maandag 29 juni 2009

Bedrijfspensioenen blijven overeind

Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) deden de Belgische bedrijfspensioenfondsen het met een rendement van -21,6 procent aanzienlijk slechter dan het OESO-gemiddelde (-17,4 procent). Geen reden tot paniek, legt voorzitter Philip Neyt van de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen (BVPI) uit.

Onze fondsen zouden sterk in de Bel20 belegd zijn. Dus in banken.
Philip Neyt: "Over die Bel20-hypothese kan ik formeel zijn: die klopt niet. De Belgische pensioenfondsen zijn altijd al heel internationaal belegd geweest. Voor de helft zelfs buiten de eurozone. Het gewicht van de banken was natuurlijk groot in alle Europese indexen."

Hoe erg is het slechte resultaat van de bedrijfspensioenfondsen?
Philip Neyt: Ik zie geen enkel probleem optreden. 2008 was een hoogst uitzonderlijk jaar; zelfs in slechte jaren scoren de fondsen gemiddeld nog 4 procent boven de inflatie. De meeste fondsen hebben in het verleden dan ook mooie buffers opgebouwd. En het is niet zoals bij de banken, waar mensen op elk ogenblik hun geld kunnen komen opvragen. Om hun verplichtingen na te komen, kunnen de pensioenfondsen met een horizon van 15 tot 20 jaar rekenen; ze hebben dus wel wat tijd om die ene lelijke uitschieter goed te maken.

Toekomstige gepensioneerden hoeven zich geen zorgen te maken?
Philip Neyt: "Nee. Vooreerst: we hebben het hier alleen over de tweede pijler van de pensioenen. Bedrijfspensioenen worden door de werkgevers bovenop het loon gelegd; ze vullen de wettelijke pensioenen aan en behoren tot de arbeidsovereenkomst. Welnu, in België - dat is toch vrij uniek - moeten de bedrijfspensioenfondsen wettelijk hetzij het resultaat, hetzij een bepaald rendement te garanderen, dat is één. Twee: als ze daar niet in slagen, is de werkgever verplicht het fonds bij te springen."

Kiezer wil niet werken tot 67e

Nederlanders zien helemaal niets in een verhoging van de aow-leeftijd naar 67 jaar. Maar liefst 68 procent van de kiezers vindt de verhoging geen goede crisismaatregel.

Dat blijkt uit een peiling van Maurice de Hond, op verzoek van de SP. Uit het onderzoek blijkt dat ook kiezers van de regeringspartijen CDA (63 procent) en PvdA (74 procent) in meerderheid faliekant tegen zijn. Bij de ChristenUnie ligt dat percentage op 40 procent.

De afschaffing van de hypotheekrenteaftrek voor huizen boven de 1 miljoen euro kan op veel meer draagvlak rekenen. Het kabinet heeft besloten dat de aow-leeftijd omhoog moet naar 67 jaar, tenzij de SER met een geschikt alternatief komt. Dat zou 4 miljard euro moeten opleveren.

SP-leider Agnes Kant vindt dat de regeringspartijen hun kiezers 'bedriegen'. "Alle partijen in de regering waren voor de verkiezingen tegen verhoging van de aow-leeftijd", aldus Kant. "Wat hier gebeurt valt niet meer onder de noemer draaien, het is regelrecht bedrog."

Op de politieke ledenraad van de PvdA werd gisteren ook fel verzet geboden tegen een verhoging van de aow-leeftijd. "Als de partij hiermee instemt is dat voor de PvdA het einde en hoef je ook geen gemeenteraadscampagne meer te voeren", aldus een spreker. "We moeten stelling nemen", aldus een ander PvdA-lid.

"Blijf met je poten van die leeftijd af." Een motie om de fractie 'met klem te adviseren' geen medewerking te verlenen aan een verhoging, werd aangehouden. De ledenraad riep de fractie wel op om op basis van het SER-advies 'tot het uiterste gaan' om verhoging van de aow-leeftijd te voorkomen.

PvdA-fractievoorzitter Mariëtte Hamer liet weten de boodschap te begrijpen. "Aan ons zal het niet liggen."

zaterdag 27 juni 2009

STAR over brede aanpak pensioenvraagstukken

De stichting van de Arbeid (STAR) heeft de Tweede Kamer in een brief van 19 juni 2009 op de hoogte gebracht van haar opvattingen en voornemens met betrekking tot de 'brede aanpak pensioenvraagstukken'.

De STAR gaat in op de houdbaarheid van het pensioen in de tweede pijler, de samenhang tussen aangekondigde onderzoeken, de medezeggenschap en governance en de kwestie nabestaandenpensioen en waardeoverdracht.

vrijdag 26 juni 2009

De woonzorgcentra van de 21e eeuw



Met het vergrijzingdebat staan woonzorgcentra in het algemeen, en rusthuizen in het bijzonder, weer in het midden van de belangstelling. In België leeft 42% van de 85 plussers, 21% van de 80 plussers maar slechts 8% van de 65 plussers in een rusthuis. Dit betekent dus dat een overgrote meerderheid nog steeds thuis woont en daar eventueel de nodige zorgen toegediend krijgen. In dit rapport van de Koning Boudewijnstichting beschrijven de auteurs de reeds bestaande infrastructuren en initiatieven. Ze hernemen ook de meest innovatieve projecten die in een rondvraag door de professionelen van het zorgbeleid werden aangekaart.

PUB2009_1853_LaMaisonDu21eSiecle

Verjaring van uw pensioen?

Wie werkt er nog steeds bij dezelfde werkgever waar hij 40 jaar geleden begon? Bijna niemand meer. Iedereen is wel één of zelfs meerdere keren van werkgever gewisseld.

En heeft u al die tijd goed op uw pensioen gelet? Weet u precies waar al uw pensioen is opgebouwd en of het goed en volledig en volgens de toepasselijke regeling is opgebouwd?

Als u alle vragen met ‘ja’ kunt beantwoorden, dan kunt u nu stoppen met het lezen van dit artikel. In het andere geval raad ik u dringend aan om toch nog even verder te lezen….

Op de dag dat u 65 jaar wordt (of de eerste dag van de maand waarin dat gebeurt of de eerste dag van de maand daarna) is over het algemeen uw pensioen opeisbaar. Daargelaten de regelingen die een andere pensioenleeftijd hebben, maar die vallen even buiten de scope van dit artikel.

En dan? Komt uw pensioen dan spontaan en volledig tot uitkering? In de meeste gevallen ontvangt u inderdaad bericht van uw pensioenfonds of de verzekeraar dat u 65 jaar bent geworden (tja, dat wist u zelf ook wel!) en dat uw pensioen tot uitkering komt wat u bij werkgever X in 19-toen heeft opgebouwd. Maar, dan moet uw pensioenuitvoerder wél nog weten waar u woont. Gelukkig, heeft die toegang tot de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie, dus dat zal meestal wel goed lopen.

Maar dan….dan ontdekt u, dat uw pensioen wel een heel laag bedrag is. U neemt de telefoon, belt de verzekeringsmaatschappij op waar het pensioen verzekerd is en vraagt hoe dat kan. Daar krijgt u te horen, dat uw voormalige werkgever niet alle premie heeft betaald. (ik spreek hier alleen over een verzekeraar, omdat dit bij een pensioenfonds niet direct aan de orde is).

Wat nu? U bent al meer dan 20 jaar weg bij die desbetreffende werkgever. Wat kunt u doen ? U kunt uw voormalig werkgever alsnog aansprakelijk stellen. Die zal zich op het standpunt stellen dat u al jarenlang weg bent en dat uw vordering verjaard is. Maar is dat wel zo ? Verjaart uw vordering ? Ten opzichte van de pensioenuitvoerder (verzekeraar of pensioenfonds) verjaart uw vordering sinds de invoering van de Pensioenwet in 2007 niet meer.

Ten aanzien van uw werkgever ligt dat iets genuanceerder. In principe verjaart uw vordering na 5 jaar na het moment waarop u kon weten dat u een vordering had op uw werkgever. Hoe u kon weten dat u vordering op uw (voormalig) werkgever heeft terzake van uw pensioen wordt ingevuld door alle relevante feiten en omstandigheden en wat maar bewijsbaar is. Heeft u bijvoorbeeld ooit een brief geschreven aan uw werkgever hierover of iets dergelijks binnen de termijn van 5 jaar dat u wist dat er iets niet in de haak was, dan heeft u de verjaring ‘gestuit’ en is er een nieuwe periode van 5 jaar gaan lopen.

Uw vordering op uw werkgever verjaart in elk geval na 20 jaar. Die 20 jaar beginnen te lopen, objectief bezien, vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Dus bijvoorbeeld bij uw uitdiensttreding had uw pensioen afgefinancierd moeten zijn. En dat is niet gebeurd. U komt daar bijvoorbeeld 15 jaar pas achter. Als u dan uw werkgever aanspreekt, is uw vordering niet verjaard.

Het kan ook zo zijn, dat u pas veel later, langer dan 20 jaar verder, bij uw pensionering, pas ontdekt dat een en ander niet in de haak is. Wat dan? Uw pensionering is een nieuw punt. Dan is uw pensioen ook pas opeisbaar. En gaat de verjaring pas dán lopen.

Het is dus zeker de moeite waard om ook op uw pensioendatum nog na te gaan of het allemaal wel klopt wat u in het verleden bij de verschillende werkgevers heeft opgebouwd, want uw pensioen verjaart echt niet zomaar ! Maar ook tijdens uw werkzame leven adviseer ik u om goed bij te houden of uw pensioen steeds goed wordt opgebouwd en gefinancierd. Beter zo vroeg mogelijk aan de bel trekken, want tsja….een werkgever heeft ook niet altijd het eeuwige leven. En raadpleeg gewoon even een pensioendeskundige om uw rechten te laten nazien !

Mw. mr. Henny van den Hurk is partner bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten te Tilburg.

Belgische bedrijfspensioenen goed bestand tegen recessie

Vergeleken met andere Europese landen wordt het Nederlandse pensioenstelsel zwaar getroffen door de economische crisis. Het Belgische pensioenmodel op basis van verzekerde pensioenen behoort tot de minst getroffen groep.

Het jaarlijkse onderzoek van adviesverlener Aon onder topmanagers uit elf Europese landen laat grote verschillen zien in de pensioenmodellen in Europa en de invloed van de financiële onrust hierop. De ondervraagde bedrijven vertegenwoordigen een totaal particulier pensioenvermogen van 4 biljoen euro.

Belangrijkste bevindingen uit het onderzoek:

-Bedrijven in Nederland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk ondervinden de grootste problemen. Zij hebben het meest te lijden van een concurrentienadeel als gevolg van hun financieringsverplichtingen voor gegarandeerde pensioenregelingen (Defined Benefit).

-De volledig verzekerde pensioenmodellen in Scandinavië (met name Denemarken en Zweden), gebaseerd op vaste bijdragen (Defined Contribution), komen er relatief goed vanaf.

-Bedrijven in Frankrijk, Oostenrijk en Spanje worden het minst getroffen. Zij kennen de meest genereuze overheidspensioenen, waardoor de bijdrage van de werkgever (zeer) beperkt is.

-De berekeningsmethoden van de verplichtingen verschillen van land tot land, waardoor de impact op landen met eenzelfde pensioensysteem toch verschillend kan zijn.

Overheidspensioen en verzekerde plannen brengen concurrentievoordeel
De bedrijfspensioenen drukken zwaar op de kostenbasis van een bedrijf, maar de mate waarin verschilt sterk per land en pensioenstelsel. In veel landen bouwen bedrijven immers op een andere manier pensioen op, bijvoorbeeld via het staatspensioen. Een genereus staatspensioen - zoals in Spanje en Oostenrijk - betekent een geringe bijdrage van werkgevers aan de pensioenopbouw.
Ook bedrijven uit Scandinavische landen, en dan met name Zweden en Denemarken, zijn met hun regelingen op basis van een vaste bijdrage van de werkgever in het voordeel. Hier hoeven werkgevers vooralsnog geen extra bijdrage aan de pensioenregeling te geven.


