Net als de meeste andere Europese landen heeft ook België de jongste decennia gesleuteld aan zijn pensioenstelsel. Maar in weinig landen verliepen die hervormingen zo geïmproviseerd als hier. Daarvoor betalen we nu een zware prijs. De efficiëntie van het stelsel als sociaal beschermingsinstrument is afgetakeld terwijl er onvoldoende zicht is op de evolutie op lange termijn. Kortom, het 'Belgische pragmatisme' heeft gefaald.
Dat besloot de gezaghebbende socialezekerheids- en armoede-experte Bea Cantillon nadat ze op een colloquium geluisterd had naar uiteenzettingen over de manier waarop drie andere Europese landen hun pensioenstelsel hebben hervormd.
Het colloquium was een initiatief van de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP). De aanleiding was de veertigste verjaardag van het naoorlogse pensioenstelsel voor werknemers. De drie voorbeeldlanden waren Zweden, Duitsland en Frankrijk.
Zweden nam het eerst maatregelen. Het bouwde een systeem uit dat door allerlei ingebouwde stabilisatoren, waaronder een koppeling tussen het pensioenbedrag en de levensverwachting, schokbestending zou moeten zijn.
Duitsland startte later. Het bouwde ook schokdempers in, zoals de koppeling van het pensioen aan de verhouding tussen het aantal actieven en niet-actieven. Maar omdat het zo laat gestart is, moet het pijnlijker maatregelen nemen. De vervangingsgraad (de verhouding tussen het vroegere loon en het huidige pensioen) takelt af.
Frankrijk is het meest met België te vergelijken. De al genomen maatregelen blijken niet te volstaan. Ook de Franse overheid worstelt met een reeks specifieke en dure ambtenarenstelsels en de moeilijk te bedwingen voorliefde voor een vervroegde pensionering bij veel van haar burgers.
Het verschil tussen België en die landen is niet dat zij wel en wij niet hervormden, zei Cantillon in een analyse. De lijst met Belgische ingrepen is zelfs indrukwekkend: de bijsturing van het vrouwenpensioen, de bevriezing van de plafonds voor de uitkeringen terwijl die voor de bijdragen wel aangepast werden, het stimuleren van de tweede pijler, het Zilverfonds, een selectieve welvaartskoppeling,...
Maar al die ingrepen kwamen er op een vrij geïmproviseerde manier. 'In het verleden klonk het vaak dat het systeem flexibel genoeg was om zich aan te passen. Ook ik heb dat gezegd. En dat klopt wel, alleen gebeurde dat niet op de manier die we wilden.' Het resultaat is dat België de koppositie is kwijtgeraakt die het ooit in de EU bekleedde. Een vijfde van onze ouderen leeft nu onder de armoedegrens. België is het enige EU-land waar de armoedegraad bij de ouderen hoger is dan bij de rest van de bevolking. Tegelijk zijn er grote twijfels over betaalbaarheid van het stelsel op lange termijn.
'We kunnen het Belgische pragmatisme best verlaten', besloot Cantillon. Ze sloot zich daarmee aan bij de oproep voor een pensioenpact die de administrateur-generaal van de RVP, de PS'er Gabriel Perl, vorige week lanceerde.
Debatten
Twee aansluitende debatten onder vertegenwoordigers van de sociale partners en de politieke partijen moesten helpen al wat zicht te krijgen op de mogelijke contouren van zo'n pact. Ondanks de geetaleerde bereidheid tot dialoog lijkt dat nog niet voor morgen te zijn.
Toch is duidelijk dat niemand de centrale rol van het wettelijk pensioen ter discussie stelt. Werkgevers en vakbonden waren het opvallend eens dat een verder afglijden naar een basispensioen moet worden voorkomen, omdat dat het draagvlak van het systeem ondermijnt. Een gedemocratiseerde tweede pijler moet voor ondersteuning zorgen. Niet langer de vertrekleeftijd maar de loopbaan moet het criterium worden voor de pensioenberekening. Een werkgeverspleidooi om ook eens kritisch te kijken naar de vele 'gelijkgestelde periodes' die meetellen bij de berekening, botste bij de vakbonden op achterdocht maar niet op een absoluut nee.
Toch valt te betwijfelen of het helemaal een debat zonder taboes wordt. De dag was bijna helemaal afgelopen toen Spirit-senator Geert Lambert als eerste en enige durfde suggereren dat toch ook eens moet bekeken worden of de enorme verschillen tussen het werknemers- en het ambtenarenpensioen nog verantwoord zijn.