Aanvankelijk werd de hoogte van de rendementsgarantie in de wet zelf bepaald. De rendementsgarantie op de werknemersbijdragen bedroeg aanvankelijk 4,75 % en werd in 1999 verminderd tot 3,75 %. De rendementsgarantie op de werkgeversbijdragen bedroeg aanvankelijk 3,25 %.
Vanaf 2016 wordt de hoogte van de wettelijke rendementsgarantie niet langer in de wet zelf bepaald, maar elk jaar opnieuw berekend door de FSMA op basis van een formule. De rentevoet voor de berekening van de rendementsgarantie is daarbij gekoppeld aan de rente op staatsleningen op 10 jaar (de zogenaamde Lineaire Obligaties of OLO’s met een duurtijd van 10 jaar). Als de rente op de staatsleningen daalt, zal ook de wettelijke rendementsgarantie dalen. Omgekeerd zal de rendementsgarantie hoger liggen wanneer de rente op staatsleningen stijgt. De rendementsgarantie moet wel minstens 1,75 % bedragen en mag niet hoger liggen dan 3,75 %. De rentevoet voor het volgende jaar wordt elk jaar op 1 januari vastgelegd waardoor deze van jaar tot jaar kan verschillen.
In 2016 bedraagt de wettelijke rendementsgarantie 1,75 %.
Deze blijft ongewijzigd vanaf 2018.
De wettelijke rendementsgarantie | FSMA