Gewaarborgde intrestvoet

Werkgevers in België die hun bedrijfspensioenreserves ondergebracht hebben bij verzekeraars, wat geldt voor 80 procent, worden beschermd tegen de zware schokken op de financiële markt. Deze reserves genieten immers van een gewaarborgde intrestvoet van maximum 3,75 procent, in de praktijk meestal 3,25 procent. De overige 20 procent van de pensioenreserves worden door de ondernemingen beheerd, meestal via een zogenaamd Organisme voor de Financiering voor Pensioenen. Hier draagt de werkgever zelf het financiële risico van de beleggingen.

eblreport_09062009

donderdag 25 juni 2009

Jong CD&V De vergrijzing wacht niet.

De federale regering heeft aangekondigd een versnelling hoger te schakelen. Premier Van Rompuy opende daarbij vijf zogenaamde werven. Het gaat om de sanering van de overheidsfinanciën, asiel en migratie, het energiedossier, de staatshervorming en Brussel-Halle-Vilvoorde. Er is echter nog een dossier dat geen verder uitstel verdraagt: dat van de vergrijzing.

De Studiecommissie Vergrijzing stelde de zaken vorige week nog eens op scherp. De kosten van de vergrijzing zullen door de economische crisis aanzienlijk zwaarder doorwegen dan verwacht: tot 8,2 procent van het BBP tussen 2008 en 2060. Hoe gaan we deze factuur betalen? De begroting zou pas in 2015 terug een evenwicht bereiken. Er zullen dus geen overschotten voor de pensioenen worden opzijgezet; wel integendeel. De fundamenten van onze welvaartstaat beginnen dan ook langzaam weg te zakken.

Onze bouwplannen: 6 hervormingen

De enige manier om de vergrijzing op te vangen, is een hervorming van ons sociaal stelsel en een drastische verhoging van de tewerkstellingsgraad. Vooral voor de groep 55- tot 64-jarigen zijn ingrepen nodig. De arbeidsparticipatie voor deze groep bedraagt momenteel immers 37 procent, waarmee België aan de staart van het Europese peloton hangt.

JONGCD&V roept CD&V dan ook op om als lid van de federale regering de volgende 6 structurele hervormingen door te voeren:
1. Ouder wordende babyboomers moeten worden geholpen en aangemoedigd om op de arbeidsmarkt te blijven in plaats van vervroegd uit te treden.
2. Routes naar vervroegde uittreding, zoals het brugpensioen onder 58, moeten worden afgesloten.
3. Het debat over een verhoging van de pensioenleeftijd kan niet louter worden afgedaan met de boutade dat eerst de effectieve pensioenleeftijd moet worden opgetrokken. Wij pleiten voor de invoering van een pensioenloopbaan van minimum 43 jaar.
4. De werkloosheidsverzekering moet worden aangepast. Uitkeringen die niet beperkt zijn in de tijd, leiden tot voortdurende werkloosheid. Een beperking in de tijd moet bespreekbaar worden.
5. In de gezondheidszorg, moeten meer realistische en dus budgettair houdbare groeinormen worden vooropgesteld.
6. De begroting moet zo snel als mogelijk terug in evenwicht zijn. 2015 is veel te laat.

Dringend: bouwmeester gezocht

De zesde werf – die van de vergrijzing – schreeuwt om een bouwmeester. Om het huis van de welvaartstaat overeind te houden, is er nood aan een grondige renovatie. Deze hervormingen moeten zo snel mogelijk worden doorgevoerd. Zoniet dreigen we de kosten van de vergrijzing niet te kunnen dragen én komen de lasten volledig op de schouders van de jonge generaties terecht. Het is dan ook niet zonder reden dat de Europese Commissie in haar vergrijzingsverslag van 2009 waarschuwt dat de vergrijzing de solidariteit tussen generaties in het gedrang kan brengen. Onder andere diezelfde Europese Commissie toonde aan dat er zich nu een unieke gelegenheid voordoet om de structurele hervormingen door te voeren die een vergrijzende samenleving nodig heeft. Straks is dat momentum definitief voorbij. Door nu te handelen, kunnen we van de vergrijzing nog een historische prestatie – een prachtig bouwstuk - maken. Er is echter geen tijd meer te verliezen.

Wet Verwilgen - Bent u in orde met de informatieplicht inzake ziekteverzekeringen?

Reeds vroeger wezen we u al op de gevolgen van de wet-Verwilghen voor de collectieve ziekteverzekeringen. Maar we besteden graag extra aandacht aan dit belangrijke onderwerp. Want op 1 juli 2009 loopt de overgangsperiode voor bestaande collectieve polissen af.

Als uw werknemers een collectieve hospitalisatie-, arbeidsongeschiktheids- en/of invaliditeitsverzekering genieten via uw onderneming, bent u als werkgever verplicht alle huidige en toekomstige aangeslotenen over 2 zaken te informeren: de mogelijkheid tot individuele verderzetting en de prefinancieringsmogelijkheid. In deze nieuwsbrief leggen we uit wat dit in de praktijk inhoudt.

Mogelijkheid tot individuele verderzetting
Ten laatste 30 dagen nadat een werknemer het voordeel van de collectieve verzekering verliest, moet u hem erop wijzen dat hij de dekking individueel kan verderzetten . Als hij 2 jaar bij een collectieve polis aangesloten was gebeurt de verderzetting zonder medische formaliteiten en zonder wachttijd.

Zodra de werknemer op de hoogte gebracht is van de mogelijkheid tot individuele verderzetting, heeft hij zelf nog eens 30 dagen tijd om bij de verzekeraar een offerte aan te vragen.

Prefinancieringsmogelijkheid

Omdat de werknemer er sinds zijn aansluiting bij de collectieve polis niet jonger op geworden is, mag hij zich bij een individuele verderzetting aan een hoger tarief verwachten. De mogelijkheid bestaat echter om via een bijkomende verzekering een reserve aan te leggen. Als de werknemer geprefinancierd heeft en op een gegeven ogenblik de ziektekostendekking individueel verderzet, houdt de verzekeraar geen rekening met zijn werkelijke leeftijd op dat moment, maar wel met de leeftijd waarop hij met de prefinanciering gestart is. Ook over deze prefinancieringsmogelijkheid moet u de werknemers inlichten.

Een aantal verzekeraars biedt een prefinancieringsproduct aan in het kader van de hospitalisatieverzekering, maar niet in het kader van de invaliditeitsdekking.

Hoe inlichten?

U moet uw werknemers informeren over de mogelijkheid tot individuele verderzetting -schriftelijk of via elektronische wijze- en over de mogelijkheid tot prefinanciering. Gras Savoye Consulting raadt u aan om deze informatie door uw werknemers te laten ondertekenen en het bewijs ervan bij te houden. Wij helpen u graag met de formulering van deze schriftelijke communicatie.

Sanctie

Als u de informatieplicht inzake prefinanciering niet naleeft, staat u volgens de wet in voor de tariefverhoging die de werknemer aangerekend krijgt bij een individuele verderzetting.

Alweer wetswijziging op til

Ondertussen is er alweer gesleuteld aan de wet-Verwilghen en werd een wetsvoorstel goedgekeurd.

Wij pikken er hier de belangrijkste wijziging voor u uit. Heel concreet moet u de werknemer er bijkomend op wijzen dat hij voortaan langer kan nadenken over een individuele verderzetting. Hij kan namelijk de oorspronkelijke termijn van 30 dagen nog eens met maximaal 30 dagen verlengen, al moet hij dit wel schriftelijk of elektronisch aan de verzekeraar melden.

Pensioenen kosten nu al 26 miljard euro

De uitgaven voor pensioenen zijn vorig jaar met zo'n 7 procent gestegen tot ruim 26 miljard euro. Dat blijkt uit gegevens van de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP) en Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS). Opvallend is het sterk toenemend aantal nieuwe gepensioneerden.

Meer pensioenen uitgekeerd
Uit het jaarverslag 2008 van de RVP blijkt dat het aantal pensioenuitkeringen vorig jaar met 0,9 procent is gestegen tot 1,761 miljoen. De uitgaven voor deze pensioenen zijn met 7,2 procent gestegen tot 16,7 miljard euro. Opvallend is dat het aantal nieuwe pensioenen bij werknemers en zelfstandigen ieder jaar toeneemt. Vorig jaar kregen bijna 140.000 mensen in ons land voor het eerst een pensioen uitgekeerd. In 2004 waren er dat 116.000.

Steeds meer ambtenaren op pensioen
Eenzelfde tendens is vast te stellen bij de PDOS. Het aantal pensioenuitkeringen voor ambtenaren van de verschillende overheden in ons land, werknemers van overheidsbedrijven (maar niet de contractuelen) én leerkrachten steeg in 2008 met 3 procent tot bijna 423.000 (toestand per 1 juli 2008). De totale pensioenlast steeg evenwel met 7,6 procent tot goed 9,5 miljard euro.

26 miljard euro
De cijfers van de twee diensten samengeteld geven voor 2008 een stijging van het totaal aantal pensioenuitkeringen met 1,3 procent tot 2,183 miljoen uitkeringen. De totale uitgaven voor pensioenen (ambtenaren, werknemers én zelfstandigen) steeg vorig jaar met 7,4 procent tot ruim 26 miljard euro. Deze cijfers kunnen lichtjes overschat zijn omdat mogelijk een aantal uitkeringen voor gemengde loopbanen (privé en openbare sector) is dubbelgeteld.

woensdag 24 juni 2009

Brief Donner aan Tweede Kamer over herstelplannen pensioenfondsen

In een brief van 23 juni 2009 informeert minister Donner op verzoek van een aantal kamerleden de Tweede Kamer over recente berichtgeving inzake de herstelplannen van pensioenfondsen.

Toegenomen gevoeligheid pensioenfondsen voor beleggingen in buitenland

De liberalisering en deregulering van de kapitaalmarkten in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw hebben, in combinatie met de vooruitgang in de informatietechnologie, een impuls gegeven aan een sterke internationalisering van het kapitaalverkeer, de internationale samenhang van financiële markten en de creatie van geavanceerde financiële producten. In toenemende mate hebben partijen uit de financiële sector dan ook grensoverschrijdende vorderingen en verplichtingen opgebouwd. Dit geldt ook voor pensioenfondsen, althans voor hun beleggingen. Eind 2008 bedroegen de beleggingen van pensioenfondsen bijna EUR 700 miljard en daarvan betrof drie kwart buitenlandse vermogenstitels. Tegenover deze vorderingen staan de verplichtingen van pensioenfondsen, maar die bestaan nog altijd vrijwel volledig uit toekomstige, op de AOW aanvullende pensioenuitkeringen aan Nederlandse gepensioneerden. Wel worden momenteel ook voor buitenlandse pensioenspaarders mogelijkheden ontwikkeld om bij Nederlandse pensioenfondsen een pensioen op te bouwen.

