Het wettelijke pensioen bedraagt gemiddeld maar een goede 1000 euro en veroordeelt de doorsnee Belg dus tot zwaar koopkrachtverlies als de laatste loonbrief in de bus is gevallen. De overheid weet dit en heeft daarom naast de eerste pijler van het wettelijke pensioen twee bijkomende pijlers op touw gezet die voor een aanvullend pensioeninkomen moeten zorgen.
De tweede pijler bestaat uit pensioenreserves die gevoed worden door bijdragen in het kader van een beroepsactiviteit (voor werknemers via de groepsverzekering of het pensioenfonds van het bedrijf). De derde pijler bouwt pensioenreserves op via individueel sparen dat door de overheid fiscaal gestimuleerd wordt (pensioensparen en langetermijnsparen).
140 miljard euro in de financiële storm
In deze tweede en derde pijler zit momenteel in totaal voor ruim 140 miljard euro reserves. Maar in welke mate zijn de aanvullende pensioenreserves beschermd tegen financieel onheil zoals een kredietcrisis of een beurscrash? Kortom: hoe worden deze reserves beheerd?
Wees gerust: de schade valt mee. Ruim 110 van de 140 miljard euro reserves worden vrij conservatief belegd, en zijn dus goed bestand tegen beurscorrecties. Het moet al heel slecht gaan op de financiële markten, zoals in 2002, om een jaar met een negatieve return te boeken. Ook de kredietcrisis trekt geen spoor van vernieling door uw pensioenreserves.
"Enkel in de hoekjes en kantjes zitten misschien wat kredietverliezen", zegt Wauthier Robyns, woordvoerder van Assuralia, de vereniging van de verzekeringsmaatschappijen. De financiële waakhond, de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), houdt ook een oogje in het zeil.
Woordvoerder Luk Van Eylen: "We hebben onlangs een rondvraag gedaan bij verzekeraars, banken en pensioenfondsen. De door de kredietcrisis opgelopen verliezen zijn heel beperkt."
De wetgever heeft het conservatieve beheer van deze reserves in de hand gewerkt. In de tweede pijler schrijft de wet een minimumrendement voor (3,75 % op de bijdrage van de werknemer, en 3,25 % op de bijdrage van de werkgever als het gaat om vastebijdrageplannen). In de derde pijler is er vaak maar een fiscale steun als de spaarcenten in een product met een gewaarborgde rente worden belegd. "Pensioenen moeten gewaarborgd zijn", zegt Bruno Tobback, federaal parlementslid (SP.A) en de vorige minister van Pensioenen.
Gewaarborgd rendement kost 30 tot 60 miljard euro
"Het gewaarborgde rendement is een dwaze uitvinding van de politici," zegt Koen Deryck, pensioenspecialist van Pragma Consulting. Het minimumrendement verplicht de verzekeraars immers de pensioenreserves conservatief te beleggen, met een voorkeur voor risicovrije overheidsobligaties. Risico wordt dus geschuwd, en daar wordt een hoge prijs voor betaald in de vorm van een lagere return op de belegde reserves. De return blijft meestal beperkt tot 4 à 5 % per jaar, terwijl een belegging die vooral in aandelen gebeurt, op lange termijn 7 à 8 % per jaar oplevert. "Een extra rendement van een procentpunt betekent aan het einde van de rit een stijging van de reserves van 15 à 20 %", zegt Ivan Van de Cloot.
100 tot 200 euro
Wordt de conservatief belegde pensioenreserve van 110 miljard euro dus met wat meer durf geïnvesteerd, dan levert dat de pensioenspaarders potentieel 30 tot 60 miljard euro aan extra reserves op. Een gemiddelde verzekerde loopt zo ongeveer 100 tot 200 euro pensioeninkomen per maand mis. De overheid kan dus met betere wetgeving, dus zonder dat het de schatkist een euro kost, het pensioeninkomen substantieel opkrikken.
Dat is een must, vooral omdat de opbouw van reserves een werk van lange adem is. Er kan dus wat meer risico genomen worden ? op lange termijn is de beursmalaise wellicht maar een rimpeling in de zee. "Garanties zijn goed op korte termijn, maar op lange termijn kosten ze alleen maar heel veel geld", zegt Philip Neyt, voorzitter van de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen (BVPI).
Het volledige dossier over hoe de pensioenreserves beheerd worden leest u deze week in Trends