Ons wettelijk pensioen heeft twee ambities: vermijden dat iemand door zijn pensionering in de armoede raakt; en zorgen dat gepensioneerden hun vroegere levensstandaard min of meer kunnen handhaven.
Het eerste lukt niet meer. België telt meer armen onder zijn bejaarden dan andere landen.
Maar het tweede lukt evenmin. Het pensioenbedrag dat iemand ontvangt, staat nauwelijks nog in verhouding tot het loon dat hij vroeger verdiende en de sociale bijdragen die hij betaalde. Wie goed verdient, betaalt veel, maar krijgt bijna niets terug.
De Oeso deed daarover berekeningen (zie tabel). De Belg die weinig verdiende (de helft van het gemiddeld loon), krijgt een pensioen dat 80 procent van zijn vroeger loon benadert. Dat is weinig, maar hij verliest ook weinig.
Wie gemiddeld verdiende, houdt 60 procent over: meer dan de armoedegrens, maar te weinig om zijn levensniveau te handhaven.
Wie behoorlijk verdiende (2 x het gemiddeld loon), krijgt nog maar 40 procent van het vroeger inkomen. Daarboven blijft vaak nauwelijks 25 procent over.
Die cijfers behoren bij de laagste in Europa. Dat ondergraaft de legitimiteit van het Belgisch pensioenstelsel, zeggen waarnemers.
De betere inkomens kunnen dit compenseren met aanvullende pensioenen, maar daarvoor moeten ze dan nog eens extra betalen.