Report on the financial conditions and financial stability of the insurance and occupational pension fund sector in the EU/EEA

Today CEIOPS publishes its half-year report on the financial conditions and financial stability of the insurance and occupational pension fund sector in the EU/EEA, covering developments in the insurance, reinsurance and occupational pension fund markets for the past periods as well as some preliminary forecasts for 2009.
CEIOPS findings confirm that insurance companies, in their role as important investors, have increasingly been affected by the financial turmoil, followed by the financial crisis and yet the economic recession. Strong negative and volatile developments on stock markets and spread widening meant a substantial decline in investment income for insurance undertakings. Especially the results of the life insurance business are highly dependent on the yield of the investment portfolio. As a consequence the return on equity figures dropped substantially in 2008.
Hence in 2008 the financial performance of most insurance undertakings was weaker than before due to low investment yields and flat or decreased premium income. After almost two years of unprecedented crisis the year 2009 will again be especially challenging due to a prolonged period of low interest rates and deteriorating macroeconomic environment that might not only further reduce investment income but likely reduce demand for certain lines of insurance.
On the other hand, insurance undertakings come from a strong solvency position and there are positive signals such as increasing premiums in certain lines of business as a reaction to the crisis to appropriately reflect higher risks in the market.
The financial turmoil has had a significant impact on the pension fund sector as well, primarily with regard to their role of institutional investors. Sharp drops in the equity markets and increasing credit spreads have put their investment portfolios under severe strain. However, the impact has not been as severe as seen in other financial sectors as the long term nature of the liabilities affords some protection in this respect. Policy responses from supervisors in light of the downturn have focused on the flexibility within the current framework and the differing security mechanisms available.
CEIOPS’ next financial stability report will be published late autumn 2009.

Direct hyperlink to the Report

Conserverende aanslagen

Op 19 juni 2009 heeft de Hoge Raad verschillende belastingarresten gewezen over conserverende aanslagen bij pensioenen en lijfrenten in internationaal verband. Bij de procedures ging het over de vraag of het verdragsrechtelijk is toegestaan een conserverende aanslag op te leggen over opgebouwde pensioen- en lijfrenteaanspraken indien sprake is van al voor de invoering van het regime van de conserverende aanslagen bestaande belastingverdragen. De procedure met nummer 44.050 had betrekking op lijfrenteaanspraken in internationaal verband.

De Hoge Raad heeft in de procedures beslist dat het opleggen van deze aanslagen vanwege de in de procedures toepasselijke belastingverdragen enerzijds en de tekst van de wet anderzijds, in strijd is met de goede trouw die bij de uitleg en toepassing van belastingverdragen in acht moet worden genomen. De arresten zijn op 19 juni 2009 gepubliceerd.

Staatssecretaris De Jager van Financiën heeft naar aanleiding van genoemde arresten op 19 juni 2009 per brief (DB09-329) aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal laten weten maatregelen te zullen nemen om ook in verdragssituaties een conserverende aanslag te kunnen opleggen bij mensen die naar het buitenland vertrekken en in Nederland belastingaftrek hebben gehad voor de premies voor pensioen of een lijfrente.

Naar het oordeel van de staatssecretaris laten de arresten van de Hoge Raad ruimte om de wet zodanig te wijzigen dat ook in de in de betreffende procedures spelende verdragssituaties nog steeds conserverende aanslagen kunnen worden opgelegd bij belastingplichtigen die naar het buitenland vertrekken en in Nederland een belastingfaciliteit hebben gehad voor de premies voor pensioen of een lijfrente. Er zullen wettelijke maatregelen worden genomen om ook in de betreffende verdragssituaties een conserverende aanslag te kunnen blijven opleggen.

In het vorenstaande kader zal De Jager nog voor het zomerreces wetgeving naar de Kamer sturen. De ministerraad is hiermee op 19 juni 2009 akkoord gegaan. Doel van de maatregel is om te voorkomen dat afkoop van in Nederland met belastingvoordeel opgebouwde aanspraken kan plaatsvinden zonder dat Nederland het verleende belastingvoordeel kan terugnemen. Vanwege de mogelijk zeer substantiële budgettaire derving bij oneigenlijk gebruik door anticipatiegedrag, zal de maatregel met terugwerkende kracht tot en met 19 juni 2009 worden ingevoerd.

N.B.: De conserverende aanslag wordt opgelegd bij vertrek naar het buitenland en alleen ingevorderd bij een zogenoemde ‘verboden handeling’ zoals het ineens laten uitkeren (afkopen) van het belastingvrij opgebouwde pensioen. Bij de heffing over de gewone periodieke pensioenuitkeringen verandert er niets.

Vlaamse gemeenten krijgen het moeilijk

De regio's zullen voor de opmaak van de begroting 2010 en 2011 de gemeenten tot een budgettaire evenwicht moeten aanmanen. Dat er op de begroting van de gemeenten veel 'rek' zit, is volgens een studie van Dexia niet het geval.

'Elk niveau zal een inspanning moeten leveren. De gemeenten hebben tot nog toe vrij goed de schokken opgevangen, maar de ergste gevolgen van de crisis op de begrotingen moeten dit jaar nog komen', zegt Dexia-econoom Frank Lierman.

De forse inflatie-opstoot in 2008, de bankencrisis en de weerslag ervan op de reële economie spelen ook de gemeenten parten. Zij hebben daar bij de opmaak van hun begrotingen voor 2009 maar gedeeltelijk rekening mee gehouden.

Positief is dan weer wel dat de financiële situatie van de gemeenten zonder de crisiselementen, erop vooruitgegaan is. Vlaanderen heeft voor de gemeenten schulden ingelost à rato van 100 euro per inwoner.

De personeelsuitgaven stegen met bijna 6 procent in het budget van 2009, vooral door de drie indexsprongen die de hoge inflatie van vorig jaar hebben meegebracht.

Dexia luidt de alarmklok over de pensioenproblematiek van de gemeenten. Er is nog altijd geen oplossing gevonden voor de grote pensioencontrasten tussen statutaire ambtenaren en contractuelen. Ofwel zullen de gemeenten hun bijdragevoeten moeten laten stijgen, ofwel een aanvullend pensioen voor contractuelen moeten spijzen. Maar in beide gevallen zal het de gemeentekas veel geld kosten

Rampjaar voor bedrijfspensioenen - Verlies Belgische fondsen fors boven OESO-gemiddelde - Alleen Ierland, Australië, VS en IJsland deden slechter

Voor de Belgische bedrijfspensioenfondsen was 2008 een 'annus horribilis'. Dat blijkt uit een overzicht dat de OESO gisteren publiceerde. De organisatie van de westerse industrielanden licht om de twee jaar de wettelijke en private pensioenstelsels in haar dertig lidstaten door.

De versie voor 2009 focust op de impact van de crisis. Vooral de private stelsels, die vaak een groot deel van hun reserves in aandelen beleggen, blijken zwaar getroffen. In de 23 lidstaten met de meest uitgebouwde private stelsels verloren de pensioenfondsen van bedrijven en sectoren vorig jaar gemiddeld 17,4 procent.

De Belgische fondsen presteren daarbij nog veel zwakker dan die van de meeste andere lidstaten. Volgens de OESO verloren ze vorig jaar gemiddeld 21,6 procent. Dat is iets meer dan de 20,5 procent die de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen eerder meldde.

Maar het is vooral 4 procentpunten meer dan het OESO-gemiddelde. Slechts vier van de 23 onderzochte landen deden het nog slechter: Ierland, Australië, de VS en IJsland. Dat zijn allemaal landen wier pensioenfondsen van oudsher zeer zwaar (50 tot 75% van hun portefeuille) in aandelen beleggen. De Belgische fondsen zijn met gemiddeld een derde aandelen veel conservatiever. Maar een groot deel van die aandelen waren wel Bel 20-aandelen. Vooral door het zware gewicht van de banken verloor de Bel 20 vorig jaar dik 50 procent, of ruim 10 procent meer dan de mondiale MSCI World Index.

Tweede pijler

Voor het goede begrip: de OESO-vergelijking slaat in de eerste plaats op de pensioenfondsen van bedrijven en sectoren (tweede pijler). Die mogen niet verward worden met de puur individuele pensioenspaarfondsen (derde pijler). Al deden die het zeker niet beter. Volgens gegevens van de sector liep het negatieve rendement van die pensioenspaarfondsen vorig jaar op tot 25 procent.

Door de crisis heeft het geloof in private pensioenen wereldwijd een flinke knauw gekregen. Maar de OESO wijst erop dat ook de wettelijke systemen allerminst immuun zijn voor de crisis. En het Belgische wettelijke stelsel is sowieso kwetsbaar én pover. Ook dat blijkt uit de OESO-vergelijking.

Crisis richt ravage aan in pensioenland - Private pensioenen op korte termijn de grote verliezers - Wettelijke stelsels allerminst immuun voor crisis

De crisis heeft een fors negatieve impact op de pensioenstelsels wereldwijd. Op korte termijn zitten vooral de in meer of mindere mate op aandelenportefeuilles steunende private systemen in het verdomhoekje. Maar op langere termijn dreigen de publieke stelsels evenzeer in de klappen te delen, waarschuwt de OESO in 'Pensions at a glance', haar jongste overzicht van de pensioenstelsels in de dertig lidstaten van de organisatie van de westerse economieën.

De Belgische bedrijfspensioenfondsen behoren tot de grote verliezers, blijkt uit het OESO-overzicht. Ze hadden vorig jaar een negatief rendement van meer dan 21 procent. Alleen in Ierland, Australië, de Verenigde Staten en IJsland verloren de fondsen nog meer geld.

Dat slechte nieuws moet wel op twee manieren worden getemperd. Voor de Belgische ondernemingen vormen die verliezen niet echt een probleem, blijkt uit de conclusies van een door het adviesbureau AON Consulting uitgevoerde enquête bij topmanagers uit elf landen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederlandse of Britse bedrijven werken nog slechts weinig Belgische ondernemingen met pensioenregelingen met een gegarandeerde opbrengst. In de meeste gevallen zijn het ook verzekeraars en niet de ondernemingen zelf die het risico dragen.

Voor de individuele ligt dat anders. Maar zij kunnen zich troosten met de vaststelling dat volgens de OESO private pensioenen en beleggingen slechts 8,1 procent uitmaken van het inkomen van de modale Belgische gepensioneerde. Dat is erg weinig. Het OESO-gemiddelde bedraagt 19,5 procent.

Keerzijde

Maar die vaststelling heeft natuurlijk een keerzijde. Belgische (toekomstige) gepensioneerden zijn nog veel meer dan hun lotgenoten uit de meeste andere OESO-lidstaten afhankelijk van hun wettelijk pensioen.

De OESO waarschuwt dat het een illusie is te denken dat die wettelijke systemen immuun zijn voor de crisis. Groeiende werkloosheidscijfers en begrotingstekorten ondermijnen hun financiering. Tegelijk neemt de verleiding toe om de deur weer wijder open te zetten voor vervroegde pensionering. Dat jaagt de uitgaven omhoog op een moment dat die door de vergrijzing al in de lift zitten.

Uit de OESO-statistieken blijkt bovendien nog eens dat de Belgische wettelijke pensioenen nu al pover zijn. De meest correcte vergelijkingsbasis is de nettovervangingsratio. We kijken eerst welk nettobedrag een gepensioneerde werknemer vroeger als actieve verdiende. We zien vervolgens welk percentage daarvan hij nu netto overhoudt. Voor een gemiddeld loon bedraagt die ratio in ons land 63,7 procent. In 18 van de 30 OESO-landen ligt die ratio hoger. Het gemiddelde voor de hele organisatie is 70,3 procent.

De Belgische score wordt nog slechter als we de brutocijfers nemen of de vergelijking maken voor betere verdieners. Maar ook voor lage lonen is het resultaat niet echt fameus. Ondanks die magere pensioenbedragen besteedt België toch 9 procent van zijn bbp aan zijn wettelijke pensioenen. In de hele OESO is dat 7,2 procent.

In haar aanbevelingen waarschuwt de OESO voor de verleiding om de crisis in te roepen als excuus om hervormingsplannen in de diepvriezer te steken. Nu al is duidelijk dat het hervormingstempo sinds 2004 in veel lidstaten is afgenomen.

