van 58 jaar vandaag tot 64 jaar in 2050, willen we de draagkracht van de actieven niet overbelasten.
Van bevolkingspiramide naar bevolkingsboom
Vergrijzing en ontgroening maakten 'bomen' van de vroegere bevolkingspiramides.
Er was een tijd dat westerse demografen voortdurend bevolkingspiramides tekenden. Zolang oorlogen, hongersnoden of andere rampen de zaak niet kwamen verstoren, groeide de bevolking van hun landen geleidelijk aan.
Elk jaar werd een iets omvangrijkere generatie kinderen geboren, en die generaties werden geleidelijk door overlijdens uitgedund. De grafische voorstelling van zo'n bevolking in op elkaar gestapelde staafjes leverde piramides op: een brede basis die geleidelijk smaller werd.
Vandaag leveren die grafieken voor westerse landen een boomfiguur op.
Na de jaren zestig verminderde het aantal geboren jongeren drastisch. Dat lage cijfer blijft nu al verschillende decennia relatief stabiel. Dat levert de 'stam' op van de boom. Daarboven zit een brede kruin, vooral de generaties geboren tussen pakweg 1945 en 1975, die uitgedund worden naarmate hun leeftijd vordert.
De breedste staafjes slaan op de generaties van de dertigers tot zestigers van nu. Die brede groep zal de komende decennia het bovenste gedeelte van de tekening gaan uitmaken, terwijl de generaties die er onderaan bijkomen, smal blijven. Dat levert een boom op.
De moeilijkste periode is die van 2010 tot 2050, als de brede groepen met pensioen gaan of zijn, en de smalle groepen al werkend hun sociale kosten moeten dragen. Als er niets verandert aan de bevolkingsgegevens, zal de boomstructuur verdwijnen vanaf 2050, als de brede generaties verdwijnen.
Er zijn flink wat verschillen tussen de regio's in ons land. De vergrijzing en ontgroening slaan later toe in Wallonië dan in Vlaanderen en de ontgroening is er ook minder intens.
In Brussel verloopt de evolutie nog anders. Daar is er een groei van de jonge bevolking merkbaar. Dat is vooral het gevolg van de immigratie in dat gewest van grote aantallen vrij jonge mensen die relatief veel kinderen hebben.
Die verschillen kunnen leiden tot verschuvingen in de financiële transfers en dus tot politieke spanningen tussen de gewesten. Maar ze hebben ook voordelen. De scherpe daling van de actieve bevolking waarmee Vlaanderen al vrij snel zal worstelen, kan zeker een tijdlang opgevangen worden door Wallonië en Brussel, waar de bevolking op beroepsactieve leeftijd dan nog groter is.
We kenden pensioenen, niet inkomen gepensioneerden
Bruno Tobback vindt dat hij alles klaarlegde om een 'integraal' pensioenbeleid te voeren.
'We kenden de pensioenen die we zelf uitbetaalden tot op de cent. De berekening en de uitbetaling ervan, dat deden we perfect. Maar van het inkomen van de gepensioneerden wisten we niets. De tweede en derde pijler bleven uit beeld. En de redenen waarom de gepensioneerden veel of weinig kregen, hadden we evenmin in kaart.'
'Dan is het moeilijk om een integraal beleid te voeren. Ik heb mij daarom toegelegd op de basisvoorwaarde om de pensioenen betaalbaar te houden: meer mensen aan het werk helpen, onder meer via het Generatiepact. Daarnaast heb ik gezorgd voor de gegevens die nodig zijn om een integraal beleid uit te werken, een beleid dat behalve op de eerste pijler, het wettelijk pensioen, ook een visie heeft op de tweede en de derde pensioenpijler, de aanvullende pensioenen.'
'We weten nu precies waaraan het ligt dat vrouwen een lager pensioen krijgen dan mannen en voor welk deel dat te wijten is aan hun kortere loopbaan, hun deeltijds werken of hun lagere lonen.'
Zo beoordeelt Bruno Tobback (SP.A), de aftredende federale minister van Pensioenen, zichzelf. Al haast hij zich om daaraan toe te voegen dat ook andere erg belangrijke beslissingen vielen: 'Het welvaartsvast maken van de pensioenen is superbelangrijk. De WAP, de wet aanvullende pensioenen, in de praktijk brengen, hebben we ook gedaan. Een aantal knelpunten voor de vrouwenpensioenen zijn al weggewerkt.'
'Een allesomvattend pensioenplan was niet mogelijk, maar nu is het dat wel. De nieuwe regering kan dat uitwerken. Maar de oranje-blauwe onderhandelaars lijken niet erg geneigd te zijn dat te doen. Ze leggen in hun eerste begrotingsakkoorden ook te weinig opzij voor de pensioenen', zegt Bruno Tobback, terwijl hij naadloos overgaat naar zijn oppositierol.
Zijn de pensioenen te laag in ons land, zoals Gabriël Perl (PS), de administrateur-generaal van de pensioendienst RVP, zei in De Morgen?
Bruno Tobback: 'Je kunt daar op twee punten bevestigend op antwoorden. De allerlaagste pensioenen zijn onbetwistbaar te laag om er deftig van te kunnen leven. Daar zijn veel vrouwenpensioenen bij. De pensioenen zijn nog op een tweede manier te laag: de vervangingsratio (de verhouding van het pensioen tot het vroeger verdiende loon, red.) is laag geworden voor de gemiddelde en de hogere inkomens. Dat die mensen daardoor uit de sociale zekerheid zouden stappen, zie ik niet zitten. Dat kan trouwens niet. Maar het ondergraaft wel de legitimiteit van het stelsel.'
'De studie van Jos Berghman van de KULeuven voor de FOD Sociale Zekerheid leerde dat de “betere inkomens, dat vroeger al corrigeerden met aanvullende pensioenen. De wet aanvullende pensioenen heeft dat intussen gedemocratiseerd.'
'Een pensioenpact sluiten zoals Gabriël Perl voorstelt? Mijn administrateur-generaal is een verstandig man. Het is duidelijk dat over de langetermijnpolitiek het best ruim gedebatteerd wordt. Het is ook duidelijk dat ook dat de sociale partners daarin moeten betrokken zijn.'
Die partners reageerden gisteren niet negatief op Perls voorstel, maar onderstreepten vooral hun eigen prioriteiten.