De budgettaire kosten van de vergrijzing in ons land komen tussen 2009 en 2060 uit op 6,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp), zo blijkt uit het negende jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. De nieuwe raming is daarmee 0,1 procentpunt hoger dan die uit het vorige verslag voor dezelfde periode. Voor de raming hanteert de Studiecommissie een referentiescenario dat een jaarlijkse productiviteitsgroei van 1,5 procent omvat.
Vorig jaar was er nog sprake van budgettaire kosten ten belope van 8,2 procent van het bbp, maar Guy Quaden, voorzitter van de Studiecommissie, merkt op dat die van toepassing waren op de periode 2008-2060. Er werd uitgegaan van een "zeer sterke stijging van de sociale uitgaven in 2009 ten opzichte van een bbp dat ten gevolge van de financiële en economische crisis plots snel verzwakte".
Werkgelegenheidsgraad
Hoewel het voorbije decennium de werkgelegenheidsgraden voor de 50- tot 64-jarigen gestegen zijn, blijkt de graad met de leeftijd sterk af te nemen. Waar in 2008 de werkgelegenheidsgraad bij mannen tussen 55 en 59 jaar nog 64 procent bedroeg, was dat nog slechts 30 procent voor de 60- tot 64-jarige mannen.
Volgens Quaden moet de effectieve leeftijd waarop de Belgen met pensioen gaan omhoog. Als we de kosten voor de vergrijzing binnen de perken willen houden spiegelt hij twee grote maatregelen voor: meer economische groei -volgens Quaden de beste manier om onze sociale zekerheid in stand te houden- en meer personen die langer aan de slag blijven op de arbeidsmarkt.