Gemengd systeem

De organisatie hamert er ook op dat het beste pensioenmodel nog altijd een gemengd systeem is, dat op een mix van publieke en private financiering steunt. Maar ook die private systemen zijn aan een hervorming toe, als ze hun geloofwaardigheid willen herwinnen. Ze moeten beter gereguleerd en beheerd worden en de aangeslotenen een veel betere kijk geven op de risico's, luidt het.

www.oecd.org

artikel de tijd

maandag 22 juni 2009

Werkzaamheden van de Nationale Pensioenconferentie

Tijdens de vergadering van 3 oktober 2008, heeft de Ministerraad besloten om een Nationale Pensioenconferentie te organiseren (zie MR, notificatie punt 19). Deze beslissing concretiseert het engagement, aangegaan door het regeerakkoord van maart 2008 en herhaald tijdens de verklaring van de regering over haar algemeen beleid in oktober 2008. Ter gelegenheid hiervan heeft de Eerste Minister herinnerd aan de belangrijkste uitdagingen waar het hoofd aan moeten worden geboden: « Hoe financieren we in de toekomst de pensioenen? Hoe bewaren we de solidariteit tussen de huidige en de toekomstige generaties, en binnen de oudere generatie? Hoe zorgen we voor een gepast evenwicht tussen solidariteit en verzekering? De reflectie over die vragen moet breed en omvattend zijn, maar moet het ook mogelijk maken om concrete en betekenisvolle veranderingen voor te stellen ».
In de oriëntatienota die werd goedgekeurd door de Ministerraad op 3 oktober 2008 wordt voorzien dat de Conferentie zal worden opgestart in januari 2009 en dat de werken ervan heel 2009 zullen duren.
De voorbereiding, de uitwerking en de opvolging van de Nationale Pensioenconferentie werd toevertrouwd aan een « Task Force », samengesteld uit een vertegenwoordiger voor elke Minister die deel uitmaakt van het Kernkabinet, een vertegenwoordiger voor elk van de betrokken sociale partners en een vertegenwoordiger voor elk van de betrokken administraties.
De eerste opdracht van de Task Force bestond erin om enerzijds de te onderzoeken thema’s te definiëren en om anderzijds het geheel van de praktische modaliteiten vast te leggen met betrekking tot de organisatie van de werkzaamheden van de Conferentie.
Het doel van de huidige nota is om de Ministerraad te informeren over de vorderingen van de werkzaamheden van de Conferentie.


Download hier de nota over de werkzaamheden van de Nationale Pensioenconferentie.

Gemeenschappen en gewesten betalen 0,33% van de pensioenlast van de eigen ambtenaren !

In antwoord op een vraag van Volksvertegenwoordiger Maggie De Block gaf de minister van pensioenen de kostprijs van de ambtenarenpensioenen van gemeenschappen en gewesten inclusief het onderwijs voor de laatste vier jaar. De kost stijgt van bijna 4 miljard euro in 2005 tot bijna 5 miljard euro in 2008.
Daar tegenover staat dat de inkomsten uit de responsabiliseringsbijdrage die gemeenschappen en gewesten betalen aan de federale overheid gedurende de laatste vier jaar stabiel bleef op iets mee dan 16 miljoen euro. Dat betekent dat de gemeenschappen en gewesten 0,41% van de kostprijs van de pensioenlast ten laste nemen. Doordat de responsabiliseringsbijdrage op een gelijk niveau is gebleven daalde het aandeel in 2008 zelfs tot 0,33% van de kostprijs.

Herstelplannen: Mogelijke reacties van IBP’s op de crisis

Op het einde van 2008 werden veel Pensioenfondsen in België en in het buitenland geconfronteerd met tekorten in de financieringsniveaus. Voor de eerste keer sinds de invoering in 2006 van de nieuwe wet betreffende het Toezicht op Instellingen voor Bedrijfspensioenvoorziening moeten sommige Pensioenfondsen een herstelplan indienen. De industrie is heel benieuwd hoe de toezichthouder de toepassing van de wetgeving van 2006 zal interpreteren. Hewitt geeft toelichting bij de nieuwe wetsstructuur en de verwachtingen van de toezichthouder in zijn artikel over “Pensioenfondsen in België en de financiële crisis”.

Vier op de tien bedrijfspensioenfondsen in het rood

Steeds meer Belgische bedrijfspensioenfondsen hebben de voorbije maanden door de dalende beurskoersen hun reserves zien wegsmelten.

Uit een document van de CBFA (Commissie voor Bank-, Financie- & Assurantiewezen) blijkt dat 107 van de 250 Belgische bedrijfspensioenfondsen problemen dreigen te krijgen om hun verplichtingen na te komen. Dat is het geval als de gemiddelde dekkingsgraad van de fondsen onder de 100 procent daalt en er niet langer voldoende kapitaal in het fonds is om aan de toekomstige verplichtingen te voldoen. Ter vergelijking: in de jaren negentig schommelde de gemiddelde dekkingsgraad rond de 120 procent. Vorig jaar daalde die tot 104 procent.

Bedrijfspensioenfondsen die onder de 100 procent zakken, moeten een herstelplan opstellen waarbij de werkgever de plicht heeft het tekort bij te passen. Volgens de gegevens van de CBFA hebben 91 bedrijfspensioenfondsen een herstelplan ingediend. 45 plannen werden al goedgekeurd. De andere helft moet nog een fiat krijgen van de CBFA, waarvan zestien fondsen nog een herstelplan moeten voorleggen. De bedrijfspensioenfondsen maken 26 procent van de tweede pensioenpijler uit. De overige 74 procent zijn groepsverzekeringen. Zo'n 750.000 Belgen sparen via een bedrijfspensioenfonds voor hun oude dag.

Die fondsen gaan nu dus diep in het rood. Volgens de recentste gegevens van de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen bedraagt het gemiddelde verlies van de bedrijfspensioenfondsen in 2008 zowat 17,72 procent. Er bestaan echter grote verschillen tussen de fondsen onderling. Eén ervan zou een verlies gekend hebben van 35 procent terwijl zeven pen-sioenfondsen vorig jaar nog altijd een positieve return konden optekenen.

De CBFA berekende dat er momenteel op korte termijn een tekort van 530 miljoen euro bestaat op een totaal van 7,54 miljard euro verplichtingen van de problematische fondsen. Op langere termijn zou dat tekort kunnen oplopen tot 1,39 miljard euro. Het rapport van de CBFA vermeldt niet om welke fondsen het gaat. De redactie vernam echter dat onder andere het sectorfonds van de metaalsector met 150.000 aangeslotenen een herstelplan heeft ingediend. Vanuit de CBFA wordt ook benadrukt dat de aangeslotenen bij een bedrijfspensioenfonds zich geen zorgen hoeven te maken. Het fonds belegt op lange termijn en de wet legt een minimumrendement op van 3,25 procent op de patronale bijdragen aan het fonds en van 3,75 procent voor de werknemersbijdragen

'We slagen er niet in groepsgevoel onder dokters te exporteren' : Amonis-voorzitter Herwig Van Dijck

Amonis-voorzitter Herwig Van Dijck betreurt dat andere zelfstandigen niet willen toetreden tot zijn pensioenfonds

De wettelijke pensioenen voor zelfstandigen schieten ruimschoots tekort', stelt Herwig Van Dijck, de voorzitter van het pen- sioenfonds voor vrije beroepen Amonis. 'Het gemiddelde wettelijke pensioen van zelfstandigen bedraagt 640 euro, terwijl een verblijf in een verzorgingstehuis snel 1.400 euro per maand kost. Dat is een groeiend probleem.' Toch zijn er nog steeds heel wat bakkers, beenhouwers of kleine ondernemers die zich niet bewust zijn van het probleem. 'We hebben hard gewerkt aan de bewustmaking binnen de verzorgende sector, maar elders wordt er vaak nog te weinig aandacht aan gegeven. We zijn er niet in geslaagd het groepsgevoel onder dokters te exporteren naar andere sectoren.'

Randfenomeen

Amonis telt vooral dokters (72%), tandartsen (12%), kinesisten (14%) en apothekers (1%) onder zijn leden. Sinds 2006 opende Amonis de deuren voor andere vrije beroepen. Die zijn echter nog steeds slechts een 'randfenomeen' van 1 procent. 'In alle eerlijkheid gaat het vooral om partners van leden die ook willen toetreden.'

Volgens Amonis is er nood aan nieuwe regels om het aanvullende pensioen aantrekkelijker te maken voor zelfstandigen. 'Zelfstandigen kunnen niet elk jaar sparen voor hun pensioen, want hun inkomsten zijn minder stabiel dan die van loontrekkenden. Wij stellen een pensioenkrediet voor zodat ze elk jaar pensioenrechten kunnen opbouwen, met hetzelfde fiscale voordeel, zonder effectief te storten. De achterstallige stortingen kunnen ze dan ineens doen in een jaar dat ze veel inkomsten hebben.'

Het tweede grootste pensioenfonds in België, na Suez-Tractebel, kon nieuwe leden in 2008 geen mooi rapport voorleggen. Amonis leed vorig jaar 23 procent verlies. Eind december had het fonds minder dan 900 miljoen euro vermogen in beheer, eind 2007 was dat iets meer dan 1 miljard.

Amonis, sinds 1968 actief in België, investeert traditioneel meer in aandelen dan andere fondsen. 'Aandelen leveren op lange termijn het hoogste rendement op.' Ondanks de beurscrash van vorig jaar, kan Amonis nog schermen met een langetermijnrendement dat bijna 2 procentpunten hoger ligt dan bij het gemiddelde pensioenfonds. En in 2009 is het rendement tot eind mei opnieuw 4 procent. 'We hebben wel geen kristallen bol en weten dus niet of we het jaar positief afsluiten. We hopen het wel.'

'Vanaf september zagen we de ernst van de situatie in en was het alle hens aan dek. We hebben allerlei scenario's opgesteld en gepraat met herverzekeraars, maar hun tarieven lagen extreem hoog. We kwamen tot de conclusie dat niets doen de beste houding was.' In het jargon: als je geschoren wordt, moet je blijven stilzitten.

Het pensioenfonds van de dokters besliste geen aandelen overhaast te verkopen tijdens de beurs- crash. 'We zouden een slechte prijs krijgen voor aandelen waarin we op de lange termijn wel geloven', stelt Van Dijck. 'Het was wel erg moeilijk om met gebonden handen af te wachten terwijl de beurskoersen als pudding in mekaar zakten.' Het gewicht van aandelen in de portefeuille daalde tot 36 procent eind mei 2009. In de eerste plaats daalde het gewicht omdat de aandelen minder waard werden, maar ook omdat nieuwe cash niet meer in aandelen werd geïnvesteerd. Die trend is bij veel institutionele beleggers merkbaar. Met een belang van 53 procent wegen vooral obligaties sterk door bij Amonis.

De stijging van het percentage obligaties is ook deels het gevolg van een nieuw beleid voor de leden bij Amonis. De algemene vergadering gaf in december groen licht voor een 'gekantonneerd fonds' voor de 55- tot 65-jarige leden dat een voorzichtige beleggingsstrategie zal hanteren. 'De gemiddelde leeftijd van de leden is ook iets gestegen, daarom was het nodig de beleggingen beter af te stemmen op de verplichtingen. We splitsen het fonds in twee stukken en beleggen de pensioenreserves van alle leden op tien jaar van de gemiddelde pensioenleeftijd nog uitsluitend in obligaties', zegt Van Dijck.

Een andere maatregel naar aanleiding van de crisis is de verlaging van het gegarandeerde rendement op de bijdragen van de leden van 3,75 tot 3,25 procent. Zonder die ingreep zou de toezichthouder CBFA het herstelplan wellicht niet hebben goedgekeurd.

Korten dreigt bij 20 pensioenfondsen

Ongeveer twintig Nederlandse pensioenfondsen hebben aan De Nederlandsche Bank (DNB) kenbaar gemaakt mogelijk pensioenuitkeringen te gaan korten. DNB meldde dat woensdag in zijn kwartaalbericht, op basis van ontvangen zogenoemde herstelplannen van pensioenfondsen.

