woensdag 24 oktober 2007

Met twee miljoen aan het pensioensparen op het werk

Ruim 2 miljoen werknemers bouwen een tweede, aanvullend pensioen op via hun werk(gever). Vooral beter betaalde mannen genieten van hun groepverzekering.


Het aantal werknemers (uit de privésector) dat via zijn bedrijf of bedrijfssector een aanvullend pensioen opbouwt - door een groepsverzekering of bij een pensioenfonds - is in ruim tien jaar tijd vertienvoudigd.

In 1993 hadden welgeteld 200.600 werknemers een groepsverzekering (8.000) of een contract bij een pensioenfonds (192.600). In 2005 waren dat er (volgens cijfers van minister van Economie Marc Verwilghen) 2.011.300: meestal via een groepsverzekering (1.688.650), de rest bij een pensioenfonds (322.650).

Ruim de helft (57 procent) van alle loontrekkenden uit de privésector (3,56 miljoen) heeft nu dus een aanvullend pensioen. Twee op de drie werknemers met een aanvullend pensioen, zijn mannen.

Tot voor enkele jaren spaarden vooral kaderleden en bedienden een aanvullend pensioen via hun werk, maar in steeds meer bedrijfs- en sectorcao's geldt nu hetzelfde voor de arbeiders. Sterke industrietakken als metaal en chemie waren hierbij de voortrekkers.

De WAP, de wet op de aanvullende pensioenen, bepaalt trouwens dat de toekenning van een groepspensioen niet selectief mag gebeuren, maar bij cao voor alle werknemers uit een bedrijf moet gelden. De WAP beoogt in feite een veralgemening van de tweede pensioenpijler.

Voor de bedrijven gaat het om de toekenning van een extralegaal voordeel aan hun personeel, als onderdeel van het totale beloningspakket.

Het toenemende belang ervan blijkt ook uit het bedrag aan betaalde premies, door werkgevers en werknemers, voor groepsverzekeringen en pensioenfondsen. In 1988 waren die premies goed voor 20 procent van de wettelijke pensioenbijdragen. In 2004 was dat aandeel al opgelopen tot 38 procent.

Het succes is duidelijk. Toch lokt de tweede pijler ook kritiek uit omdat de aanvullende pensioenen de bestaande kloof tussen hoge en lage pensioeninkomens uit het wettelijk stelsel niet doen verkleinen, maar integendeel vergroten. Anders gezegd, wie al een goed pensioen heeft, heeft er meestal ook nog een goed aanvullend pensioen bovenop.

Dat blijkt althans uit een studie van professor Jos Berghman van de KU Leuven. Berghman hekelt de ongelijke toegang tot de tweede pensioenpijler. Zo heeft slechts 31 procent van alle huidige gepensioneerden een aanvullend pensioen. Het zijn vooral mannen, waar 42 procent meegeniet, tegen amper 15 procent bij de vrouwen.

Bovendien hebben vooral gepensioneerden met een hoog wettelijk pensioen een bijkomend pensioen. In de groep met de 20 procent hoogste (wettelijke) pensioeninkomens, heeft bijna drie op de vier (71 procent) een tweede pensioen. Bij de groep van de laagste pensioenen, is dat amper 2 procent.

Die conclusie is niet zo verrassend. Hogere kaderleden krijgen nu eenmaal sneller een groepsverzekering of pensioenplan dan een gewone werknemer. Het gevolg is wel dat de pensioenen in ons land erg ongelijk verdeeld zijn. Zo zijn de hoogste 20 procent van de pensioenen gemiddeld zestien keer groter dan de laagste 20 procent.

Wie alleen een wettelijk pensioen heeft, krijgt gemiddeld 748 euro per maand. Met een aanvullend pensioen erbij wordt dat gemiddeld 1.873 euro. Bij de jongste generatie gepensioneerden, de 55- tot 65-jarigen stijgt dat gecumuleerde pensioenbedrag tot gemiddeld 2.101 euro.
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :