De bijdragen die de werkgever voor een aanvullend pensioen van zijn werknemers in het kader van een groepsverzekering of aan een pensioenfonds stort, genieten een fiscaal voordelige behandeling. Deze premies kunnen door hem fiscaal afgetrokken worden als bedrijfskosten. Er is hier echter wel een beperking, die bekend staat als de "regel van de 80 percent". Met andere woorden mag de bijdrage van de werkgever voor dit extralegaal pensioen, samen met het wettelijke pensioen, niet hoger liggen dan 80% van de laatste normale jaarlijkse brutoverloning van de werknemer, op basis van de normale duur van de beroepswerkzaamheid.
Voor de toetsing van de 80%-regel hoeft men geen rekening te houden met de individuele levensverzekeringen of met het pensioensparen uit de 3de pijler. De praktijk heeft echter aangetoond dat er nogal wat problemen waren met de correcte toepassing van deze regel. Na een reeks aanpassingen in 2005, werden er nog verdere verduidelijkingen aangebracht door de programmawet van 23 december 2009, waarvan de beschikkingen van toepassing zijn vanaf het aanslagjaar 2010.
De recentste verduidelijkingen hebben betrekking op de manier waarop moet gehandeld worden wanneer de vergoedingen gestort worden onder de vorm van een kapitaal en de manier waarop de vergoedingen die rekening houden met de gepresteerde jaren dienst, gefinancierd kunnen worden. Het is nu uitdrukkelijk vermeld dat zulke vergoedingen gefinancierd kunnen worden onder de vorm van een of meerdere bijdragen of premies.