“Circa 20 fondsen zien zich vooralsnog genoodzaakt tot korten over te gaan”, aldus DNB. Een woordvoerder lichtte toe dat het gaat om “kleinere fondsen met een beperkt aantal deelnemers”. Meer wil de toezichthouder er niet over kwijt. Wanneer pensioenen eventueel verlaagd worden en op welke manier, is daarom niet duidelijk.

Het korten op pensioenen wordt gezien als het uiterste middel om de reserves van pensioenfondsen weer op peil te krijgen. Eerder al lieten veel pensioenfondsen weten pensioenen niet te indexeren. Dat wil zeggen dat deelnemers niet gecompenseerd worden voor verlies aan koopkracht door inflatie. Ook kan een fonds pensioenpremies verhogen.

Herstelplan

In Nederland hebben bijna 350 pensioenfondsen een zogenoemd herstelplan ingediend bij DNB, waarvan ongeveer 300 voor een dekkingstekort. Dit betekent dat de reserves te ver zijn teruggevallen ten opzichte van de toekomstige verplichtingen. Bij de herstelplannen is als peildatum eind 2008 genomen.

Inmiddels is de dekkingsgraad van pensioenfondsen wel verbeterd. Of er daadwerkelijk tot korten zal worden overgegaan bij de circa twintig pensioenfondsen is daarom onzeker, stelt directeur Frans Prins van het OPF, de stichting voor Ondernemingspensioenfondsen. “Het kan aan de orde zijn dat zo’n uiterste maatregel moet worden getroffen. Maar de beslissing daarover valt pas halverwege volgend jaar.” Prins wijst erop dat niemand weet hoe financiële markten er tegen die tijd voor staan.

Sponsor

Prins weet niet om welke pensioenfondsen het gaat. Ook bij de Verenging van Bedrijfstakpensioenfondsen (VB) is dat onbekend. “Maar voor zover bekend is het korten op pensioenen bij onze leden niet aan de orde”, aldus een woordvoerder.

DNB heeft de eerste fase van de beoordeling van de herstelplannen inmiddels achter de rug. “Bij tegen de 90 fondsen heeft de sponsor volgens het plan toegezegd een storting te doen, waarbij DNB in een aantal gevallen verzocht heeft om extra informatie over de hardheid van deze toezegging”, aldus de toezichthouder.

Tweede fase

Met een sponsor bedoelt DNB bijvoorbeeld een bedrijf dat extra geld overmaakt naar de kas van het in problemen gekomen pensoenfonds. Zo maakte telecombedrijf KPN in april bekend de komende jaren maximaal 390 miljoen euro te storten in de kas van de eigen pensioenfondsen.

Momenteel werkt DNB aan de tweede fase van het bekijken van de herstelplannen. De definitieve beoordeling wil de toezichthouder 1 juli klaar hebben.

Houdbaarheidseffect verhoging AOW-leeftijd

Verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar verbetert de lange-termijnhoudbaarheid van de overheidsfinanciën met 0,7% van het BBP. In deze notitie wordt ingegaan op de achtergronden van dit cijfer.

Download PDF-file

AFM: Informatieverstrekking pensioenfondsen verbeterd

De informatieverstrekking aan deelnemers door pensioenfondsen is beter dan in 2007 meldt AFM in een persbericht naar aanleiding van het self assessment 2008.

Tegelijkertijd merkt de AFM dat verdere verbeteringen mogelijk en nodig zijn en noemt daarbij met name de tijdige verstrekking van het Uniform Pensioenoverzicht (UPO).

Onlangs publiceerde de AFM in de Staatscourant een beleidsregel inzake de tijdigheid van de verstrekking van het UPO.

Geen duurzame sociale zekerheid zonder betere economie en arbeidsmarkt

Marc De Vos heeft bedenkingen bij de ambitie voor Vlaamse sociale zekerheid. Hij wijst erop dat Vlaanderen geen duurzame sociale zekerheid kan krijgen zonder een breder economisch draagvlak en een betere arbeidsmarkt. De vlucht vooruit werkt niet. Vlaanderen moet ook het laboratorium zijn voor andere en betere sociale zekerheid.

Download PDF

Pensioen is toch geen gunst!

De toekomst van de financiële dienstverlening en de toekomst van onze klanten hebben veel met elkaar te maken. Gaat het slecht met de financiële wereld, dan staan ook de pensioenen onder druk. De meeste Nederlanders weten dat natuurlijk wel. Maar weten ze eigenlijk ook wat er echt aan de hand is?

Pensioenfonds en verzekeraar staan voor dezelfde vraag: hoe bieden we onze deelnemers een zo hoog mogelijk perspectief op indexatie? Dat je daarbij zowel je beleggings- als je renterisico moet afdekken, is een les die op dit moment vooral ondernemingspensioenfondsen op de harde manier leren. Om te kunnen voortbestaan, zul je je voortdurend kritisch moeten afvragen of je nog wel op de juiste weg bent.

De gemiddelde Nederlander weet over het algemeen wel dat de daling van de dekkingsgraad van pensioenfondsen gevolgen heeft voor de hoogte van (toekomstige) pensioenaanspraken. Vooral oudere werknemers en gepensioneerden zijn zelfs in staat het dekkingspercentage van hun pensioenfonds te noemen (“mijn fonds is in onderdekking, de dekkingsgraad is kleiner dan 100 procent!”). Maar slechts weinig mensen blijken zich te realiseren dat voor een werkelijk welvaarts- of waardevastpensioen dekkingsgraden nodig zijn van meer dan 150 procent. Ze hebben niet door wat het betekent als een pensioenfonds langere tijd vanwege een tegenvallende dekkingsgraad niet of slechts gedeeltelijk indexeert. Dat dat betekent dat je na een lang werkzaam leven en jarenlange afdracht van pensioenpremie niet eens een half ei krijgt, maar gewoon een lege dop.

De laatste jaren zijn er veel initiatieven geweest om het pensioenbewustzijn te vergroten. De Pensioenwet legt pensioenuitvoerders veel informatieverplichtingen op, er is een beeldende maatstaf voor indexatie ontwikkeld. Ook Delta Lloyd doet zijn uiterste best de boodschap over pensioen over te krijgen: kijk maar naar onze campagne Niets is zeker! Maar helaas lijkt de boodschap tot nu toe niet aan te komen. Mensen gaan liever naar de tandarts dan dat ze over hun pensioen nadenken. Allebei vervelend.

Veel pensioenfondsbestuurders grijpen die onwil aan als een rechtvaardiging voor de paternalistische benadering van ons pensioenstelsel. Het pensioen als gunst: als wij niet voor hen zorgen, komt er niets van terecht, zegt men dan. Kijk maar naar Engeland, daar ging het helemaal fout.

Door die paternalistische houding worden deelnemers aan pensioenen in feite niet serieus genomen. Ik denk daarom dat het heel belangrijk is om onze pensioenpremie betalende werknemers (en ex-werknemers) veel meer te betrekken bij de opbouw van hun pensioen. Ons pensioenstelsel moet aantrekkingskracht blijven uitoefenen op alle werknemers, jong en oud. Door goede producten en vereenvoudiging van wet- en regelgeving. Door te communiceren over de pensioenverwachting die velen hebben, ook al betekent dat misschien dat er een grote kloof ontstaat.

Maar het meest belangrijke: laten we die deelnemer aan de regeling nou eens echt als klant gaan zien! Niet iemand die je een gunst verleent, nee, iemand voor wie je hard moet werken en waar je een prestatie voor moet leveren. En was dat niet ook de les die banken uit de kredietcrisis moeten trekken….?

Benieuwd naar het effect van de crisis op je pensioenopbouw? Dit filmpje legt het simpel uit.

Krachtlijnen van het achtste Jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing

Aan de langetermijnvooruitzichten van de sociale uitgaven, gepresenteerd in het achtste jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV), zijn meer dan ooit grote onzekerheden verbonden.

Onzekerheid op middellange termijn…
Reeds op middellange termijn zijn aan het macro-economisch scenario grote onzekerheden verbonden, vooral wat betreft de duur en de intensiteit van de financiële crisis en de weerslag ervan op de reële economie. Dit in aanmerking genomen scenario berust op de hypothese dat het verlies aan output tengevolge van de crisis in de loop van de eerste vijf jaar niet zal worden goedgemaakt. Integendeel, de economische groei keert vanaf 2011 terug naar een groeitempo dat vergelijkbaar is met wat gemiddeld werd waargenomen vóór het uitbreken van de crisis.

… en op lange termijn...
De onzekerheid op lange termijn wat de macro-economische omgeving betreft, en meer bepaald de productiviteitsgroei, is niet nieuw, maar werd dit jaar aangewakkerd door de crisis. In deze context heeft de SCvV beslist belangrijke wijzigingen door te voeren. Enerzijds werd een nieuw macro-economisch model voor de lange termijn ontwikkeld waarmee de determinanten van de economische groei meer formeel kunnen worden geïdentificeerd. Anderzijds worden drie scenario’s voor de productiviteitsgroei voorgesteld. Het referentiescenario presenteert een jaarlijkse groeivoet van 1,5% die het midden houdt tussen twee alternatieve scenario’s: het (gebruikelijke) groeiscenario van 1,75% en een zwakker groeiscenario (1,25%).

… die leidt tot een belangrijke verhoging van de budgettaire kosten van de vergrijzing in % van het bbp.
In het referentiescenario lopen de budgettaire kosten van de vergrijzing op tot 8,2% van het bbp tussen 2008 en 2060 (zie tabel 1). Op middellange termijn bedraagt de verhoging van de sociale uitgaven reeds 3,2% van het bbp tussen 2008 en 2014, wat een meerkost is van 2,1 procentpunt van het bbp ten opzichte van de projecties van vorig jaar. De economische crisis verklaart 1,9 procentpunt van die opwaartse herziening. Dit wordt niet enkel weerspiegeld in een daling van het bbp maar ook in een sterke stijging van het aantal werklozen. Op langere termijn bedragen de budgettaire kosten van de vergrijzing 4,9% tussen 2014 en 2060, een niveau dat relatief vergelijkbaar is met dat uit de projectie van vorig jaar.


Op lange termijn wordt het verschil tussen de nieuwe raming van de budgettaire kosten van de vergrijzing (8,2% van het bbp tussen 2008 en 2060) en die uit het vorig jaarverslag (5,9% van het bbp tussen 2008 en 2050 volgens de projectie van juni 2008), hetzij 2,3 procentpunt van het bbp, verklaard door drie factoren:

voornamelijk de economische crisis, alsook verschillende andere factoren verklaren 1,2 procentpunt van het bbp;
de neerwaartse herziening van de hypothese over de jaarlijkse productiviteitsgroei met 0,25 procentpunt, wat een groei van 1,5% oplevert ten opzichte van 1,75% in de vorige verslagen, draagt bij tot die afwijking ten belope van 0,9 procentpunt van het bbp;
ten slotte wordt de projectie van de sociale uitgaven nu ook uitgebreid tot 2060, in overeenstemming met de bevolkingsvooruitzichten; de budgettaire kosten van de vergrijzing bedragen 0,2% van het bbp tussen 2050 en 2060.
In het lager productiviteitsscenario nemen de budgettaire kosten van de vergrijzing toe tot 9,4% van het bbp terwijl ze afnemen tot 7% van het bbp in het hoger productiviteitsscenario.

Gevoeligheidsanalyses van de budgettaire kosten van de vergrijzing
In het licht van de gevoelige stijging van de budgettaire kosten van de vergrijzing, ongeacht het scenario van de productiviteitsgroei, leek het aangewezen om gevoeligheidsanalyses te realiseren rond parameters die kunnen evolueren naargelang de maatregelen betreffende het economisch of sociaal beleid, zoals welvaartsaanpassingen van de sociale uitkeringen of de werkgelegenheidsgraad (zie figuur 1).

Figure 1 – De budgettaire kosten van de vergrijzing in het referentiescenario, de lage en hoge productiviteitsscenario’s en de gevoeligheidsanalyses (in % van het bbp)



De vooruitzichten van de SCvV werden uitgevoerd in de veronderstelling dat het huidig beleid ongewijzigd blijft, onder meer wat de parameters van welvaartsaanpassing betreft overeenkomstig de wet op het generatiepact. Die zijn vastgesteld ongeacht de loongroei. Gezien de algemene levensstandaard negatief wordt beïnvloed, komt zoiets in tijden van crisis neer op het toekennen van een hogere welvaarstaanpassing in relatieve termen. De eerste gevoeligheidsanalyse voert een loskoppeling in tussen de parameters van welvaartsaanpassing en de loongroei. Dergelijke hypothese werd reeds door de SCvV in aanmerking genomen vóór het generatiepact. In dit scenario liggen de parameters van welvaartsaanpassing 0,25 procentpunt lager dan in de wet, en dus dan in het referentiescenario. Ten opzichte van dit laatste, liggen de budgettaire kosten van de vergrijzing 0,9 procentpunt van het bbp lager, en bedragen zij 7,3% van het bbp.

De tweede gevoeligheidsanalyse berust op een verhoging van de werkgelegenheidsgraad van 55-plussers met 14 procentpunt ten opzichte van het referentiescenario op lange termijn (om het waargenomen gemiddelde van de Scandinavische landen te bereiken). Die verhoging weerspiegelt zich in een globale werkgelegenheidsgraad die 71,3% bereikt in 2060, wat een verhoging betekent van 2,9 procentpunt ten opzichte van het referentiescenario. In deze variant worden de budgettaire kosten van de vergrijzing teruggebracht naar 7% van het bbp, wat 1,2 procentpunt minder is dan in het referentiescenario.

De sociale gevolgen: analyse van de adequaatheid van de pensioenen…
De sociale houdbaarheid of de adequaatheid van de pensioenen wordt tevens besproken in voorliggend verslag. Twee aspecten worden daartoe in aanmerking genomen. Enerzijds gaat het over de rol die het pensioensysteem speelt om de ouderen te behoeden voor een armoederisico en anderzijds wordt onderzocht in welke mate de werknemers die met pensioen gaan een redelijk niveau van hun levensstandaard kunnen behouden. Die studie over de toereikendheid van de pensioenen wordt voorgesteld vanuit twee invalshoeken.

…op basis van waargenomen gegevens…
De huidige situatie ter zake wordt geëvalueerd op basis van de meest recente beschikbare gegevens, de indicatoren van de EU-SILC-enquête (editie 2007, inkomsten 2006). Uit die enquête blijkt dat 15 % van de Belgische bevolking in 2006 een armoederisico loopt. Die personen hebben een equivalent beschikbaar inkomen dat lager ligt dan de armoededrempel die 878 euro per maand of 10 540 euro per jaar bedraagt. Dat percentage is aanzienlijk hoger voor de 65-plussers en bedraagt 23 %. De meest kwetsbare ouderen zijn vrouwen, hoogbejaarden en alleenstaanden. Uit de verdeling van de bevolking volgens sociaaleconomisch statuut blijkt dat bijna 1 gepensioneerde op 5 een armoederisico loopt, bij de werknemers is dat ‘slechts’ 1 werknemer op 25.

De intensiteit van armoede bij de ouderen is nochtans niet hoger dan die van de jongere generaties of van ouderen in bepaalde buurlanden. Dit betekent, ook al loopt het aandeel van de ouderen die geconfronteerd worden met een armoederisico relatief hoog op, dat het verschil tussen hun inkomen en de armoededrempel beperkt is, zowel ten opzichte van de jongere generaties in België als ten opzichte van de 65-plussers in Frankrijk en Duitsland.

Ook op het vlak van inkomensongelijkheid zijn Belgische bejaarden beter af, zowel ten opzichte van de jongere generaties in België als ten opzichte van ouderen in Frankrijk en Duitsland.

…en via de vooruitzichten voor de lange termijn.
Voor het eerst wordt in een jaarverslag van de SCvV een toekomstverkennende benadering voor de adequaatheid van de pensioenen voorgesteld. Die aanpak steunt op een microsimulatiemodel dat een beeld schetst van de sociale houdbaarheid op lange termijn (tot 2050) binnen hypothesen die consistent zijn met die van de SCvV om de financiële houdbaarheid van de vergrijzing te bestuderen. De langetermijnevolutie van 3 indicatoren wordt voorgesteld : het armoederisico, de vervangingsratio en de Gini-coëfficiënt.

Het armoederisico bij gepensioneerden daalt vrij sterk tot 2030, waarna het relatief stabiel blijft rond het niveau van de werkende bevolking. De aanvankelijke daling speelt zich voornamelijk af bij de vrouwen en kan worden verklaard door hun toenemende activiteitsgraad en door de sterke verhogingen eind 2006 van de Inkomensgarantie voor ouderen en het minimumrecht per loopbaanjaar. Het effect van die laatste verhoging heeft een uitwerking tot 2030. Vanaf 2030 oefent enkel het verschil tussen de loonevolutie en de aanpassing van de minima nog een invloed uit, en vooral de impact ervan op de evolutie van de armoededrempel. Dat verschil is trouwens heel beperkt en zorgt voor een stabilisering van het armoederisico bij gepensioneerden op een vrij laag niveau vanaf 2030.

De evolutie van de brutovervangingsratio (de verhouding tussen het pensioen op het moment van pensioenering en het loon van het voorgaande jaar) toont enkele verschillen naargelang het geslacht. De vervangingsratio van de vrouwen stijgt eerst licht tot ongeveer 2020 tengevolge de recente verhoging van de minima (vooral het minimumrecht per loopbaanjaar) en de toename van de vrouwelijke activiteit, om daarna te verminderen tot 2050. De vervangingsratio van de mannen daalt over de volledige projectieperiode, aanvankelijk vooral door de toenemende activiteitsgraad van de vrouw. Meer en meer vrouwen hebben dan een eigen pensioen waardoor steeds minder mannen een pensioen aan gezinsbedrag krijgen. De daling, alsook de daling van de vrouwelijke vervangingsratio vanaf 2020, wordt daarnaast verklaard door het verschil tussen de welvaartsaanpassing van de minima en van de loongrenzen en de loongroei.

De Gini-coëfficiënt wijst op een lichte toename van de inkomensongelijkheid onder gepensioneerden tot 2020, gevolgd door een relatief sterke daling die aan kracht inboet tijdens het laatste decennium van de projectieperiode (2040-2050). De huishoudens waar de gepensioneerden deel van uitmaken, hebben als voornaamste inkomensbronnen, naast het pensioen uiteraard, het arbeidsinkomen. In het begin van de periode benadrukt het toenemend aandeel van het arbeidsinkomen in het gezinsinkomen van de gepensioneerden (gekoppeld aan de langere loopbanen van de vrouwen en dus aan het verderzetten van de beroepsactiviteit van een van de gezinsleden) de ongelijkheid binnen de gepensioneerde bevolking omdat er meer ongelijkheid is tussen de inkomens uit arbeid. Nadien speelt het omgekeerde effect, dat wordt versterkt door een daling van de ongelijkheid bij de pensioenen, vooral door een stijgend belang van het loonplafond en langere vrouwelijke loopbanen.

het achtste jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV)

Alleen langer werken zal helpen

De vergrijzingskosten exploderen, tot zo'n 28 miljard euro per jaar. Budgettaire overschotten om die kosten op te vangen, zijn er niet. De enige remedie is dat we met z'n allen langer gaan werken.

Eerst het goede nieuws. In 2060 zal de gemiddelde leeftijd van de vrouwen liefst 91 jaar bedragen, die van de mannen 85 jaar. Maar om die oudjes allemaal te kunnen verzorgen en hun pensioenen te bekostigen, is veel geld nodig. De studiecommissie voor de vergrijzing berekende dat tussen 2008 en 2060 de kosten voor de vergrijzing gemiddeld 8,2 procent van het bruto binnenlands product per jaar bedragen. In absolute cijfers uitgedrukt: op basis van ons huidige bbp betekent dat ongeveer een vergrijzingskostprijs van 28 miljard euro.

Vorig jaar berekende de commissie nog dat die kosten zo'n 5,9 procent van het bbp zouden bedragen. Maar dit jaar heeft ze langere projecties gemaakt, en heeft ze ook irrealistische verwachtingen over hoeveel mensen er zullen werken, bijgesteld.

De eerste jaren, tot 2014, zijn de vergrijzingskosten nog wat minder (3,2 procent van het bbp, zie grafiek), maar daarna lopen ze geleidelijk op. De economische crisis leidt overigens tot een meerkostprijs van 1,9 procent van de vergrijzing (door een daling van het bbp en een sterke stijging van het aantal werklozen).

Wat kunnen we doen? Tot vorig jaar legde de Vergrijzingscommissie altijd de nadruk van het aanleggen van budgettaire reserves, om die vergrijzingspieken te kunnen opvangen. 'Maar in deze crisistijden spreken van overschotten, is helemaal niet realistisch', benadrukte Guy , de gouverneur van de Nationale Bank. Integendeel, zelfs het beoogde tekort van min vier procent van het bbp voor volgend jaar is nog te optimistisch. De schuld stijgt nog een aantal jaren, tot 2015.

Tweede remedie: Drastisch snoeien in de uitgaven van ouderen, in de pensioenen gaan besparen en op de ziekteverzekering. Ook dat scenario schuift de Vergrijzingscommissie aan de kant. Ze berekende immers ook de armoederisico's. Een op de vijf gepensioneerden loopt een armoederisico. Voor de beroepsbevolking is dat maar één op de vijfentwintig. Het armoederisico bij gepensioneerden daalt wel vrij sterk tot 2030, waarna het relatief stabiel blijft.

Derde en enige remedie die overblijft: zorgen dat de productiviteit omhoog gaat en vooral ouderen langer laten werken. Dat levert een dubbel voordeel op: de koek van de economische groei en bijdragen aan de sociale zekerheid wordt groter, en hoe langer ouderen aan het werk blijven, hoe minder ze ook gaan kosten. De Vergrijzingscommissie stelde verschillende scenario's op. Als de werkgelegenheidsgraad van 55- tot 65-jarigen wordt opgekrikt met 14 procentpunt, dan zakken die begrotingskosten al tot 7 procent van het bbp. Nu werkt maar 37 procent van de 55- tot 65-jarigen, alle generatiepacten en halve maatregelen ten spijt. Werkt 51 procent, het niveau in de Scandinavische landen, dan scheelt dat al een flinke slok op een borrel.

'Wat we vragen, is niet ondoenbaar of inhumaan. Als de levensverwachting stijgt tot 90 jaar, dan is het toch normaal dat we van ons 55ste tot 65ste meer gaan werken?' zegt Guy Quaden.

'Maar dat betekent niet dat de regering niet zo snel mogelijk naar een evenwicht terug moet zien te keren.'

Kosten vergrijzing exploderen

Als er niets verandert, worden onze pensioenen onbetaalbaar. Massaal langer gaan werken is nodig.

De vergrijzing zal tussen nu en 2060 een aanzienlijk groter deel van de welvaart opslorpen dan tot nog toe werd aangenoment. Dat komt door de economische crisis - waardoor ons bruto binnenlands product lager uitvalt en de vergrijzingskosten dus relatief gezien zwaarder wegen - en doordat we langer zullen leven dan eerder verwacht.

Dat zegt de vergrijzingscommissie, die de regering moet adviseren hoe ze de oplopende pensioen- en gezondheidszorguitgaven moet opvangen.

In 2060 leeft een man gemiddeld 85 jaar, een vrouw 91 jaar. Als we de pensioenen en de ziekteverzekering laten zoals ze zijn, slorpt de vergrijzing de komende jaren liefst 8,2 procent van ons bruto binnenlands product per jaar op (ongeveer 28 miljard euro).

Begrotingsoverschotten om de toekomstige pensioenen te betalen, zijn er niet. Wel integendeel, door de economische crisis hopen de tekorten zich op en stijgt de overheidsschuld weer. De enige remedie die nog haalbaar is, is dat we met z'n allen massaal langer aan het werk blijven. Nu is het aantal werkenden in België tussen 55 en 65 schrikwekkend laag: slechts 37 procent van die leeftijdscategorie is nog aan de slag.

donderdag 18 juni 2009

Tekort bij bijna een op twee pensioenfondsen

Liefst 107 van de 250 bedrijfs- en sectorpensioenfondsen in België sloten 2008 af met een tekort op de korte en/of de lange termijn. Dat blijkt uit de cijfers van de Commissie voor Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA). Op de korte termijn is er in totaal een tekort vastgesteld van 530 miljoen euro, dat de fondsen tegen eind 2009 moeten aanzuiveren, en op de lange termijn 1,39 miljard.

Dit betekent dat ongeveer 7 procent van de kortetermijnverplichtingen van de fondsen eind 2008 niet gedekt waren en 15 procent van de langetermijnverplichtingen.

De tekorten situeren zich dus vooral op het niveau van de langetermijnvoorzieningen, waarvan de berekening rekening houdt met welvaartsgroei, loonsverhogingen, inflatie,enz. Voor die tekorten krijgen de fondsen meer tijd om ze weg te werken. De toezichthouder benadrukt dat er geen liquiditeitsproblemen zijn en dat pensioenfondsen per definitie een langetermijnhorizon hanteren.

Voorzichtigere berekening

De tekorten zijn grotendeels te wijten aan de beursmalaise en de bevriezing van de kredietmarkten vorig jaar, waardoor respectievelijk aandelen en obligaties in de pensioenportefeuilles veel minder waard werden. Een andere reden is dat pensioenfondsen sinds 1 januari 2007 wettelijk verplicht zijn hun toekomstige pensioenverplichtingen op een voorzichtigere manier te berekenen. Sindsdien wordt er een onderscheid tussen korte- en langetermijnverplichtingen gemaakt om de rechten van de werknemers, de begunstigden van het pensioenfonds nog beter te beschermen.

Door de sociale bescherming, opgelegd door de wet Vandenbroucke, moeten werkgevers of andere inrichters van de pensioenfondsen op het einde van de rit eventuele tekorten bijpassen zodat het aanvullend pensioen voor de werknemers of andere begunstigden verzekerd is.

Dekkingsgraad
Die prudente berekening was de implementatie van een Europese richtlijn in de Belgische wetgeving. De gemiddelde dekkingsgraad, de verhouding tussen het vermogen en de verplichtingen van het pensioenfonds, daalde door de invoering van die nieuwe berekeningswijze in een jaar van 142,98 procent eind 2006 tot 129,71 procent eind 2007. De kredietcrisis verscherpte de ingezette daling van de gemiddelde dekkingsgraad van de pensioenfondsen in 2008 verder tot 104,30 procent.

De CBFA stuurde in december proactief een brief naar alle pensioenfondsen om erop aan te dringen tijdig in te grijpen. Uit een rondvraag bij een staal van de Belgische pensioenfondsen in het najaar bleek immers dat de dekkingsgraad door de malaise op de financiële markten fors gedaald was.

Daarom vond CBFA het niet opportuun te wachten tot de jaarlijkse rapportering (ten laatste eind juni van het daaropvolgende jaar) om tekorten aan te pakken. Tegen eind februari moesten de pensioenfondsen met tekorten zelf met een 'concreet en haalbaar' herstelplan naar de toezichthouder stappen. De meeste pensioenfondsen verteerden de nieuwe, proactieve aanpak van de CBFA goed en dienden een herstelplan in.

Herstelplannen
Toch zijn er ook uitzonderingen. Zo stelde CBFA op basis van de rapportering vast dat 11 pensioenfondsen nalieten een tekort te melden, daarvan hadden drie fondsen spontaan het tekort in een keer aangezuiverd na het indienen van de jaarrekening. Liefst 16 fondsen dienden nog geen formeel herstelplan in, waaronder ook enkele grote fondsen. Van de 91 ingediende herstelplannen keurde CBFA er reeds 45 goed.

De valkuil van uw bedrijfspensioen

Een faillissement kan de volledige uitbetaling van uw bedrijfspensioen in gevaar brengen.

Dankzij de groepsverzekering bij de werkgever of de bedrijfssector kunnen honderdduizenden Belgen vandaag rekenen op een aanvullend pensioen. Maar wie dit extra spaarpotje beschouwt als 100 procent verworven, moet straks mogelijk zijn mening herzien.

Want door de crisis zakken steeds meer pensioenfondsen in België in het rood waardoor tientallen van hen niet meer aan hun kortetermijnverplichtingen kunnen voldoen. Wat betekent dat ze onvoldoende geld in kas hebben om de pensioengerechtigde werknemers uit te betalen.

Op korte termijn, vormt dit nog niet echt een probleem. Want niet alleen heeft het gros van de betrokken pensioenfondsen een herstelplan ingediend om het tekort aan te zuiveren, als ze daar niet in slagen dan bepaalt de wet Vandenbroucke dat de werkgevers (of andere inrichters van het pensioenfonds) aan het einde van de rit de eventuele tekorten moeten bijpassen.

Paniek is dus uit den boze, benadrukt toezichthouder CBFA terecht. Maar dat betekent niet dat u op uw beide oren mag slapen. Want uw appeltje voor de dorst kan op lange termijn wel degelijk in gevaar komen. Want door de voortwoekerende economische crisis dreigt het aantal bedrijfsfaillissementen het komende jaar sterk te stijgen. En als uw werkgever niet meer financieel kan bijspringen, dreigt de werknemer wél in de kou te staan en met een aanvullend pensioen 'light' afgescheept te worden.

Dat is althans waarvoor de verzekeringsfederatie Assuralia, bij monde van Philippe Colle, waarschuwt. Een strijd waarin de verzekeraars naar verluidt steun vinden bij de vakbonden, die dit doemscenario tot elke prijs willen vermijden. 'Het verschil tussen een verzekeraar en een pensioenfonds is dat deze laatste slechts een middelenverbintenis aangaat met de klant. Bij een diepe crisis, zoals nu, moet de werknemer vaak terugvallen op de werkgever en dat kan een probleem worden', legt Colle uit.

Natuurlijk is het zo dat het betrokken pensioenfonds bij een faillissement een bevoorrechte schuldeiser is en via die weg vroeg of laat wellicht nog een deel van het tekort bij het failliete bedrijf kan recupereren. Maar in sommige gevallen lukt dit niet of onvoldoende, en schiet de werknemer/pensioengerechtigde er dus wel degelijk geld bij in.

Assuralia pleit er dan ook voor om op Europees vlak de pensioenfondsen strengere regels op te leggen qua kapitaalvereisten, zodat al te grote financiële tekorten vermeden kunnen worden. Strengere regels (Solvency II) die er voor de verzekeraars sowieso al zitten aan te komen en die hen een concurrentieel nadeel dreigen te bezorgen als ze niet uitgebreid worden. 'Want levensverzekeraars en pensioenfondsen bieden in se hetzelfde gamma van uitkeringen aan', aldus Colle.

Pensioenfondsen happen naar adem

Bijna de helft van de pensioenfondsen in België zit in het rood en werd door de CBFA aangezet een herstelplan in te dienen. Vooral hun tekort op de korte termijn - in totaal 530 miljoen euro - moet snel aangezuiverd worden.

Liefst 107 van de 250 bedrijfs- en sectorpensioenfondsen in België sloten 2008 af met een tekort op de korte of lange termijn. Wat betekent dat ze op zoek moeten naar vers kapitaal om aan hun financiële verplichtingen te kunnen voldoen.

De tekorten zijn vooral te wijten aan de beursmalaise en het stilvallen van de kredietmarkten vorig jaar, waardoor respectievelijk hun beleggingen in aandelen en obligaties fors minder waard werden. Maar ook de recente wetswijziging die hen vanaf 2007 verplichtte om hun toekomstige pensioenverplichtingen voorzichtiger te berekenen, doen de pensioenfondsen nu financieel naar adem happen.

De cijfers spreken voor zich. De tekorten op korte termijn - hoofdzakelijk het geld voorzien voor de uitbetaling van de gepensioneerden - bedragen nu al 530 miljoen euro. De tekorten op lange termijn - waarbij de pensioenfondsen ook rekening moeten houden met welvaartsgroei, baremaverhogingen en inflatie - lopen zelfs op tot 1,39 miljard euro.

De toezichthouder CBFA zag de problemen echter aankomen en stuurde in december al proactief een brief naar alle pensioenfondsen met de vraag tijdig in te grijpen. Tegen eind februari moesten de pensioenfondsen met tekorten, waaronder heel wat grote fondsen, een 'concreet en haalbaar' herstelplan bij de CBFA indienen. Dat herstelplan moest de tekorten op korte termijn tegen eind 2009 oplossen. Voor de lange termijn kregen de fondsen vijf jaar de tijd om vers kapitaal te zoeken, bijvoorbeeld via een achtergestelde lening.

Het gros van de fondsen heeft zijn huiswerk goed gedaan, zo blijkt nu. Van de 91 ingediende herstelplannen keurde de CBFA er al 45 goed. En ook de rest van de herstelplannen lijkt op het eerste gezicht geen grote problemen met zich mee te brengen. Zelfs al lieten 11 pensioenfondsen na om het tekort zelf te melden en hebben 16 fondsen nog altijd geen herstelplan ingediend, waaronder ook enkele grote vissen.

De toezichthouder benadrukte gisteren dan ook dat paniek onnodig is. 'Er zijn vandaag geen liquiditeitsproblemen bij de pensioenfondsen', aldus woordvoerder Hein Lanoye. Maar niet iedereen is het daarmee eens. De verzekeringsfederatie Assuralia waarschuwde gisteren voor een scenario waarin de pensioengerechtigde in de kou blijft staan. Want als het pensioenfonds tekortschiet, voorziet de wet erin dat de werkgever moet bijstorten. Maar wat als deze laatste tekortschiet?

woensdag 17 juni 2009

"Doorwerken na 65 jaar is zinloos"

Het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd tot boven de 65 jaar heeft nauwelijks zin. Veel oudere werknemers krijgen namelijk te maken met gezondheidsproblemen en moeten daarom toch afhaken op de arbeidsmarkt.

Dat stelt Dorly Deeg, hoogleraar epidemiologie van de veroudering bij het VU medisch centrum in Amsterdam. Het probleem geldt vooral voor laaggeschoolde werknemers.

"Langer leven betekent meer ziekten"
Een van de belangrijkste conclusies die de wetenschapster heeft getrokken, is dat mensen wel steeds ouder worden, maar ook meer ziekten, beperkingen of depressieve klachten krijgen. "De winst in de langere levensduur zit erin dat de medische wetenschap beter is geworden in het beheersen van ziekten."

Vooral ouderen met een lage opleiding hebben een slechte gezondheid. Dit komt onder meer doordat zij zwaarder werk doen en vaak al op jonge leeftijd zijn begonnen met werken. Ook mensen zonder partner hebben vaker een moeilijke oude dag.

Studie sinds '91
De studie onder leiding van Deeg loopt al sinds 1991. De onderzoekers volgen ouderen vanaf 55 jaar en kijken elke drie jaar hoe het met hen gaat.

donderdag 11 juni 2009

Toelichting bij aanvullende pensioenen voor contractanten

In de Kamer antwoordt Minister Arena op een vraag van de heer Stefaan Vercamer over de verschillende initiatieven op het vlak van aanvullende pensioenen voor contractanten.

De Minister benadrukt dat de RSZPPO nog geen definitieve beslissing heeft genomen om een aanvullend pensioen voor de contractanten te organiseren. De geciteerde bijdrage van 2% zal bovendien onvoldoende zijn om het wettelijk pensioen voor statutairen en contractanten gelijk te stellen.

De Minister herhaalt dat een wetgevend initiatief zal genomen worden tijdens de eerste maanden van 2009. Zowel verzekeraars als pensioenfondsen zullen een rol kunnen spelen als pensioeninstelling.

Document pagina 305

In het Belgisch staatsblad van 5 juni 2009

CAO van 31/03/2008 gesloten in het PC voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap, tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid op genaamd “sociaal fonds 318.02 tot aanvullende financiering tweede pensioenpijler”.

In het Belgisch staatsblad van 10 juni 2009

17 MAART 2009. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 2008, gesloten in het Paritair Comit voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de terugwinning van metalen, bl. 41229.


17 MAART 2009. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 2008, gesloten in het Paritair Comit voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de zeevisserij, bl. 41230.

26 MAART 2009. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 december 2008, gesloten in het Paritair Comit voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten, bl. 41232.

maandag 8 juni 2009

Pension fund sophistication and investment policy

This paper assesses the sophistication of pension funds’ investment policies using data on 748 Dutch pension funds during the 1999–2006 period. We develop three indicators of sophistication: gross rounding of investment choices, investments in alternative sophisticated asset classes and ‘home bias’. We find that pension funds’ strategic portfolio choices are often based on coarse and possibly less sophisticated approaches. Most pension funds, particularly the medium-sized and smaller ones, round strategic asset allocations to the nearest multiple of 5%, similar to age heaping in demographic and historical studies. Second, many pension funds invest little or nothing in alternative asset classes besides equities and bonds, resulting in limited asset diversification. Third, medium-sized and smaller pension funds favor regional investments and as such not fully employ the opportunities of international diversification. Finally, we show that pension funds using less sophisticated asset allocation rules tend to opt for investment strategies with a lower risk-return profile.

Paper
Pension fund sophistication and investment policy




This paper assesses the sophistication of pension funds’ investment policies using data on 748 Dutch pension funds during the 1999–2006 period. We develop three indicators of sophistication: gross rounding of investment choices, investments in alternative sophisticated asset classes and ‘home bias’. We find that pension funds’ strategic portfolio choices are often based on coarse and possibly less sophisticated approaches. Most pension funds, particularly the medium-sized and smaller ones, round strategic asset allocations to the nearest multiple of 5%, similar to age heaping in demographic and historical studies. Second, many pension funds invest little or nothing in alternative asset classes besides equities and bonds, resulting in limited asset diversification. Third, medium-sized and smaller pension funds favor regional investments and as such not fully employ the opportunities of international diversification. Finally, we show that pension funds using less sophisticated asset allocation rules tend to opt for investment strategies with a lower risk-return profile.

donderdag 4 juni 2009

Nederlandse pensioenreus APG zoekt klanten in België

APG, de grootste pensioenfondsbeheerder in Nederland, wil binnenkort diensten aanbieden in België. Dat zegt Roderick Munsters, directeur beleggingen bij APG. De professionalisering van het beheer van pensioenfondsen staat in Nederland een stapje verder dan in ons land. APG is gespecialiseerd in pensioenadministratie, communicatie, vermogensbeheer en ondersteuning van het bestuur. Aangesloten werknemers kunnen bij APG bijvoorbeeld op elk moment online nagaan hoeveel pensioenrechten ze hebben opgebouwd en welke impact bepaalde carrièrestappen op hun pensioen hebben.

APG ontstond uit de verzelfstandiging van het beheer van ABP, het pensioenfonds van de Nederlandse overheids- en onderwijssector. Vorig jaar smolt APG samen met de pensioenfondsbeheerder van de bouwsector, zodat APG vandaag zowat 200 miljard euro beheert, ruim 30 procent van alle collectieve Nederlandse pensioenen.

APG

Pensioenfondsen moeten de koppen bij elkaar steken


'Pensioenfondsen moeten de koppen bij elkaar steken'-- Freddy Willockx (voorzitter Pensioenfonds Metaal) vindt Belgisch pensioenfondslandschap te versnipperd

'De Belgische bedrijfspensioenfondsen moeten meer samenwerken om schaalvoordelen uit te buiten en knowhow te delen.' Dat zei Freddy Willockx (sp.a), de voorzitter van het Pensioenfonds Metaal en voormalig minister van Pensioenen (1992-1994), gisteren op een seminarie van de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen (BVPI). 'Het Belgische pensioenlandschap is te versnipperd. Ik pleit voor een meer interprofessionele aanpak. We moeten het voorbeeld van Nederland bestuderen, waar zelfs pensioengiganten zoals ABP en het pensioenfonds van de bouw de krachten bundelen.'

Kleinere broertjes

Samenwerken om de kosten te drukken blijkt geen overbodige luxe. De grote Belgische bedrijfs- en sectorpensioenfondsen behalen betere, of minder slechte, rendementen dan hun kleinere broertjes. Dat blijkt uit de jaarlijkse rondvraag van de BVPI waar 95 fondsen aan deelnamen. Het gewogen gemiddeld rendement van de steekproef bedroeg in 2008 -17,7 procent. De kleinere fondsen, die minder dan 25 miljoen beheren, verloren gemiddeld ruim 20 procent.

De kredietcrisis en de lessen die de pensioenfondsen eruit trokken waren centrale thema's op het seminarie van de BVPI. De Belgische bedrijfspensioenfondsen durven niet meer volop in aandelen te stappen. Het gewicht van aandelen in de portefeuilles van de pensioenfondsen zakte gemiddeld van 40 procent eind 2007 tot 29 procent eind vorig jaar. Ruim 80 procent van de fondsen rapporteerde een kleinere allocatie van activa aan aandelen. Die daling is deels te wijten aan de beursmalaise, maar ongeveer de helft van de ondervraagde fondsbeheerders gaf toe het herbalanceren van de portefeuille bewust uit te stellen.

'De assumpties en de harde feiten waarop we in 2006 onze beleggingsstrategie baseerden, gelden niet meer', reageert Edwin Meysmans, die het bedrijfspensioenfonds van KBC beheert. 'Wij kenden aandelen in 2006 een gewicht toe van 50 procent, een vrij dynamische strategie, omdat we een stevige financieringsratio hadden en een sterke sponsor (KBC, red). Sindsdien is veel veranderd, daarom zijn we vandaag tevreden met slechts 30 procent vermogen in aandelen. Het zou ook vreemd zijn te doen alsof niets gebeurd is.' Hervé Noël, beheerder van het pensioenfonds van Suez-Tractebel, ziet nog een andere reden voor de aarzeling bij de pensioenfondsen. 'Het is steeds moeilijker specialisten te vinden die zich nog over de toekomst van aandelen durven uit te spreken.'

De tanende populariteit van aandelen bij de pensioenfondsen speelde in het voordeel van obligaties. Vooral bedrijfsobligaties van hoge kwaliteit zijn erg in trek. De Belgische bedrijfspensioenfondsen tonen zich voorzichtiger dan hun noorderburen. 'Wij blijven de beleggingsportefeuilles steeds herbalanceren, zowel in opgaande als neergaande markten', stelt Jaap Maassen van de Nederlandse pensioenfondsbeheerder APG. 'Het is menselijk dat je niet meer wil eten waarvan je buikpijn kreeg, maar dat betekent dat je aandelen vaak goedkoop verkoopt en vastrentende effecten duur koopt.'

De beheerders van de Belgische pensioenfondsen maken zich ook zorgen over de tegenstrijdige belangen van de betrokken partijen die door de financiële crisis verscherpt zijn. 'De sociale bescherming voor werknemers, in het leven geroepen door de wet-Vandenbroucke, leidt vandaag tot een tweespalt in het bestuur van de Belgische pensioenfondsen', waarschuwt Noël. 'De werknemers willen dat de vermogensbeheerders veel risico nemen. Als het misloopt en tekorten in het pensioenfonds opduiken, dan betaalt de inrichtende werkgever immers de rekening. Als alles goed gaat, dan zijn de rendementen hoger en plukken de werkgevers de vruchten.'

woensdag 3 juni 2009

ENRSP : Protecting Pension Rights in the economic crisis - 18 and 19 June 2009 - Leuven

Background of the conference
The current global economic crisis questions the pension policies of many countries. Worldwide the structuring of the pension schemes is examined again. Are the flaws in both PAYG systems as in funded systems sufficiently known ?

Venue
Promotiezaal
Universiteitshallen
Naamsestraat 22
3000 Leuven
BELGIUM

Maximum registration fee Second day for free 145,00 € incl. VAT Registration only via
carla.ons@law.kuleuven.be A registration form with all details will be send.

Jaarverslag 2008: de Rijksdienst voor Pensioenen, met raad en daad!


Uit het jaarverslag van de Rijksdienst voor Pensioenen blijkt dat het aantal gemengde loopbanen en zuivere loopbanen als werknemer toeneemt. Het aantal zuivere loopbanen als zelfstandige blijft echter dalen. Het aantal raadplegingen van de website en het aantal oproepen naar de Groene lijn van de RVP neemt gestaag toe. Ondanks deze toename van de werklast slaat de RVP zich er prima doorheen: de gemiddelde tevredenheidsscore van de eerste 6 maanden van de permanente tevredenheidsmeting, die in juli 2008 van start ging, bedraagt 8,1/10.

De RVP heeft zopas zijn jaarverslag 2008 gepubliceerd dat gedownload kan worden op de website van de RVP www.rvp.fgov.be of besteld kan worden door een mail te sturen naar info@rvp.fgov.be. De belangrijkste informatie die in deze uitgave kan worden teruggevonden is de volgende:

Meer gemengde loopbanen en minder gepensioneerden met een zuivere loopbaan als zelfstandige

Het aantal gepensioneerden met uitsluitend een loopbaan als zelfstandige is met bijna 6% afgenomen, terwijl het aantal gepensioneerden met een gemengde loopbaan, d.w.z. een loopbaan in verschillende stelsels (zelfstandige, ambtenaar en/of werknemer), met 2,5% is gestegen in vijf jaar.

Steeds meer vragen over het pensioen

Steeds meer burgers vragen zich af hoe hun toekomstige pensioen eruit zal zien. Deze trend komt duidelijk naar voren uit de statistieken 2008 van de verschillende informatiebronnen van de RVP:

- 1 564 303 oproepen naar de Groene lijn (gratis telefoonnummer). Dit is een stijging met 13% in vergelijking met 2007;

- 541 589 internetgebruikers hebben de website van de RVP bezocht, wat een stijging van 17% betekent;

- 133 114 bezoekers hebben de gewestelijke kantoren en de zitdagen bezocht. Dit is een stijging met 20%;

- 58 501 briefwisselingen in 2008, hetzij een stijging van 43%.

Een permanente tevredenheidsbarometer

In de eerste 6 maanden van de maandelijkse permanente enquête, die van start ging in juli 2008, heeft de RVP een score behaald van 8,1/10. Deze enquête dient als permanente barometer voor het meten van de tevredenheid van de klanten van de RVP op het vlak van de dienstverlening. De eerste resultaten zijn alvast bemoedigend en tonen aan dat de RVP op de goede weg is.

Behalen van het EMAS-certificaat

In 2008 heeft de RVP het EMAS-certificaat behaald. Dit Europese certificaat wordt toegekend aan instellingen die alles in het werk stellen om hun ecologische voetafdruk te verkleinen. De RVP heeft zijn energieverbruik teruggeschroefd en sorteert zijn afval.

www.rvp.fgov.be
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij :
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij : Familus - 149 euro korting
Jobaanbiedingen mogelijk dankzij : Familus - 149 euro korting

Ouderen moéten geen werk zoeken - Gazet van Antwerpen

Ondernemersorganisatie Voka heeft forse kritiek op VDAB. In een halfjaar tijd is slechts één op de 1.171 nieuwe bruggepensioneerden en zesti...